Help, mijn pensioen verhuist!

Hier moet de pensioenmigrant op letten

Honderdduizenden Nederlanders zijn de afgelopen jaren noodgedwongen van pensioenuitvoerder gewisseld en het aantal fondsen blijft slinken. Waar moet de pensioenmigrant op letten?

Dames van pensioengerechtigde leeftijd in het reuzenrad op Forever Young, een festival speciaal voor ouderen in Almere. Foto raymond rutting / de Volkskrant

Wordt het het PGB, een APF of toch een verzekering bij ASR? Alleen al de afkortingen waar de pensioensector bol van staat, zullen menigeen nachtmerries bezorgen. Toch dringt de vraag zich ook dit jaar weer aan tienduizenden Nederlanders op. Hun kleine pensioenfonds zet er een punt achter - van de 1.060 instellingen die er in 1997 waren, zijn er slechts 268 over. De deelnemers stappen vaak over naar een groter bedrijfstakpensioenfonds, een commerciële verzekeraar of, sinds kort: een algemeen pensioenfonds (APF).

Wat is een APF, en waarom zouden werkgevers en werknemers daarvoor kiezen?

De zeventig gepensioneerden van chemiebedrijf Eastman Chemical hadden vorig jaar oktober de primeur. Zij kregen als eersten hun pensioen uitgekeerd door een APF, een algemeen pensioenfonds. In totaal gingen zo'n negenhonderd (oud-)werknemers over van het opgeheven pensioenfondsje E-Way naar Stap APF. Dat is opgericht door verzekeraar Aegon. Een blik op de kosten maakt meteen de ratio achter die overstap duidelijk. Volgens berekeningen van Michaël Deinema van pensioenvergelijker The Pension Rating Agency bedroegen die in de oude situatie jaarlijks 1.344 euro per deelnemer. Dat is erg veel. Stap APF kan volgens Deinema gemiddeld een kleine 300 euro rekenen.

De APF's hebben veel weg van de traditionele (grote) bedrijfstakpensioenfondsen, zoals ambtenarenpensioenfonds ABP en het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Allemaal stellen ze een vast pensioen in het vooruitzicht op basis van het gemiddelde tijdens de carrière verdiende loon. Het verschil is dat het geld bij de APF's niet op één grote hoop belandt. 'Daardoor kunnen zij voor diverse werkgevers verschillende pensioenregelingen naast elkaar uitvoeren', legt Hans Kennis van pensioenadviseur Montae uit. 'De dekkingsgraad of het beleggingsrisico dat wordt genomen, verschilt dan gewoon per regeling.'

1.344 euro per deelnemer bedroegen de jaarlijke pensioenkosten bij chemiebedrijf Eastman Chemical volgens pensioenvergelijker The Pension Rating Agency. Stap APF zou gemiddeld een kleine 300 euro kunnen rekenen.

Achter deze nieuwkomers schuilen commerciële verzekeraars die winst willen maken. Betekent dat niet dat de uitvoeringskosten extreem hoog worden?

De initiatiefnemers zijn inderdaad machtige partijen. Vrijwel alle grote verzekeraars hebben een APF opgezet, van Aegon tot Centraal Beheer, maar ook een pensioenuitvoerder als PGGM. Toch verwachten de kenners dat het met die hoge kosten mee kan vallen. De APF is namelijk een onafhankelijke stichting, dus zonder winstoogmerk. Natuurlijk valt er wel wat mee te verdienen, anders zouden de verzekeraars geen interesse hebben. De APF's besteden het beheer van het pensioenvermogen uit aan 'hun' verzekeraar. Maar als de rekeningen te gortig worden, hoeft niets het APF-bestuur ervan te weerhouden na een aantal jaar een concurrent in de hand te nemen, stelt Hans Kennis. 'DNB, de toezichthouder, houdt bovendien echt wel in de gaten dat er geen sprake is van wurgcontracten tussen een APF en een specifieke verzekeraar.'

Ook Deinema voorziet geen woekerpraktijken. 'Ik ben er vrij zeker van dat iemand die voorheen bij een echt klein pensioenfonds zat, niet slechter kan worden van een APF. De jaarlijkse kosten bij zo'n klein fonds lopen vaak op tot boven de 500 euro per jaar per deelnemer. Dat zal je bij een APF echt niet tegenkomen. De eerlijkheid gebiedt bovendien te zeggen dat ook die kleine, non-profit pensioenfondsen hun beleggingen al uitbesteedden aan deze commerciële partijen. Dat werk deden ze echt niet zelf.'

Belangrijk is wel het cultuurverschil, denkt Deinema. 'Bij een APF ben je meer een klant van een professioneel concern. Dat zie je ook terug in de bestuurders. Die zijn onafhankelijk, maar worden wel benoemd door de verzekeraar. Met als gevolg dat zij minder voeling hebben met de zorgen van de achterban. Maar misschien hebben zij wel weer meer technische competentie. Het heeft dus voor- en nadelen.'

Wat zijn de alternatieven voor een APF?

Organisaties die wisselen van pensioenpartij hebben, ook naast een APF, genoeg mogelijkheden. Hans Kennis van Montae, die geregeld ondernemingsraden hierover adviseert, ziet dat vaak gekozen wordt voor een zogenoemde 'beschikbare premieregeling'. Prettig voor de baas, want die is stukken goedkoper uit. Maar voor de werknemers biedt het geen enkele garantie.

Wie meer zekerheid wilt behouden, heeft grofweg twee keuzes: een verzekeraar of een collectief pensioenfonds. Vroeger namen de verzekeringsconcerns vaak de pensioenverplichtingen over. Hun regelingen bieden op het eerste gezicht nog altijd een hoge mate van zekerheid. Een werknemer die vanaf zijn 35ste jaar voor één en hetzelfde bedrijf blijft werken, weet precies hoeveel pensioen hij later zal ontvangen. Het probleem is dat die zekerheid deels schijn is. Inflatie kan de koopkracht van een aanvullend pensioen van, bijvoorbeeld, 8.000 euro per jaar genadeloos uithollen.

Pensioenfondsen bieden minder harde garanties. Er kan immers gekort worden op de pensioenuitkering. Maar anders dan de commerciële verzekeraars is er wel een kans op indexatie: de pensioenuitkering stijgt dan mee met de inflatie. Bovendien hoeven de pensioenfondsen aan iets minder strenge financiële eisen te voldoen. Dat maakt hun regelingen goedkoper. Sommige fondsen staan ook uitdrukkelijk open voor nieuwkomers. Zo was het pensioenfonds PGB er ooit enkel en alleen voor de medewerkers van kranten en drukkerijen. Tegenwoordig zijn ook bloemenhandelaren, zeevissers en tal van andere groepen hierbij aangesloten.

De aantrekkingskracht van de pensioenfondsen verklaart ook meteen de stevige lobby die de verzekeraars hebben gevoerd voor de introductie van de APF. Daarmee kunnen zij eindelijk weer de concurrentie aangaan op dit lucratieve terrein.

Wat kan ik zelf doen als mijn pensioen verhuist?

Individuele pensioendeelnemers kunnen geen bezwaar maken tegen het opdoeken van hun kleine pensioenfonds. Maar over wat er vervolgens gebeurt, kunnen zij zich wel degelijk laten horen. Via de vakbond, bijvoorbeeld. Sinds vorig jaar heeft ook de ondernemingsraad meer in de melk te brokkelen als het pensioen verhuist. Er is instemmingsrecht. Een van de gedachten hierachter is dat voorkomen moet worden dat werkgevers de noodgedwongen pensioenverhuizing massaal gebruiken om over te stappen op een goedkopere, uitgeklede regeling.

Hans Kennis van Montae ziet daar gelukkig nog weinig aanwijzingen voor. 'Verreweg de meeste organisaties handhaven het oude budget voor de pensioenregeling. Ik zie in mijn praktijk niet veel werkgevers die zeggen: laten we deze overstap nu eens lekker aangrijpen om fors te bezuinigen.'

Meer over