Groen versus groen

Gaan ze ooit wennen, de torenhoge windmolens in het vlakke land? Of moet Nederland zich maar schikken in hun onvermijdelijke aanwezigheid? Over nut en gewenning, geld en geweten. ‘Er is altijd sprake van een uitruil.’

Mag dat zo blijven? Kan dat zo blijven? Moet dat zo blijven? Dat zijn de vragen, nu de omringende gemeente Noordoostpolder van plan is windmolens langs de dijken te zetten. Niet zomaar windmolens, maar torens van bijna honderd meter, met daar bovenop wieken die hoger reiken dan welk bouwwerk ook in Nederland. Niet eentje, maar een stuk of tachtig.

Dus ging ik er weer heen. Onderweg reed ik langs de windmolens van Flevoland, strak in het gelid in de akkers en langs de dijk voorbij Lelystad. Ik herinnerde me een scheldpartij van Jan Mulder op deze ‘kermis van sprinkhanen’, volgens hem, een van de lelijkste landschappen van Nederland. Ik herinnerde me een lofzang van architect Francine Houben op deze ‘ingenieurs-esthetiek’, volgens haar, een van de mooiste landschappen van Nederland. Wat moeten wij ervan denken?

Voor een deel is het een bekend probleem. Welke ingrepen in het landschap sta je toe? Mag er een snelweg door een bos, mag er een industrieterrein langs de rivier, mag er een woonwijk in een veenweidegebied? Het gaat steeds om welvaart versus natuur, om de mens versus de dieren, om geld versus andere rijkdom. Een relatief simpele tegenstelling. Je kunt het ene gewoon belangrijker vinden dan het andere. Maar met windmolens en andere moderne technieken is er een laagje gewetensnood bij gekomen.

Fout
Want windmolens zijn niet zomaar fout, zoals een bedrijventerrein nog best makkelijk fout genoemd kan worden. Windmolens sparen het klimaat. Net als zonnepanelen en stuwdammen – en zelfs zoals intensieve varkenshouderijen dat doen. Varkens en kippen die hun hele (korte) leven opgesloten zitten, zo efficiënt mogelijk worden vetgemest en waarvan de ‘uitstoot’ zo goed mogelijk wordt opgevangen, zijn minder schadelijk voor het milieu en klimaat dan varkens en kippen die hun veel langere leven mogen rondscharrelen.

Het is groen versus groen. Gaat klimaatbewustzijn boven alles?

Er zijn mensen die daarover nadenken.

‘Vroeger was het heel eenvoudig’, zegt directeur Maarten Hajer van het Planbureau voor de Leefomgeving. ‘Small is beautiful, was het devies, en alles wat kleinschalig was, was goed. Roel van Duijn die met een daktuintje op zijn Renault 4 rondreed. Die tijd is voorbij. We weten nu dat er geen ideale oplossingen zijn. Er is altijd sprake van een uitruil. Er vallen altijd slachtoffers.’

Tja, slachtoffers. Ik moet denken aan Waldpolenz, het grootste zonnepark van West-Europa. Ik was er vorige maand op bezoek, bij die golvende zee van glas op een voormalige Russische luchtmachtbasis bij Leipzig. De initiatiefnemers hadden veel te stellen gehad met natuurbeschermers, klaagden ze. Net als bij een industrieel complex hadden ze Ausgleichsflächer moeten aanleggen, om de verloren gegane natuur te compenseren. Ze mochten het gras onder de panelen alleen maaien buiten het broedseizoen van de leeuwerik.

‘Je wilt niet weten hoeveel last we hebben van die mensen’, zei planologe Jeannine Quellmatz. Een groene voorvechtster, maar ze sprak met hetzelfde cynisme over natuurbeschermers als een snelwegbouwer. ‘Ze willen alles hetzelfde houden, maar wat is hetzelfde? Als het bos hier niet ooit was gekapt voor een luchtmachtbasis waren er helemaal geen leeuweriken geweest.’

Terug naar Urk. Daar vrezen ze niet zozeer dat de natuur onder de molens te lijden heeft, maar de cultuur. Bewoners zijn bang dat hun beschermde dorpsgezicht achter een traliewerk van molens zal verdwijnen. Tegelijkertijd brengen de initiatiefnemers de windparken aan de man met het argument dat ze het landschap juist mooier zullen maken: de solitaire molentjes die de afgelopen twee decennia in landelijk gebied her en der bij de boerderijen zijn neergepoot, mogen niet meer. Strak en gegroepeerd, is nu het motto.

Is dat inderdaad mooier? Ik weet dat ik me vorig jaar wezenloos schrok, toen ik voor het eerst in jaren met de trein van Harlingen naar Leeuwarden reed. Een chaotisch spektakel van molentjes en molens door elkaar – hier een tweebladig Lagerweijtje op een rommelerf, daar een massieve Vestas bij een koeienfabriek. Dit was niet het Friesland zoals ik het me herinnerde, en ja, dat vond ik lelijk. Maar is daar een reden voor?

‘Voor landschappelijke schoonheid hanteren we kennelijk vaak de klassieke criteria’, zegt James McAllister, filosoof aan de Universiteit Leiden, onderzoeker van de esthetiek van technologie en wetenschap. ‘Het gaat om verhoudingen, om de juiste afwisseling. Te veel eenvormigheid is saai, maar te veel variatie is ons te barok, te rococo. Het gaat erom de balans te vinden: en die zit vaak in patronen. De juiste afstand tussen twee ramen in een Renaissance-kasteel. Dat zie je terug bij lijnen met windmolens.’

Lijnen en zichtlijnen – volgens Hajer zijn het geen nieuwe manieren om naar het landschap te kijken. Hij wijst op de Beemster, de droogmakerij in Noord-Holland, die niet alleen een technologisch, maar ook een esthetisch hoogstandje was. ‘Die rechte lijnen van wegen en bomen waren natuurlijk functioneel, omdat je grote landbouwkavels kreeg. Maar er was ook al sprake van een bepaald schoonheidsideaal, dat met orde en verhoudingen te maken had.’

Nu is de Beemster een werelderfgoed van de Unesco, net als de Deltawerken, ook zo’n ingenieursingreep, die door zijn repeterende robuustheid steeds mooier is geworden. Een landschap, zegt Hajer, is niet iets wat is en blijft, een landschap is wat we ervan maken. ‘Voor Urk geldt dat helemaal. Het eiland is ingehaald door de polders, een landschap met bedachte dorpen, waar architectuurstudenten vanuit de hele wereld naar komen kijken. Een landschap bestaat uit toevoegingen, zo kun je ook naar die windmolens kijken. ’

Wennen
De geleidelijke waardering van moderne landschappen is volgens filosoof McAllister gewoon een kwestie van wennen. In die zin is de schoonheid van techniek toch anders dan van kunst, denkt hij. ‘Een schilderij kan inherent mooi zijn, door compositie en kleuren. Bij techniek speelt altijd het nut mee. Het nut maakt iets mooi.’

Begrip, noemt Hajer dat. ‘Begrip is het begin van waardering.’

Alleen: niet iedereen begrijp dat nut meteen. Neem de spoorwegen. In de 19de eeuw werden de functionele onderdelen van een station (de rails, de overkapping) daarom verborgen achter traditionele esthetiek: zo werd het Centraal Station in Amsterdam weggestopt achter een veilige neo-renaissancistische gevel. ‘Terwijl we nu die overkapping zelf ook prachtig vinden’, zegt McAllister.

Om de gewenning te versnellen, vindt Hajer dat we de moderne, nuttige techniek niet moeten verstoppen, maar moeten accentueren. ‘Kijk naar de Hollandse Waterlinie – die willen we uit zijn schuilplekken halen en veel meer laten zien. Maar kijk ook naar een industrielandschap als Pernis. Surrealistisch. Dat zou je nog mooier kunnen maken met windmolens.’

Nut, begrip, gewenning, patronen: ik zie de logica, en zie de plekken waar het klopt. Maar hoe zit het dan bijvoorbeeld met hoogspanningslijnen? Ze staan er al jaren, ze staan op gelijke afstanden van elkaar, we gebruiken allemaal hun elektriciteit, maar toch went het niet. Ze zijn hooguit mooi als het mistig is.

Ze staan toch iets te willekeurig, probeert McAllister. Je ziet niet waar ze heen gaan, en vandaan komen, denkt Hajer. Zijn windmolens dan de nieuwe Deltawerken of de nieuwe hoogspanningsmasten? Dat blijft de vraag. Hajer: ‘Je kunt ze ook op zee zetten, maar dat is minstens twee keer zo duur. Uiteindelijk is het misschien niet zo’n heel lastig dilemma. De vraag is gewoon wat het uitzicht je waard is.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden