Het is nooit klaar (Gerectificeerd)

Honderd jaar geleden werd het NVV opgericht. Door een fusie met het NKV ontstond in 1975 de FNV. Een terugblik met twee kopstukken van weleer, Herman Bode en Arie Groenevelt....

Een sonore basstem, doordrenkt van emotie. 'Willen we naar de Dam, dan gaan we naar de Dam.'

Wie het ooit gehoord heeft, staat het in het geheugen gegrift. Wie de beelden heeft teruggezien, staat het voor de geest. Door de talloze herhalingen in 2004, tijdens het conflict van de FNV met het kabinet over het vroegpensioen, hoort de uitspraak, liefst met intonatie en beeld, tot het nationaal erfgoed.

Het is begin jaren tachtig. De vice-voorzitter van de FNV, Herman Bode, een beer van een vent, spreekt demonstranten toe. Het klinkt als een oproep tot revolutie, burgerlijke ongehoorzaamheid.

'Dat was het niet', zegt Bode (79) nu. 'Het was dinsdag 4 maart 1980. Dat weekeinde was er een krakersoproer geweest. De Vondelstraat was met tanks ontruimd. We dachten dat een demonstratie op de Dam daardoor kon ontaarden en hadden die naar de RAI verplaatst. Maar de vijftienduizend mensen in de Amstelhal riepen om de Dam. Toen nam ik de beslissing toch naar de Dam te gaan. Als het mis was gegaan, was ik het haasje geweest. Begeleid door twee agenten ging de stoet de stad door. Geen wanklank, meneer. Indrukwekkend.'

Waarmee maar gezegd is dat de FNV ook toen al een uiterst verantwoordelijke club was, met nu en dan een stoute streek. Maar opstandigheid of revolutie is nooit het handelsmerk geweest.

Nog zo'n markante FNV-stem. 'Geen kilo verantwoordelijkheid voor een ons zeggenschap.' Het was een leus van Arie Groenevelt, voorzitter van de Industriebond NVV (later: Industriebond FNV). Arie had meer slagzinnen. Hier geldt hetzelfde als bij Bode: ze staan ze in het geheugen gegrift. Die nasale, scherpe stem. De nu gedateerde bril - een enorm zwart montuur.

Onder Arie Groenevelt radicaliseerde de Industriebond in de jaren zeventig tot een brede, maatschappijkritische bond. Dat radicale had en heeft hij met Bode gemeen. 'Het kwam voort uit teleurstelling', zegt Groenevelt (78) nu. Teleurstelling over de verdeling van de exploderende welvaart in de jaren zestig en zeventig, de fabriekssluitingen en de massa-ontslagen, toen een nieuw fenomeen. Vandaar de leus 'geen man gedwongen de poort uit'.

Herman Bode was tot de fusie, in 1974, tussen het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) met het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) voorzitter van het NKV en werd daarna onder Wim Kok de eerste vice-voorzitter van de FNV.

Bode en Groenevelt zijn vakbondsbestuurders van het oude stempel. Beiden gingen op hun veertiende, direct na de lagere school, de fabriek in: Bode in 1939 de textielfabriek in Oldenzaal, Groenevelt in 1941 een elektrotechnische fabriek in Utrecht.

Beiden vochten na de Tweede Wereldoorlog voor het vaderland in Indië. En beiden werden begin jaren vijftig 'bezoldigd' bestuurder bij een bond, als begin van hun vakbondsloopbaan.

'Aan de echte top van de vakbeweging zaten altijd wel doorgeleerde types', zegt Groenevelt. 'Dat begon bij Polak, als oprichter van het NVV, en ging door tot Wim Kok. Bij de Industriebond was het altijd traditie om afgestudeerden in dienst te hebben. Als over een reorganisatie gepraat werd, konden we bijvoorbeeld een arbeidsjurist meenemen. Maar bestuurders die het contact met de leden hadden, kwamen zelf van de werkvloer. Dat schept een band voor het leven.'

Door hun vroege start in de fabriek hebben Groenevelt en Bode de arbeidsverhoudingen van de eerste helft van de 20ste eeuw en het grootste deel van honderd jaar vakbondsgeschiedenis meegemaakt.

Bode: 'Ik begon als poetser en moest, liggend op mijn rug, de touwen stofvrij houden waarop geweven werd. Daarna werd ik knecht en moest ik met mijn vader achttien weeftoestellen bedienen. Toen mijn vader in de oorlog op zijn 50-ste overleed, na 38 jaar in de textiel, kreeg mijn moeder zes gulden per week pensioen. Daar moest het gezin mee rondkomen. Zodra ik de kans kreeg, ging ik uit de textiel. Toen Oldenzaal bevrijd was, ben ik in dienst gegaan.'

De arbeidsverhoudingen en de positie van de arbeider waren nog slecht geregeld. Maar toch had de vakbeweging al een glorieuze tijd achter de rug. Dat zien Bode en Groenevelt allebei breed: ze roemen het conglomeraat van organisaties dat een eeuw geleden ontstond. Woningbouwcorporaties voor betere huisvesting van arbeiders; ziekenfondsen voor betere verzekeringen; verzekeringsmaatschappijen als Concordia en eigen banken als de Algemene Spaarbank Nederland, ASN; de Volkskrant als NKV-dagblad voor de katholieke arbeider; de Wereldbibliotheek voor het betere, betaalbare boek; Troelstrahuizen voor scholing van de arbeider. De AJC als jeugdbeweging om de jeugd uit de sloppen, de arbeiderswijken, kennis te laten maken met cultuur en natuur.

'Een eigen plek om samen te komen was daarbij essentieel. Een plek waar arbeiders geen toestemming hoefden te vragen om hun eigen zaken te regelen', zegt Bode. Die les had de vakbeweging snel geleerd. De Diamantbewerkersbond in Amsterdam liet een monumentaal pand neerzetten dat jaren dienst deed als districtskantoor van de industriebonden, en dat nu het Vakbondsmuseum is.

'Het gaat om de emancipatie', zegt Bode. 'De verheffing van de arbeider', zegt Groenevelt. In beider visie heeft de vakbeweging daarbij een cruciale rol gespeeld. Of het nu het katholieke NKV was of het sociaal-democratische NVV.

Volgens Bode was het NKV juist door zijn kerkelijke binding meer op maatschappelijke harmonie gericht. Groenevelt ziet dat anders. 'Het NKV had te maken met de knoet van de bazen en de knoet van de kerk.'

Formeel waren de banden beperkt tussen vakbeweging en de andere organisaties die werkten aan de emancipatie van de arbeider. Zo had het NVV in den beginne een zetel in het bestuur van de SDAP - de voorloper van de PvdA - en omgekeerd. Veel belangrijker nog waren de persoonlijke banden, mensen die actief waren in tal van organisaties.

Een oppermachtige positie heeft de vakbeweging in Nederland nooit gehad. 'Door de verzuiling', zegt Paul de Beer, die de Henri Polak-leerstoel van de vakbeweging aan de Universiteit van Amsterdam bezet. 'In Engeland had de vakbeweging tot in de jaren tachtig een oppermachtige positie in de Labour-partij. In Nederland was de invloed van de bonden veel beperkter.'

Een waarlijk revolutionaire factor zijn NVV en en NVV ook nooit geweest. Het besluit tot oprichting van het NVV in 1905 was vooral bedoeld om langs geleidelijk weg, en in samenspraak met de politiek, verbetering van de positie van de arbeider te bewerkstelligen.

'Om een eind te maken aan de reeks zinloze stakingen', zegt Groenevelt nu. Dergelijke 'zinloze' stakingen werden vooral georganiseerd door het revolutionair ingestelde Nationaal Arbeids-Syndicaat, NAS. Dat werd de wind uit de zeilen genomen door de 'modernen' van het NVV.

Natuurlijk werd er nog wel gestaakt. Ook door NVV en in mindere mate NKV. 'Een maandenlange staking van loodgieters ging in de jaren dertig om drie vakantiedagen. Het NVV regelde toen kampeerterreinen, zodat arbeiders in hun paar dagen vrij toch erop uit konden', zegt Arie Groenevelt.

Iets vergelijkbaars herhaalde zich na de Tweede Wereldoorlog. Toen was de communistische Eenheidsvakcentrale, EVC, een opkomende, revolutionaire machtsfactor. Die werd de wind uit de zeilen genomen door de gezamenlijjke opstelling van werkgevers en de vakbeweging, NVV, NKV en CNV.

Met de oprichting van de Sociaal-Economische Raad werd de vakbeweging ook door de politiek als gesprekspartner erkend. In de fabrieken mochten arbeiders een beetje meepraten op basis van de eerste Wet op de Ondernemingsraden. In gezamenlijkheid werd gewerkt aan de wederopbouw, en de opbouw van sociale zekerheid. 'In die jaren ging 5 procent loonruimte een keer op aan de AOW. Dat was een gezamenlijk belang', zegt Bode.

Teleurstelling over de afbrokkelende gezamenlijkheid veroorzaakte de polarisatie in de jaren zeventig. 'Werkgevers kwamen plotseling met massa-ontslagen. In de textiel, de sigarenindustrie, de schoen- en lederwaren. Later kwam daar de scheepsbouw bij.

Arbeiders kwamen na jaren trouwe dienst plots op straat te staan met weinig of niets', zegt Groenevelt. De bezetting van een Enka-fabriek die gesloten zou worden, was een ijkpunt in de veranderde verhoudingen. 'De fabriek ging uiteindelijk toch dicht maar de bezetting had een brede uitstraling. We lieten niet over ons lopen', zegt Groenevelt.

Ook het NKV radicaliseerde. Voorzitter Jan Mertens stelde in 1968 dat 'in Nederland, de hele economie in handen is van tweehonderd personen. Van een groep mensen die elkaar frequent ontmoeten in verschillende colleges. Het is een even deskundige, financieel sterke als beangstigende groep.' Het begrip de Tweehonderd van Mertens was geboren.

Eind jaren zestig begon de doorbraak, de samenwerking tussen NKV, NVV en in den beginne ook nog het CNV. Het CNV haakte uiteindelijk af, maar NKV en NVV besloten in 1976 tot fusie in de FNV. Het waren de hoogtij-jaren van Groenevelt en Bode.

In beiden brandt nog steeds het heilig vuur, ook al zijn ze al decennia gepensioneerd. Nog steeds volgen zij hun club kritisch. Beiden zijn hevig verontwaardigd bij de stelling dat de emancipatie van de arbeider nu is voltooid.

'Het is nooit klaar. Verworvenheden zijn niet vanzelfsprekend. Die zijn bevochten en kunnen verloren gaan', zegt Bode. Groenevelt lacht zuur op het bericht dat iedereen tegenwoordig in loondienst is, tot de topman aan toe. 'Maar die heeft wel de macht over werk en inkomen van allen. Het gaat om tegenmacht. Nog afgezien van de buitenproportionele inkomensverschillen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden