Het stille goeroetje achter Wijers en Zalm R O B E R T B A R R O

Gerrit Zalm leerde van hem hoe je begrotingsbeleid moet voeren. Vorige week legde hij Hans Wijers uit waarom sneller groeien moeilijk is....

VOOR een econoom die zich al tien jaar bezighoudt met groei is Robert Barro maar een klein mannetje. Vorige week ontmoette hij de Nederlandse minister van groei, Hans Wijers. Als hij bovenop het hoofd van zijn gastheer was geklommen - er gebeuren wel gekkere dingen als wetenschap en politiek elkaar tegenkomen - , dan zou het groeiduo alleen de 3,5 meter te boven zijn gekomen als Wijers op zijn tenen was gaan staan.

De twee schijnen zich echter aan de etiquette te hebben gehouden. 'We hebben een half uurtje zitten praten', zegt de Harvard-econoom.

Barro bracht slecht nieuws voor Wijers. De minister van Economische Zaken benadrukt steeds opnieuw dat de groei omhoog moet naar 3 procent per jaar. Lager in een neergang, maar dan ook hoger als de bedrijvigheid op haar hoogtepunt is. Het gemiddelde over de laatste twintig jaar, zo'n 2 procent, vindt Wijers onvoldoende.

Koud een uur vóór het onderonsje had Barro een gehoor van beleidsmakers en academische economen al uitgelegd dat de gedachte aan een structureel hogere groei een wens als vader heeft. In de VS en Europa zijn alle voorwaarden voor economische groei al vervuld, had hij gezegd. 'Welke veranderingen zijn dan nog mogelijk?', vroeg hij toen. Om met een jongensachtige grijns te antwoorden: 'Not much.' Een missie als die van Wijers is 'pretty tough'.

Het vervelende voor Wijers, en voor Nederland, is dat Barro verstand van zaken heeft. Hij geldt als een van 's werelds groeispecialisten. 'Zijn werk is over de hele wereld nagevolgd', zegt bijvoorbeeld Casper van Ewijk, macro-econoom bij de Universiteit van Amsterdam. 'Hij heeft de ontwikkelingseconomie opgeslokt en bovendien, met Sali-i-Martin, het enige goede leerboek over groei geschreven.' Vandaar dat het Onderzoekscentrum voor financieel-economisch beleid Barro uitnodigde voor een bezoek aan de bloeiende polder-economie.

Wat weet Barro dat Wijers niet weet? En hoe komt hij aan die wijsheid? 'Door economie serieus te nemen', zegt hij zelf. Maar dat is het korte antwoord.

De kans dat hij ooit met Wijers over groei zou praten, grensde aan nul toen Robert Barro, begin jaren zeventig, in Chicago een contemplatief gesprek voerde met Gary Becker, Nobelprijswinnaar in 1992. 'Ik moet misschien een ander specialisme kiezen. De macro-economie zit op een dood spoor', had Barro gezegd. En Becker, bekend met Barro's pogingen het Keynesianisme te doorgronden, had zijn jonge collega niet kunnen opbeuren.

In 1965 koos Barro, wiskundig geschoold op het California Institute of Technology, 22 jaar oud, het prestigieuze Harvard uit om er een proefschrift over economie te schrijven. Hij vond er in een intellectueel vacuum, en wist, na voltooiing van zijn doctoraat, niet hoe snel hij er weg moest komen. 'Ik kreeg er een inadequate opleiding.'

Bij Brown University stortte hij zich, met leeftijdgenoot Herschel Grossman, op het Keynesianisme. 'Ik betwijfel of ik ooit Keynesiaan geweest ben', zegt hij nu. 'Toen ik het eenmaal echt begreep, was ik er niet van onder de indruk.' Het sombere gesprek met Becker was ingegeven doordat er geen alternatief voorhanden was 'Milton Friedman vocht wel tegen de Keynesianen, maar had geen alternatieve theorie.'

Eind 1972 werd sombermans in één klap weer vrolijk. Robert Lucas (Nobelprijs 1995) publiceerde zijn artikel over 'rationele verwachtingen'. Het idee was kinderlijk eenvoudig. Individuen, zei Lucas, vormen zich bij het nemen van beslissingen verwachtingen over de toekomst. Huizenkopers kijken naar de rente-ontwikkeling, vakbonden naar de toekomstige inflatie, investeerders naar de toekomstige groei.

Gecombineerd met het geloof dat markten altijd ruimen - Lucas kwam tenslotte uit de Chicago-school van Milton Friedman - , leek dit simpele idee revolutionaire implicaties te hebben: de overheid werd impotent.

In het oude Keynesiaanse denken kon de overheid de werkgelegenheid stimuleren door, bijvoorbeeld, een expansief monetair beleid te voeren. Lucas denkt dat consumenten begrijpen dat dit monetaire beleid uiteindelijk alleen tot inflatie leidt, en dat hun koopkracht daarom, ondanks het extra geld dat zij in handen hebben, onveranderd blijft. Bij de Keynesianen laten consumenten zich beetnemen door de overheid en resulteert expansief monetair beleid in een hoger inkomen en meer werk, door Lucas' rationele verwachtingen is een hogere inflatie het enige resultaat.

Robert Barro kreeg van Lucas het alternatief waarnaar hij eerder tevergeefs had gezocht. Vanaf midden jaren zeventig stond hij in het centrum van de nieuwe school in het economisch denken. 'Een opwindende tijd', zegt hij.

Barro bedacht in die periode het trendmatig begrotingsbeleid waarmee de huidige minister van Financiën Gerrit Zalm zo'n goede sier maakt: leg de overheidsuitgaven vast, en laat het financieringstekort schommelen met de conjunctuur. Hans Wijers, zo bleek vorige week, was zich niet bewust van deze intellectuele band tussen zijn bezoeker en het succes van het kabinet-Kok.

De veelbelovende jongeman werd een wereldberoemd econoom door een modelletje dat hij in 1973 bouwde en dat laat zien dat begrotingsbeleid net zo impotent is als monetair beleid. De staatsschuld, beargumenteerde Barro, is goedbeschouwd niets anders dan uitgestelde belastingheffing. Belastingbetalers begrijpen dat als de staatsschuld stijgt, zij (of hun kinderen en kleinkinderen) in de toekomst meer belasting zullen moeten betalen om die schuld af te lossen. Expansief budgettair beleid heeft daarom geen effect op het bestedingsgedrag van burgers en bedrijven.

'Nooit schreef ik sneller een artikel', schrijft Baro hierover in zijn onlangs gepubliceerde herinneringen aan die tijd (NBER-working paper 5502). Barro herinnert zich een 'bloedige sessie' van een workshop op de University of Chicago, toen hij zijn gedachten voor het eerst uiteenzette. 'Het is voorzover ik weet de enige sessie waaraan het voltallige grootse trio Gary Becker, Milton Friedman en George Stigler deelnam. Het was de eerste keer dat Milton onder de indruk was van iets wat ik geschreven had. Het was ook de eerste keer dat ik een debat won van Gary Becker . . . Op enig moment liet Milton zijn hoofd hangen en bleef minutenlang in gedachten verzonken. Hij concludeerde uiteindelijk dat ik gelijk had. Het leek erop dat Milton tamelijk verrast was door de notie dat, logischerwijs, Gary het bij het verkeerde eind moest hebben gehad.'

Door een speling van de ideeëngeschiedenis bracht het idee Barro geen eeuwige roem. Het bleek al te zijn geformuleerd door de negentiende eeuwer David Ricardo, en zou daarom als 'Ricardiaanse equivalentie' en niet als 'Barro-iaanse equivalentie' de boeken ingaan.

De gedachte dat begrotingsbeleid impotent is, en de staatsschuld van weinig belang, staat natuurlijk haaks op de Nederlandse praktijk waarin decennialang geprobeerd is de openbare financiën op orde te krijgen. Het staat ook lijnrecht tegenover de toetredingscriteria voor de EMU. Maar het idee verklaart misschien wel waarom het terugdringen van financieringstekort en staatsschuld geen diepe recessies heeft veroorzaakt, zoals Keynesianen zouden hebben verwacht.

Hoe vruchtbaar deze periode ook was, en hoe verstrekkend de blijvende invloed op het academische onderzoek, toch kijkt Barro er met gemengde gevoelens op terug. 'Achteraf gezien is moeilijk uit te leggen waarom we alle energie richtten op de conjunctuur', zegt hij, turend naar de mistige Noordzee. 'Voor het welzijn van mensen is de conjunctuur van weinig belang.'

'Midden jaren tachtig raakte ik ervan overtuigd dat economische groei het belangrijkste was. Als je het groeitempo met een tiende procentpunt kunt verhogen, heb je meer bereikt voor de welvaart dan wanneer je er in slaagt een conjunctuurgolf te dempen.' De kans dat Barro ooit met Wijers zou praten werd door dit besef snel groter.

Op de economische theorie over groei - ontwikkeld door Bob Solow (Nobelprijs 1987) - had zich een dikke laag stof verzameld. In de jaren vijftig had Solow de economische groei verklaard uit bevolkingsgroei en spaargedrag. Bevolkingsgroei leidt tot meer werknemers; sparen leidt tot investeren en daarmee tot uitbreiding van de productiecapaciteit. Gegeven de stand van de techniek, de manier waarop die mensen en machines samenwerken bij de productie van goederen en diensten, zou de groei uiteindelijk vertragen. De mogelijkheden voor rendabele investeringen worden geringer. Technologische vooruitgang, nieuwe, slimmere combinaties dus van mensen en machines, scheppen nieuwe groeimogelijkheden, dacht Solow.

Een van de gevolgtrekkingen uit deze theorie is dat arme landen sneller zullen groeien dan rijke, waardoor welvaartsverschillen verdwijnen. In arme landen zijn de investeringskansen groot, zeker als de technologie uit de rijke landen geïmporteerd wordt.

Midden jaren zestig leek Solows theorie uitontwikkeld. 'Theoretici verloren hun belangstelling. De relatie met de feitelijke ontwikkelingen was zwak', zegt Barro.

Met één ferme haal veegde de jonge Amerikaan Paul Romer in 1986 het stof van de groeitheorie. Het markeert het startpunt van een stormachtige ontwikkeling die leek te culmineren in een Nieuwe Groeitheorie - met hoofdletters - maar die, wat Barro betreft, vooral Bob Solow rehabiliteerde.

Romer richtte zich op Solows achilleshiel: technologie. Want de cruciale rol van technologie bij het verklaren van groeiversnellingen stond in schril contrast met de aandacht hiervoor in de theorie. Technologische ontwikkeling bleef onverklaard.

'Romer trok de technologie binnen de groeitheorie', zegt Barro. Hij onderzocht de herkomst van technologische ontwikkeling en stuitte op de rol die ideeën hierin spelen, het ontdekken van nieuwe technieken en nieuwe producten, en de prikkels die bedrijven hebben om die ontdekkingen te doen. Het bleek van doorslaggevende belang te zijn dat bedrijven zich de vruchten van hun speurwerk kunnen toe-eigenen. Speurwerk moet bedrijven een monopoliepositie geven, al dan niet door het toekennen van patenten. 'Je belandt in een Schumpeteriaanse wereld vol creatieve destructie', zegt Barro. Het is een economie waarin technologisch superieure bedrijven een monopoliepositie veroveren en na een paar jaar weggevaagd worden door een nog slimmere concurrent.

Romers innovaties zetten de groeitheorie bovenaan de onderzoeksagenda. Maar zijn vernieuwingen, zegt Barro terugkijkend, is toch vooral van belang voor volwassen economieën, landen waarin investeringsmogelijkheden afnemen. Daar is innovatie cruciaal. 'Maar als je de spectaculaire groei van de Aziatische tijgers wilt verklaren, of het groeigebrek in Afrika, dan leert Romer je weinig.'

En zo ontstond de paradoxale situatie dat de Nieuwe Groeitheorie ook, misschien zelfs vooral, een inspiratie werd voor empirisch onderzoek op basis van de Oude Groeitheorie. Solow kreeg wel een nieuw pak aangemeten. De rol van menselijk kapitaal, de diffusie van technologie, bevolkingsgroei, overheidsbeleid, de rol van instituties - 'die inzichten bleken makkelijk inpasbaar te zijn', zegt Barro.

De hamvraag werd natuurlijk welke ideeën in de praktijk overeind zouden blijven en Barro ontwikkelde zich tot de onbetwiste koning van het empirische onderzoek. Cijfers, zo lijkt tijdens zijn lezing, zijn zijn beste vrienden geworden. 'The data tell me', zegt hij steeds, de suggestie wekkend dat de enen, de tweeën en de drieën gewoon zijn na hun wekelijkse beraadslaging de onderzoeker exclusief een boodschap in het oor te fluisteren.

Het wordt een middag vol puntenwolkjes, steeds driehonderd puntjes dicht. Drie ervan zijn Nederlands, de rest is van 99 andere landen, van Algerije tot Mexico. Steeds kijkt Barro of de gemiddelde groei in die landen in de drie voorbije decennia - drie decennia maal honderd landen levert driehonderd puntjes op - samenhangt met de een of andere grootheid. Dit zijn de beroemde 'Barro-regressies'.

Wat blijkt? Hoge overheidsconsumptie - staatsuitgaven exclusief onderwijs en defensie - zijn slecht voor groei. Het bestaan en handhaven van een juridisch systeem waarin eigendomsrechten gerespecteerd worden, bevordert groei. Democratisering bevordert groei tot op het niveau van landen als Maleisië en Mexico, maar remt de groei bij verdere democratisering richting, zeg, Nederland. 'Burgers verplaatsen hun energie dan van produceren naar herverdelen', zegt Barro. Macro-economische stabiliteit is goed. Hoge inflatie: slecht, al maakt het voor de groei weinig uit of de inflatie 2, 5 of 10 procent beloopt. Scholing, vooral die van mannen, is goed; veel geboortes weer niet. Het investeringsaandeel in het nationaal inkomen heeft een kleiner effect dan je zou verwachten.

Bob Solow stapt als winnaar uit de puntenwolken. Want als al deze variabelen constant gehouden worden, zeggen de data, dan blijkt de wereldeconomie te convergeren. Rijke landen groeien langzaam; arme landen groeien snel.

Politieker gezegd: slecht overheidsbeleid verhindert convergentie. De straatarme landen rond de Sahara bijvoorbeeld gaan pas groeien als zij hun hopeloze beleid omgooien. En als hun internationale hulp ontzegd wordt. 'Geld geven is het laatste dat je moet doen als je wilt dat een arm land snel groeit.'

Barro's intieme relatie met de data blijkt inmiddels in het economenwereldje al weer scepsis op te roepen. 'Ik dacht: is dit nou alles', zegt een Leidse econoom daags na de lezing. Casper van Ewijk heeft het, met alle respect, over 'eindeloze Barro-regressies' waarvan de resultaten 'niet zo vreselijk schokkend' zijn. Bovendien 'lijkt Barro's politieke overtuiging hem ervan te weerhouden aardige dingen over overheidsbeleid te zeggen'.

Barro dook in de slipstream van Lucas' rationele verwachtingen en leverde een intellectuele topprestatie. Hij liftte hij mee met Romers groeitheorie en werd gerespecteerd data-fetisjist. Midden jaren negentig rijst de vraag: wat nu?

Barro, rechtsbuiten van het liberale Harvard, lijkt schik te krijgen in het publieke debat. Hij fungeert sinds een paar jaar als anti-Krugman, als rechtse tegenhanger van de linksige econoom die, werkzaam op het Massachussets Institute of Technology in Boston, Barro's overbuurman is. Tegenover Krugmans veelschrijverij plaatst Barro sinds enkele jaren een column in The Wall Street Journal (onlangs gebundeld in Getting it right). En tegenover Krugmans korte optreden als adviseur van de Democraat Bill Clinton, plaatste Barro zich, al even kortstondig, als adviseur van de, verliezende, Republikeinse presidentskandidaat Bob Dole.

Tegen Wijers zei Barro wat hij ook tegen Dole heeft gezegd: een procent extra groei kun je vergeten, een halfje lukt misschien. Het opmerkelijkste is misschien nog wel dat zijn recept - hervorming van het belastingsysteem tot een flat tax, scholingsvouchers, deregulering - , op scholing na, niets van doen heeft met zijn wetenschappelijke onderzoek. Politiek eist nu eenmaal altijd meer dan de wetenschap kan geven.

'Kent u de stem?' Barro luistert ingespannen naar het bandrecordertje en zegt: 'It's Paul. Paul Krugman' Ja, zeg ik. 'Hij was vorig jaar in Nederland. Het leek me aardig ons gesprek over dat met hem heen op te nemen.' Daar moet het kleine mannetje onbedaarlijk hard om lachen. 'Dat ga ik Paul vertellen'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden