Herfkens begint jaar met forse blunder

De beslissing van minister Herfkens om Foster Parents Plan toe te laten tot het zogenoemde medefinancieringsprogramma is haar eerste grote blunder, betoogt Paul Hoebink....

NEDERLAND heeft een bijzonder medefinancieringsprogramma. Een viertal particuliere organisaties krijgt subsidie uit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking om daaruit organisaties in ontwikkelingslanden bij projecten en programma's te ondersteunen. Dit als medefinanciering, dat wil zeggen bovenop de middelen die zij zelf inzamelen.

Vanaf halverwege de jaren zestig zijn dat organisaties geweest die konden bogen op een grote activiteit en achterban in ontwikkelingslanden; allereerst vanuit de missie (het katholieke Cordaid) en zending (de protestants-christelijke ICCO) en vanuit algemene hoek (Novib). Later is daar een humanistische organisatie (Hivos) aan toegevoegd.

Het voordeel van het Nederlandse model is dat er geen grote versnippering plaats vindt, zoals in andere Europese landen als België en Zweden. Dat leidt tot een grotere mate van flexibiliteit en professionaliteit in vergelijking tot het amateurisme dat men in de Europese buurlanden nogal eens aantreft. Daarenboven wordt een breed scala aan maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden bereikt. Het is onjuist om hier te spreken van een kartel, want er zijn geen markt- of prijsafspraken tussen de organisaties onderling, maar er is een programma-overeenkomst met de overheid. Deze laatste heeft tot taak een goede uitvoering van de overeenkomst (o.a. door evaluaties) na te gaan.

In haar ijverige pogingen om de ontwikkelingswereld 'op te schudden' heeft minister Herfkens begin deze week besloten om Foster Parents toe te laten tot dit programma. In haar ogen zal dat leiden tot meer concurrentie en daarmee tot een hogere kwaliteit. De wijze waarop zij dit besluit heeft genomen, doet echter vrezen dat juist een daling van de kwaliteit het gevolg zal zijn. Daar zijn drie redenen voor.

Allereerst is daar het probleem dat Foster Parents geen Nederlandse, maar een internationale organisatie (Plan International) is. Dat maakt de controle vanuit het Nederlandse ministerie uitermate moeilijk. Weliswaar leveren Nederlandse Foster-ouders verreweg de grootste bijdrage aan de begroting van Plan International, maar dat betekent nog niet dat Nederlandse bestuurders het voor het zeggen hebben. Integendeel, de organisatie geldt in vele delen van de wereld als sterk anglo-amerikaans.

Daar is bovendien het punt dat volgens de medefinancieringsregeling de vier organisaties maar 7,5 procent van de door het ministerie beschikbaar gestelde middelen aan hun eigen apparaat mogen uitgeven. Foster Parents zegt dat het het voor nog minder kan. In de recente kritiek op de organisatie is naar voren gekomen dat van ieder gulden die wordt opgehaald, er maar 55 tot 60 cent naar de kinderen en hun gemeenschappen zou gaan en er 40 tot 45 cent in een vrij logge organisatie zou blijven hangen. Juist binnen zo'n organisatie is hulp in hoge mate 'fungibel': Nederlandse overheidshulp maakt verschuivingen op de begroting richting apparaatskosten elders mogelijk.

Het tweede probleem betreft de 'additionaliteit'. De minister betoogt dat Foster Parents wat toevoegt aan de andere vier organisaties, omdat ze 'kindgericht' zou zijn. Kinderen worden zelfs tot 'change agents' gepromoveerd. In de kritiek, al of niet juist, van de afgelopen jaren komt naar voren dat Foster Parents de geadopteerde kinderen veelal niet direct steunt. Foster Parents laat de afgelopen jaren niet na om te benadrukken dat het juist de omslag heeft gemaakt naar een organisatie die zich op gemeenschapsontwikkeling richt.

Dat zou niet alleen het criterium van additionaliteit ondergraven, maar bovendien zou Foster Parents dan gelden als nogal 'ouderwetse', een organisatie die niet lokale organisaties de uitvoering laat doen, maar zelf, vrij centralistisch, programma's uitvoert. Zo zijn er, in tegenstelling tot wat de minister beweert, grote vraagtekens geplaatst bij de participatie van de lokale bevolking en lokale organisaties in Plan International projecten. Uit nogal wat verhalen komt de organisatie naar voren als autoritair en solistisch.

Het derde en grootste probleem betreft echter de kwaliteitstoets. Voordat minister Herfkens Foster Parents toeliet tot het medefinancieringsprogramma, had zij een kwaliteitstoets moeten laten uitvoeren. De minister heeft slechts links en rechts wat meningen (van ambassadeurs) verzameld over het werk van Plan International. Die waren deels positief, deels negatief en hebben natuurlijk een hoog 'bla-bla-gehalte'; dat wil zeggen dat ze niet steunen op serieus onderzoek.

De kritiek van de Vereniging van Verontruste Foster Parents Ouders en de Werkgroep Foster Parents is de laatste tijd weer fors aangezweld en dient in ieder geval serieus genomen te worden. Terecht stelt de vereniging dat de beslissing van de minister te vroeg komt. Een studie naar de ontwikkelingsrelevantie van het werk van Plan International ontbreekt.

Het grote gevaar is nu dat vele andere ontwikkelingsorganisaties in Nederland (en daarbuiten) eveneens een beroep zullen gaan doen op de medefinancieringsregeling. De minister heeft iedere kritische beoordelingstoets feitelijk uit handen gegeven door geen kwaliteitstoets in te gelasten.

Iedere organisatie heeft bovendien wel iets additioneels: religieus (Tear Fund, World Vision, ZOA), maatschappelijk (X-Y), qua regionale (NIZA) of sectorale invalshoek (Mama Cash, Both Ends). De minister kan de komende maanden vele aanvragen tot toelating verwachten en heeft nagenoeg alle instrumenten om 'neen' te zeggen uit handen gegeven. Daarmee ook de controle op wat er met het geld gebeurt, omdat het geheel onoverzienbaar zal worden.

Dat men de subsidie na een jaartje ook weer stop kan zetten, wat wel gehoord wordt uit ambtelijke kring, is bovendien onjuist, omdat een eenmaal verworven recht moeilijk kan worden aangetast, zeker nu een kwaliteitstoets ontbreekt.

Dit alles betekent dat de kwaliteit van het Nederlandse ontwikkelingsprogramma wordt ondergraven. Dat maakt dit besluit tot de eerste grote blunder van minister Herfkens. Het toont bovendien nog eens aan, dat de discussie in hoge ambtelijke kringen in dit land over privatisering en concurrentie in de gesubsidieerde wereld (of het nu over de gezondheidszorg of over notaristarieven gaat) zich nog steeds op een 'primitief' niveau beweegt: ook hier geldt dat niet (semi)concurrentie de kwaliteit verhoogt, maar visie en goede controle-instrumenten bij de overheid.

Die lijken wat betreft het medefinancieringsprogramma de afgelopen dertig jaar ontbroken te hebben en ook dat geeft weinig hoop voor de toekomst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden