Heeft de fiscalist een geweten?

Wat bezielt de adviseurs die belastingontwijking mogelijk maken? Christiaan Vos vindt dat je van zijn beroepsgroep best morele keuzes mag verwachten.

Christiaan Vos: 'De fiscalist kan het niet alleen. Maar hij kan en moet zelf ook iets doen: blijven denken.' Beeld Bier en Brood

Komt een man bij de fiscalist. 'Dat wil ik ook!', zegt-ie. Een vriend was twee jaar daarvoor om fiscale redenen naar België geëmigreerd. Nu wilde hij hetzelfde. 'O', zei ik, de fiscalist. 'Wanneer heb je je vriend voor het laatst gezien? Twee jaar geleden? Ga hem eerst maar eens opzoeken'. Bij terugkomst zei mijn klant: 'Chris, verzin iets anders, ik vond het zo treurig! Dat wil ik niet.'

Dus verzon ik wat anders, maar eerst spraken we over de zin en onzin van belasting betalen. Dat doe ik wel vaker. Hoeveel heb je voor dit land over? Kijk eens om je heen, naar de wegen, de scholen, naar het verzorgingstehuis van je moeder. Wat is het je waard? 10 procent, 50 procent - zeg het maar. Niet iedereen wil via een fiscaal paradijsje het onderste uit de kan halen.

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk denkt zelfs dat belasting een statussymbool kan zijn. Voer een vrijwillige belasting in en maak een hitlijst van belasting betalende superrijken. Zijn verwachting is dat de een niet voor de ander zal willen onderdoen en zijn maatschappelijke bijdrage graag etaleert. Het resultaat: een frisse belastingmoraal.

De Panama Papers laten iets anders zien. Stiekem verstopte vermogens, mogelijk vanwege privacy, maar waarschijnlijk ook om geen belasting te betalen. En wie wijst daarin vaak de weg? De fiscalist. Wel alleen binnen de wet. Maar is het dan verder: u vraagt, wij draaien? Of hebben fiscalisten ook een moreel kompas? Zouden ze er een moeten hebben?

'Betalen is voor de dommen', schreef econoom Flip de Kam bijna veertig jaar geleden. In die tijd was het toptarief van de inkomstenbelasting nog 72 procent, dus je ging pas op donderdagmiddag geld voor jezelf verdienen. Toen ik begin jaren negentig als fiscalist begon, waren er nog steeds hoge tarieven én makkelijk te omzeilen belastingwetten. De destijds heersende belastingmoraal was gericht op het behalen van zoveel mogelijk fiscaal voordeel. Morele vragen? Die werden niet gesteld.

Er waren gezagvoerders van de KLM die flatjes in Ierland aanhielden om minder belasting in Nederland te betalen, huisartsen en apothekers richtten massaal een man-vrouwfirma op en kregen zo twee keer de zelfstandigenaftrek, ziekenhuizen bedachten leaseconstructies om btw te kunnen aftrekken en gemeenten probeerden verwoed onder de heffing van overdrachtsbelasting uit te komen.

Menig gezagvoerder belandde in het gevang, en de andere constructies zijn onmogelijk gemaakt. Als Kamerlid en later als bewindspersoon heeft vooral PvdA'er Willem Vermeend hiervoor geijverd. De trukendoos van de fiscalist werd leger en leger, en zowel fiscalist als belastingplichtige gingen zich binnen Nederland steeds keuriger gedragen. Hier toont zich het gelijk van John Christensen van Tax Justice Network, die stelt dat goede belastingwetten vanzelf tot een goede belastingmoraal leiden.

Internationaal kan nog wel veel verdiend worden door slecht op elkaar afgestemde wetten en speciaal door staten gecreëerde faciliteiten. Met de Nederlandse bv-cv-structuur kun je bijvoorbeeld rente die je maar één keer betaalt twee keer aftrekken, terwijl de ontvangende partij over die rente geen belasting betaalt. Drie keer prijs dus. En zo zijn er nog honderden structuren bedacht waarmee multinationals de belastingdruk substantieel kunnen verlagen.

Trots zijn op een dubbeldip

Waarom alleen voor multinationals, maar niet voor de hardwerkende burger? Omdat die laatste meestal woont en werkt in het land waar hij belasting moet betalen. Multinationals 'wonen' overal en kunnen kiezen voor landen met een laag belastingtarief. En de structuren zijn niet goedkoop; je moet veel winst maken, willen ze zin hebben. Dat is niet weggelegd voor de gemiddelde burger. Tegenwoordig betalen daarom niet alleen de dommen, maar ook de slimme hardwerkende burgers.

Dat schuurt natuurlijk. Veel constructies zijn parasitair en daarmee schadelijk voor zowel rijke landen als ontwikkelingslanden. Wat bezielt een fiscalist om daaraan mee te werken?

Ik vind het werk in ieder geval leuk. Het is complex, intellectueel uitdagend, je moet creatief zijn en er zit ook een ambachtelijke schoonheid in. Je kunt echt trots zijn op een perfect opgezette 'dubbeldip' - waardoor bedrijfskosten twee keer van de winst kunnen worden afgetrokken - of een andere structuur met een nog exotischer naam. En dan is er nog de waardering van je klanten, die ook heel goed betalen. Wie zou niet zwichten voor deze verleidingen?

Letter en geest

Bovendien, het is toch allemaal binnen de wet? Dat zinnetje hoor je vaak als het gaat over de Panama Papers, en het is te makkelijk om dit als een goedkoop excuus weg te zetten. In ons politieke systeem zijn de parlementariërs er immers om morele afwegingen te maken, en die zou je in de wetten moeten kunnen terugzien. En als een belastingstructuur wel aan de 'letter van de wet' maar niet aan 'de geest van de wet' voldoet, dan zijn er toch rechters? Waarom is het morele oordeel van de fiscalist dan nog nodig?

Omdat je niet alles met wetten kunt regelen, die bieden niet meer dan een minimumstandaard. Niet alles laat zich in een wet vatten: we hebben bijvoorbeeld geen wet op vriendschappen. Wetten schieten ook vaak tekort doordat ze achterlopen op de feiten, niet effectief zijn of ronduit onrechtvaardig. Wat moreel juist is, valt niet altijd samen met wat wettelijk gezien juist is.

En in de huidige geglobaliseerde wereld speelt er nog iets anders. Door internationale belastingplanning worden buitenlandse wetten 'geïmporteerd' die buiten de invloed van onze natiestaat tot stand zijn gekomen. Hiermee importeren we ook de normen en waarden van geheimhoudingsregimes en belastingparadijzen, vastgelegd in wetten gebouwd op andere morele standpunten dan de onze. Dit noodzaakt de fiscalist tot een eigen morele afweging.

Naar welke morele norm zouden fiscalisten zich dan moeten richten? In de Nederlandse rechtspraak kennen we het begrip fraus legis, dat binnenlands misbruik van belastingrecht verbiedt. In Europa ligt dat anders. Het recht op vrije vestiging biedt bedrijven binnen Europa de mogelijkheid om fiscaal de voordeligste weg te kiezen. Van misbruik van dit recht is volgens het Europese Hof van Justitie alleen sprake bij volledig kunstmatige structuren. De brievenbusvennootschappen op de Zuidas zijn dat volgens het Hof niet. Nederland mag daar niets tegen doen. Dit soort jurisprudentie, met een flinterdun misbruikbegrip, geeft een fiscalist weinig reden om zelf morele afwegingen te maken.

Ik vind dat te mager. Er bestaat ook nog zoiets als een eigen geweten en oog hebben voor 'de ander'. Vooral het perspectief van de ontwikkelingslanden heeft mij de ogen geopend. Vroeger zag ik het kat- en muisspel tussen fiscus en fiscalist uitsluitend als een soort Stratego of Risk, met aan elkaar gewaagde partijen en heldere spelregels. Nu zie ik in dat internationaal de spelregels niet helder zijn en dat ontwikkelingslanden nauwelijks partij kunnen bieden tegen het gesloten blok van multinationals, adviseurs en met belasting concurrerende staten.

Dood geld

Ik heb daarom het credo 'wat mag, moet kunnen' achter me gelaten en weeg naast de rechten en belangen van mijn klant ook de rechten en belangen van anderen mee bij de keuzes die ik als fiscalist maak. Zo adviseer ik niet langer 'dood geld' - inactieve potten met belegd vermogen - want de belastingbesparing is dan uitsluitend gericht op het vergroten van bestaande rijkdom, waardoor de verschillen in de wereld verder worden vergroot. Wel regel ik graag zo min mogelijk belasting voor ondernemingen die een mooi product maken en werkgelegenheid creëren. Maar ik help dan weer niet bedrijven die schijnzelfstandigen in een zzp-verband willen duwen, want ook dat is slechts op winstmaximalisatie gericht en ondermijnt een goed werkende arbeidsmarkt.

Nu zijn dit mijn persoonlijke keuzes, maar je zou van fiscalisten wel vaker morele afwegingen mogen verwachten. Zeker als ze meegezogen dreigen te worden in zaken die op gespannen voet staan met de wet, zoals bij wat de branche 'champagne-rulings' noemt. Om onzekerheid over fiscale gevolgen weg te nemen, onderhandelen fiscalisten met de Belastingdienst en stellen ze de feiten vast in een overeenkomst, de zogeheten ruling. Daarbij worden feiten vaak mooier voorgesteld, of soms zelfs gefingeerd. Als het lukt heb je een champagne-ruling, een ruling waarvan je weet dat je er geen recht op hebt en die je toch hebt binnengesleept. Knallen met die kurken!

De banaliteit van het kwaad

Zijn fiscalisten die hier aan meewerken - gelukkig uitzonderingen in Nederland - dan slechte mensen? Die conclusie is ook weer te makkelijk, want fiscalisten werken niet in een isolement. Om een complexe internationale structuur op te tuigen, moeten advocaten, bankiers, juristen en fiscalisten samenwerken. Een fiscalist kan wel de vraag stellen of iets moreel in de haak is, maar dan moet er bij klanten ook iemand zijn die daarop aanslaat. Uit de dubieuze constructies die nu openbaar worden, kun je afleiden dat die er vaak niet zijn.

Bovendien gaat het doorgaans sluipenderwijs. Zeker bij langlopende projecten dreigt bijvoorbeeld het gevaar van 'backward engineering'. Daar liep ik vorig jaar weer eens tegenaan. Het begint bij een product dat interessant en goed is voor consumenten. Dan blijkt dat investeerders er niet mee uit de voeten kunnen, bijvoorbeeld vanwege te weinig winst of te veel risico. Dan wordt het zo aangepast dat het wel goed is voor de investeerders, maar veel minder goed voor de consument. Ergens onderweg gaat het moreel wringen, maar stoppen is lastig.

Het doet denken aan de banaliteit van het kwaad van Hannah Arendt. Als we allemaal maar een schakeltje zijn, ieder slechts verantwoordelijk voor een deel van het geheel, dan kan het gevolg zijn dat het denken stopt. Arendt kwam tot haar stelling toen ze het proces volgde tegen de nazi Adolf Eichmann voor zijn rol in de Holocaust. Ik vergelijk de fiscalist niet met Eichmann - die vergelijking gaat op alle fronten mank - maar het door Arendt beschreven mechanisme kan ons wel helpen te begrijpen hoe het werkt. Joris Luyendijk signaleerde het ook in de financiële sector: een mechanisme dat tot immoreel handelen leidt, doordat mensen tot amorele werknemers worden gemaakt.

Het corrumperende effect van grote organisaties op individuele mensen moet niet worden onderschat. Daar mogen we met z'n allen wel wat meer oog voor hebben. De morele mens verdient bescherming. Het geheel moet deugen. De staat moet voor goede wetten zorgen, en de multinationals, de banken en de advieskantoren moeten ruimte bieden voor morele afwegingen. Hans Gribnau, hoogleraar belastingrecht aan de Universiteit Tilburg, stelt terecht dat we in elk geval van bedrijven die maatschappelijk verantwoord willen ondernemen mogen eisen dat ze bij de vaststelling van hun belastingbeleid een ethische afweging maken. En het moet nog een stap verder: ze moeten voorkomen dat hun organisaties amorele werknemers en amorele adviseurs voortbrengen.

De fiscalist kan het niet alleen. Maar hij kan en moet zelf ook iets doen: blijven denken.

Christiaan Vos is fiscaal-econoom en filosoof. Hij doet onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam naar ethische aspecten van internationale belastingconcurrentie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden