Hoe kan het toch dat de lonen maar niet stijgen?

Wel economische groei, maar geen salarisverhoging

Al vier decennia liggen de lonen van Nederlanders op een gelijk niveau. Wel economische groei, maar geen salarisverhoging. Wie of wat heeft daarin de hand gehad? 

De Unox-rookworstenfabriek in Oss. Foto Arie Kievit

Wie vermoordde de loonstijging? Over dit mysterie breken economen zich het hoofd. De plaats delict - alle westerse economieën - is duidelijk, net als de tijd van overlijden - grofweg tussen 1980 en nu. Maar waarom onze lonen al zo'n vier decennia stagneren, is een stuk minder duidelijk.

Een antwoord vinden op dit raadsel is spoedeisender dan ooit nu de economie eindelijk weer bloeit, zonder dat de Nederlanders dit (vooralsnog) terugzien in hun portemonnee. Het ene na het andere instituut roerde afgelopen tijd de trom over de kwakkelende inkomens: het IMF, De Nederlandsche Bank, het Centraal Planbureau, allemaal vinden ze dat het tijd is voor loonsverhogingen. Ook premier Rutte is om, en zelfs werkgeversbaas Hans de Boer kan tegenwoordig leven met loonstijgingen van 'zo'n procent of 3'. Toch zijn dergelijke loonstijgingen nog in geen velden of wegen te bekennen. Hoe kan dat? De Volkskrant zet de hoofdverdachten in deze whodunit op een rij.

1. De grote uitvindingen zijn gedaan

Econoom Tyler Cowen rekent in zijn boek The Complacent Class voor wat er gebeurd zou zijn als de Amerikaanse arbeidsproductiviteit was blijven groeien zoals in de decennia voor 1973, het jaar van de oliecrisis. Dan zouden Joe the Plumber en zijn gezin nu 80 procent meer inkomen hebben gehad. Voor Nederland zouden de cijfers minstens vergelijkbaar zijn: de Nederlandse productiviteit groeide in de decennia voor 1973 en ook lange tijd erna veel harder dan de Amerikaanse, vooral doordat Nederland een inhaalslag maakte na de Tweede Wereldoorlog. Met de Amerikaanse rekensom zou Jan Modaal niet 37 duizend euro per jaar hebben verdiend - het doorsnee-inkomen van de Nederlanders - maar 67 duizend euro. Dat is meer dan een beginnende rechter of hoogleraar nu aan salaris opstrijkt.

Het is dus nogal een probleem dat onze arbeidsproductiviteit sinds de jaren zeventig steeds wat trager is gaan groeien. Want hoe productiever we zijn - oftewel: hoe meer led-lampen, strijkijzers en neustrimmers een Philips-werknemer in een uur kan fabriceren, of hoe sneller kappers een bob of buzzcut kunnen knippen en scheren - hoe meer winst onze bedrijven maken. En die hogere bedrijfswinsten vertalen zich - idealiter - weer in hogere lonen.

De reden dat Jan Modaal genoegen moet nemen met 37 duizend euro, is dat de grote uitvindingen al lang en breed zijn gedaan. Zo luidt althans de verklaring van econoom Robert Gordon in zijn invloedrijke boek The Rise and Fall of American Growth. Dat de vooruitgang al wel zo'n beetje achter ons ligt, klinkt raar in tijden van zelflerende chatbots, chauffeurloze vrachtwagenkonvooien, hersenimplantaten tegen Parkinson en talloze andere doorbraken. Maar hoe indrukwekkend deze uitvindingen ook zijn, toch steken de productiviteitscijfers van nu bleekjes af bij die tussen pak 'm beet 1870 en 1970, constateert Gordon. De productiviteitswinst van het internettijdperk blijft tot nu toe beperkt tot specifieke sectoren, zoals de computerindustrie of de telecomsector. Dat staat in schril contrast met de 'speciale eeuw tussen 1870 en 1970', schrijft Gordon, toen de hele economie met sprongen vooruitging dankzij de introductie van elektriciteit, auto's, telefoons en andere vondsten.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Arbeiders in een textielfabriek, waarschijnlijk in Enschede rond 1895. Foto Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/S. Goudsmit

2. Krapte is een fabeltje

De Nederlandsche Bank kwam afgelopen zomer met een alternatieve verklaring: de arbeidsmarkt is helemaal niet zo krap als werkgevers beweren. Hoe krapper de arbeidsmarkt - oftewel: hoe moeilijker werkgevers aan geschikt personeel kunnen komen - des te meer noten op de zang werknemers kunnen hebben. Op het eerste gezicht ligt krapte momenteel voor de hand: het aantal werklozen is inmiddels gedaald tot 424 duizend; begin 2014 waren dat er nog ruim 300 duizend meer. Dus klagen bedrijven dat ze moeilijker personeel kunnen vinden. Maar DNB ziet nog veel 'onbenut arbeidspotentieel' in de economie. Een voorbeeld van deze verborgen werkloosheid zijn de 460 duizend Nederlandse parttimers die liever meer uren zouden willen werken. Of de 273 duizend 'ontmoedigden' - werklozen die tijdens de crisis zo veel afwijzingen te verstouwen kregen dat ze maar helemaal stopten met reageren op vacatures.

3. De factor arbeid is geen machtsfactor meer

Behalve productiviteit en het aanbod van werknemers is er nog een ander belangrijk ingrediënt voor loonstijgingen: de verdeling van 'de koek', zoals dat in economisch jargon heet. Hoeveel van de winst houdt een werkgever voor zichzelf, en hoeveel komt er terecht in de portemonnee van zijn werknemers? De magere groei van de productiviteit de laatste vier decennia heeft de koek er niet copieuzer op gemaakt. En tot overmaat van ramp is het deel van de koek dat naar werknemers gaat in dezelfde periode ook al geslonken. Een CBS-bericht onderstreepte dat enkele maanden geleden nog: van elke euro bedrijfswinst, gaat 73 cent naar werknemers en zelfstandigen. Medio jaren negentig was dat nog 81 cent. Werkgevers steken dus een steeds groter deel van de winst in eigen zak.

Hoe ze daarmee wegkomen? De teloorgang van de vakbonden speelt werkgevers in de kaart. In 1960 waren vier op de tien werkende Nederlanders lid van een vakbond, nu minder dan twee op de tien. De machtspositie van werknemers is daardoor danig uitgeteerd. Daaraan heeft ook flexibilisering bijgedragen: wegwerpwerknemers met een halfjaarcontractje hebben nu eenmaal minder in de melk te brokkelen dan een collega in vaste dienst. Hetzelfde geldt voor het alsmaar uitdijende leger van parttimers. En dan is de machtspositie van werkend Nederland nog eens verder verkruimeld door de mondiaal gezien ongekende opmars van het aantal zelfstandigen, waarvan er inmiddels een miljoen zijn.

Bovendien concurreert de fabrieksarbeider in tijden van globalisering ook met zijn vakbroeders in Poznan en Shenzhen, zoals de kantoortijger moet opboksen tegen het computerwonder uit Bangalore. Daar komt dan nog de concurrentie van robots en computers bij. Bedrijven hebben geen scheepsladingen werknemers meer nodig om het tot miljardenbedrijf te schoppen. Philips had op het hoogtepunt begin jaren zeventig alleen al bijna 100 duizend werknemers in Nederland. Zet daar WhatsApp tegenover: de berichtendienst telde slechts 55 werknemers toen Facebook het bedrijf in 2014 voor 19 miljard dollar op de kop tikte. Bijkomend voordeel voor werkgevers: nulletjes en eentjes vragen niet om loonsverhoging.

Sport- en horecawerknemers zijn qua loonontwikkeling het slechtste af

De 390 duizend Nederlanders in de horeca waren niet veel beter af. Sinds de eeuwwisseling daalde hun koopkracht met ruim 9 procent. Bovendien verdienen zij het minst van alle beroepsgroepen: vorig jaar gemiddeld 14,60 euro per uur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.