Gouden weken of niet, China spaart liever

Chinezen zijn behoudende mensen. De economie van hun land neigt ook dit jaar weer naar een groei van tegen de 10 procent, wat betekent dat de regering in Peking opnieuw haar doel niet haalt de groei eens wat te temperen....

Van onze correspondent Hans Moleman

Die spaart zijn zuurverdiende geld liever, in plaats van het uitbundig uit te geven aan de goedkope dvd-spelers, flat screen-tv’s, digitale camera’s en andere moderne hebbedingetjes die ook in China overal in de winkels liggen.

Om de consumptie aan te vuren, kent China tegenwoordig zelfs de van staatswege ingevoerde ‘Gouden Weken’: drie weken vakantie, verspreid over het jaar, om de burger in staat te stellen het verdiende geld eens flink te laten rollen.

Veel baten doet het niet. De trend om steeds meer te sparen wordt bevestigd door de statistieken van de People’s Bank of China, de centrale bank. De 1,3 miljard Chinezen hadden in juni op hun spaarrekeningen een saldo vergaard van 1320 miljard renminbi, ofwel 132 miljard euro. Dat is ruim 16 procent meer dan een jaar geleden. De twee jaar ervoor steeg het spaartegoed ook al fors, met 15 en 19 procent.

Is al die spaarzin goed voor China? De beleidsmakers hadden het liever anders gezien. Die proberen nu al jaren de consumptiedrift van de bevolking aan te wakkeren. Binnenlandse consumptie moet een veel grotere steunpilaar van de Chinese groei worden, is het achterliggende idee.

De binnenlandse kooplust is nu goed voor 43,9 procent van het bruto nationaal produkt, en daarmee zit China ver onder het gemiddelde in de rest van de wereld, waar het meer dan 60 procent is.

Een hogere binnenlandse vraag is nodig voor een meer stabiele economische ontwikkeling, zo is de gedachte bij de staatseconomen. China’s groeiwonder is nu nog vooral afhankelijk van grote overheidsinvesteringen – vooral in infrastructuur – en buitenlandse investeringen – al die Amerikaanse, Japanse, Europese, Taiwanese en Zuid-Koreaanse bedrijven die fabrieken opzetten om mee te profiteren van China’s lage kosten.

Eind vorig jaar begon Peking met pogingen het uitbundige investeringsgedrag van nationale, provinciale en lokale overheidsorganen in te perken, omdat dit vaak gepaard gaat met grote verkwisting van geld en grondstoffen en een dubieus economisch rendement.

En hoewel de buitenlandse investeringen nog dapper blijven doordenderen, zal ook hier een keer een kentering in komen. Sommige Japanse bedrijven hebben nu al wat minder trek in China als vestigingsplaats, en ook Amerikaanse bedrijven staan onder politieke druk om hun ziel en zaligheid niet geheel aan de Grote Concurrent te verkopen. Genoeg reden, zo redeneert men in Peking, om meer afhankelijk te worden van de autochtone vraag.

Waarom Chinezen liever sparen dan shoppen? Omdat uitgerekend de zaken waarvoor ze vroeger gratis of voor een nominaal bedrag bij de staat terecht konden, in het moderne China steeds duurder worden. Onderwijs, medische zorg, huisvesting, pensioen: alles is prijziger dan vroeger, toen de vrije marktwerking van staatswege nog verboden was.

Wil je in China bijvoorbeeld je enige kind een goede opleiding geven, dan ben je, van de kleuterschool tot en met de universiteit, tegenwoordig bijna een half miljoen renminbi (vijftigduizend euro) kwijt. Moet je naar het ziekenhuis, dan word je geacht vooraf te betalen. Wie een karig pensioen in het verschiet ziet, blijft ook zuinig.

Als Peking de consumptie wil opstuwen, zal het sociale beleid eerst eens op de schop moeten. Anders sparen de Chinezen stug verder.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden