Hoe de Nederlandse flexibele schil een van de grootste van Europa werd

Onze flexpoel groeit de laatste tien jaar het hardst van Europa: bijna twee miljoen flexibele werknemers kent Nederland inmiddels. Twee redenen waarom de flexibele schil in Nederland zo groot is. En: valt het tij nog te keren?

Flexpersoneel aan het werk in de Amsterdamse Jordaan. Beeld Guus Dubbelman / de Volkskrant

1. Wetten en regels werkten flexwerk onbedoeld in de hand

Als je flexwerken wil begrijpen moet je naar de geschiedenis kijken, zegt de Tilburgse hoogleraar arbeidsmarkt Ton Wilthagen. In Nederland hadden we in de Tweede Wereldoorlog de Duitse bezetter. Destijds ontstond de sterke bescherming van vaste werknemers, stelt Wilthagen. ‘Autoritaire regimes beloven altijd baanzekerheid om mensen in toom te houden. De Duitsers wilden arbeid bovendien stevig controleren: de bevolking moest werken in sectoren die nodig waren voor de oorlog.’ De Duitse bezetter voerde het vergunningenstelsel in, waardoor je toestemming moest vragen aan het arbeidsbureau voordat je als werkgever iemand kon ontslaan of voordat je als werknemer kon vertrekken.

Dat systeem werd na de oorlog in stand gehouden: voor de wederopbouw was het ook handig om arbeid aan te sturen. Tegenwoordig kunnen werknemers vrij makkelijk ontslag nemen, maar voor werkgevers geldt nog altijd de preventieve ontslagtoetsing. Een werkgever moet het UWV of de kantonrechter om toestemming vragen voordat hij iemand mkan ontslaan. Dit maakt dat werknemers met vaste contracten goed zijn beschermd.

Niet gek toch, stelt hoogleraar Wilthagen, dat werkgevers zich stortten op nieuwe werkvormen zoals het tijdelijke contract en uitzendwerk, toen die opkwamen in de jaren negentig. ‘Er bestonden weinig regels voor flex. Er kon heel veel in Nederland.’ De Flexwet van 1999 en de Wet Werk en Zekerheid van 2015 probeerden dit verschil te overbruggen, maar bereikten volgens Wilthagen het tegenovergestelde, ‘omdat het vaste contract nauwelijks werd aangepakt’. In 2004 zijn daar meer rechten voor de vaste werknemer aan toegevoegd: de doorbetaling bij ziekte van twee jaar tijd – ‘echt uniek in de wereld’ – en de reïntegratieverplichtingen voor de werkgever.

Hij verbaast zich. ‘Wat mij opvalt is dat diegenen die het hardst roepen dat ze niet tevreden zijn met de huidige situatie in Nederland – de vakbonden en het kabinet – dit systeem zelf hebben gecreëerd. Je kunt niet zeggen dat Nederlandse werkgevers nu eenmaal niet houden van vaste werknemers. Werkgevers opereren volgens een systeem met een bepaalde logica en bepaalde arbeidskosten. Dat systeem hebben we zelf gemaakt.’

2. Werkgevers vinden flexwerk allang doodnormaal

Wetgeving is weliswaar een factor, zegt hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer, maar er is volgens hem een belangrijkere reden waarom Nederland zoveel flexwerkers heeft. ‘Arbeidsmarktbeleid zit ingewikkeld in elkaar. Er is uitgebreid kwalitatief onderzoek nodig om de verschillen tussen Europese landen te onderzoeken, maar dat is simpelweg nog nooit gedaan.’ Neem de doorbetaling bij ziekte, zegt de hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam. ‘Kleine en middelgrote bedrijven zouden daaraan onderdoor gaan. Driekwart van het mkb heeft dit risico echter verzekerd, dus dat betwijfel ik.’

De Beer vermoedt dat de echte oorzaak van het grote aantal flexwerkers in Nederland ligt in onze bedrijfscultuur. Het is hier normaal geworden om beginnende werknemers een tijdelijk contract te geven als een soort verlengde proeftijd. In België geldt dat niet, daar is een vast contract de standaard, weet de arbeidseconoom van zijn collega-onderzoekers. Je krijgt in België alleen een tijdelijk contract als daar een duidelijke reden voor is, zoals een tijdelijk project waarvoor je bent aangenomen.

Die cultuur is zo gegroeid, omdat Nederland deeltijdwerk en flexwerk relatief vroeg in de wetgeving opnam, zegt De Beer. ‘Vakbonden en werkgevers waren er snel bij, ze wilden deze nieuwe arbeidsvormen in goede banen leiden.’ In 1982 werd in het Akkoord van Wassenaar afgesproken dat deeltijdwerk zou worden gestimuleerd om de werkeloosheid te bestrijden, in 1999 kwam de Flexwet voor uitzend- en oproepkrachten. De Beer: ‘De regelgeving legitimeerde het flexwerk. Voortaan hoefden werkgevers geen enkel excuus meer te bedenken om werknemers aan te nemen op een tijdelijk contact.’

De wetgeving op zichzelf is volgens De Beer niet bepalend. Een sterke aanwijzing daarvoor, stelt hij, is dat vergelijkbare Nederlandse bedrijven enorm verschillen in de grootte van hun poel flexwerkers. ‘Wetgeving vormt dus een kader waarbinnen werkgevers hun eigen keuzes maken. Ik denk dat de normen en waarden over personeelsbeleid binnen een bedrijf doorslaggevend zijn.’ De hoogleraar doet dit jaar uitgebreid onderzoek naar deze hypothese.

Ook arbeidssocioloog Fabian Dekker denkt dat bedrijfscultuur een belangrijke rol speelt. Hij ontdekte dat bedrijven hun personeelsbeleid vaak bij elkaar afkijken. Dat geldt ook voor het aantal flexwerkers dat een bedrijf denkt nodig te hebben. ‘Als je ze vraagt naar hun beweegredenen, hoor je regelmatig het antwoord: ‘Omdat de concurrent het ook doet’.’ Dat bedrijven elkaar imiteren betekent dat een eenmaal ingezette trend, zoals de groeiende groep flexwerkers, almaar wordt versterkt.

Europese cijfers
22,7 procent van de Nederlandse werkenden is tegenwoordig flex, blijkt uit recente cijfers van het CBS. Het gaat om tijdelijke contracten, vaste contracten zonder vaste uren, oproepkrachten en uitzendkrachten. Zzp’ers zijn niet meegerekend. De Nederlandse flexibele schil groeide de afgelopen tien jaar met 6 procentpunt het hardst van Europa en is nu na Spanje, Polen, Portugal en Kroatië de grootste van het continent.

Gaat Koolmees het tij keren?

De drie arbeidsexperts zijn eigenlijk redelijk eensgezind: een wisselwerking tussen instituties en mensen verklaart Nederlands grote flexpoel. ‘Je stelt wetgeving in en daardoor gaan mensen anders denken’, vat Dekker het samen.

Al draaiend aan de knoppen van de WW-premies en ontslagvergoedingen probeert minister Koolmees (Sociale Zaken) de omvang van de flexibele schil terug te draaien. Lukt hem dat met zijn nieuwe Wet Arbeidsmarkt in Balans, die nu bij de Eerste Kamer ligt? Wilthagen denkt van niet. ‘Het is too little too late. Het flexwerken zit inmiddels in ons systeem gebakken en zal alleen nog maar groter worden door platformisering.’ Daarmee doelt de Tilburgse hoogleraar op de opkomst van platforms als Uber, Temper en Thuisbezorgd, die aanbod en vraag samenbrengen via algoritmen. Aanbieders zijn vaak als zzp’er in dienst, al is die constructie niet onomstreden. 

De huidige wet is te veel gefocust op het vaste contract, vinden Wilthagen en De Beer. Het kabinet wil dat werkgevers weer mensen in vaste dienst aannemen en versoepelt daarom de werkgeversverplichtingen rond dit contract. Dat heeft volgens de hoogleraren geen zin. Hun advies: accepteer flexwerken als onderdeel van de arbeidsmarkt en regel de voorwaarden zo goed mogelijk. Een grondige hervorming van de arbeidsmarkt is volgens beiden nodig. De Beer is dan ook enthousiast over de adviescommissie die het kabinet heeft ingesteld over de toekomst van het arbeidsrecht.

Arbeidssocioloog Fabian Dekker is iets positiever over de wet. ‘Koolmees zit op het goede spoor door het verschil tussen flex en vast te verkleinen.’ Een andere stap is nog effectiever, denkt Dekker: ‘Geef als werkgever het goede voorbeeld en bied flexwerkers een vast contract aan, zoals de gemeente Amsterdam recentelijk deed. Door het kopieergedrag van bedrijven zal dit zich als een olievlek verspreiden.’

Meer lezen over flexwerken?

Nieuwe arbeidswet bij de Eerste Kamer
De nieuwe arbeidswet van Koolmees ligt momenteel bij de Eerste Kamer. Het motto is net zoals in 2015 ‘vast minder vast, flex minder flex’, maar een deel van de Wet Werk en Zekerheid van Asscher wordt teruggedraaid. Wat houdt de nieuwe Wet Arbeidsmarkt in Balans in?

Deliveroo's schijnzelfstandigen
De zzp’ende fietskoeriers van Deliveroo zijn schijnzelfstandigen, oordeelde de rechtbank begin dit jaar. Vakbond FNV, die de zaak had aangespannen, claimt een principiële overwinning op de oprukkende platformeconomie. Maar hoe gelukkig zijn de bezorgers met deze uitspraak?

Het recht om je te laten uitknijpen
Iedereen heeft het recht zich te laten uitknijpen als schijnzelfstandige, schrijft Sheila Sitalsing als reactie op bovengenoemde reportage. Wat de bezorgers over het hoofd zien is dat het gaat om het welzijn van anderen: mensen die een gezin te onderhouden hebben en een hypotheek af te lossen, die nooit ziek mogen worden, die alleen onbetaald vrij kunnen nemen, die geen pensioen opbouwen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden