ANALYSE

Geldpers gaat aan! Maar wat zijn de nadelen?

De Europese Centrale Bank begint vandaag met het grootschalig opkopen van staatsobligaties. Beleggers zijn bij voorbaat euforisch over deze stap van de ECB, maar of de Europese economie erg veel opschiet met het opkoopprogramma blijft een punt van discussie.

Het drukken van eurobiljetten bij drukkerij Johan Enschede in Haarlem Beeld anp

Zes jaar na de Britse en Amerikaanse centrale banken drukt nu ook de ECB de printknop in. ECB-president Mario Draghi en de meerderheid van het ECB-bestuur menen dat de Europese economie snakt naar deze 'kwantitatieve versoepeling', de formele term voor grootschalige geldcreatie door centrale banken. De ECB wil de komende anderhalf jaar 1.140 miljard nieuwe euro's uitgeven en daarmee bestaande leningen opkopen die nu in handen zijn van banken en grote beleggers. Vanaf nu 'drukt' de ECB elke maand, en ten minste tot en met september 2016, 60 miljard euro bij en deelt dat uit op de financiële markten. Ongeveer 75 procent van dat verse geld besteedt de ECB aan het aankopen van staatsobligaties van eurolanden.

Wapenarsenaal centrale banken

Kwantitatieve versoepeling is in het wapenarsenaal van centrale banken het equivalent van de atoombom. De ECB rechtvaardigt het gebruik van de nucleaire optie door te wijzen op de aanhoudende zwakte van de Europese economie en de zeer lage inflatie. Beide fenomenen moeten met kracht bestreden worden, vindt Draghi. De ECB heeft de afgelopen jaren allerlei middelen ingezet om de groei aan te zwengelen en de inflatie op te jagen, maar die hebben onvoldoende geholpen. Vandaar dat de ECB nu naar het ultimum remedium van de geldpers grijpt.

Dit besluit van de ECB is erg omstreden. Vijf van de 25 ECB-bestuurders staan er niet achter, onder wie de president van De Nederlandsche Bank, Klaas Knot. De vijf dissidenten hebben drie bezwaren. Ze betwijfelen of kwantitatieve verruiming echt nodig is, ze betwijfelen of het effectief is en ze vrezen dat het middel erger is dan de kwaal. Ook onder economen buiten de ECB zijn de meningen over het aanzetten van de geldpers verdeeld. Over het algemeen zijn economen uit Angelsaksische landen en Zuid-Europa er positiever over dan economen uit Noord-Europa. Vooral de Duitsers hebben veel bedenkingen.

Het meningsverschil tussen voor- en tegenstanders is terug te voeren op hun verschillende inschatting van de kosten en baten van het opkoopprogramma. Een aantal van die effecten is goed voorspelbaar en heeft zich zelfs al gemanifesteerd, zoals een daling van de rendementen op obligaties, stijgende aandelenkoersen en de daling van de wisselkoers van de euro. Een beoogd, maar nog niet gerealiseerd doel van het opkoopprogramma is een stijging van de inflatie. Al deze effecten hebben voor- en nadelen.

1. De stijging van de aandelen-koersen

De koersontwikkeling op effectenbeurzen wordt grotendeels bepaald door verwachtingen. De koersen lopen altijd op de feiten vooruit. Een van de bekendste beleggerswetten is: 'Koop het gerucht, verkoop het feit'. Dat verklaart waarom de aandelenkoersen al begonnen te stijgen vanaf het moment dat Draghi voor het eerst de term quantitative easing (QE) liet vallen. Voor aandeelhouders pakt QE bijna altijd goed uit. De biljoenen die centrale banken bijdrukken vinden hun weg naar de effectenmarkten, waar ze de prijzen van aandelen, obligaties en andere financiële waardepapieren opstuwen. Beleggers worden dankzij QE slapend rijk. De beursrecords die nu wereldwijd sneuvelen zijn niets anders dan een vorm van inflatie (geldontwaarding).

Critici van QE menen dat er sprake is van gevaarlijke zeepbelvorming op de financiële markten, omdat de huidige aandelenhausse niet gebaseerd is op robuuste economische groei. Met QE zouden de centrale banken de basis leggen voor een nieuwe beurskrach. Een ander kritiekpunt is dat vooral de bezittende klasse profiteert van de beurshausse. Arme mensen bezitten immers geen aandelen. Toen de Amerikaanse centrale bank eind 2008 met QE begon, erkende toenmalig Fed-president Ben Bernanke dat ook. Hij voorspelde echter dat de door QE veroorzaakte beurshausse een 'rijkdomeffect' zou veroorzaken. De vermogende aandeelhouders zouden een deel van hun dankzij QE verworven rijkdom doorgeven aan de armere lagen van de bevolking via investeringen en het creëren van nieuwe werkgelegenheid. In de VS is dat tot nu toe echter nauwelijks gebeurd: de koopkracht van de lagere en middenklasse is sinds 2008 alleen maar gedaald. Pas de laatste maanden beginnen de lonen in de VS iets te stijgen.

2. Lagere rendementen op obligaties

Omdat de centrale banken zoveel nieuw geld in omloop brengen, verschuift de verhouding tussen het aanbod en de vraag naar geld. Het aanbod groeit harder dan de vraag. Dat betekent dat de prijs van geld, de rente, daalt. Daarvan profiteren onder andere overheden, die minder rente op hun staatsschuld hoeven te betalen. Duitsland en Nederland krijgen op leningen met een korte looptijd zelfs geld toe tegenwoordig. Eurolanden die als 'zwak' bekendstaan profiteren echter het meest van QE, omdat de rente op hun staatsschuld harder is gedaald dan die van Nederland en Duitsland. De rente voor de twee laatstgenoemde landen was namelijk al erg laag voordat de ECB tot QE besloot. Een argument tegen QE is dan ook dat landen met een hoog begrotingstekort en een hoge staatsschuld door die lage rente minder noodzaak voelen om hun financiën op orde te brengen.

Van de lage rentes profiteren ook banken. Europese banken kunnen vrijwel gratis lenen bij de ECB, maar geven dat voordeel niet helemaal door aan hun klanten. MKB-bedrijven en huizenkopers hebben weinig alternatieven voor bancair krediet. De rente die zij betalen is wel wat gedaald, maar tegelijkertijd zijn de leenvoorwaarden strenger geworden. Banken maken per saldo nu meer winst op kredietverlening dan voor 2008.

De lage rente maakt ook slachtoffers. Dat zijn spaarders, pensioenfondsen en verzekeraars. Spaarders krijgen bijna geen rente meer op hun spaargeld vergoed. Verzekeraars en pensioenfondsen kunnen bij zo'n lage rente niet genoeg vermogen opbouwen om aan op lange termijn aan al hun verplichtingen te voldoen. Voor Nederland, waar de meeste mensen verplicht sparen voor hun pensioen, pakt QE daarom extra slecht uit. De pensioenverwachtingen van jongere Nederlanders kunnen bij deze lage rentes niet worden waargemaakt. Het is voor de houdbaarheid van het Nederlandse pensioenstelsel zeer zorgelijk dat de ECB de rente nog lang laag wil houden en tegelijkertijd de inflatie wil opjagen. Op die manier wordt het Nederlandse pensioenvermogen van twee kanten uitgehold: door lage rendementen en door geldontwaarding. Ook spaarders zien door die fatale combinatie hun vermogen verdampen. In Nederland moeten zij dan ook nog vermogensrendementsheffing betalen.

3. De daling van de wisselkoers van de euro

Een goedkope euro is zeer gunstig voor bedrijven in eurolanden die veel exporteren naar landen buiten de eurozone. Hun concurrentiepositie verbetert doordat de prijs van hun producten, uitgedrukt in andere valuta dan de euro, daalt. QE vergroot hierdoor wel de economische verschillen binnen tussen eurolanden, want sterke exportlanden als Duitsland en Nederland hebben meer profijt van een goedkope euro dan landen die weinig of vooral naar andere eurolanden exporteren. Griekenland heeft geen exportsector van betekenis en heeft dus minder baat bij de daling van de wisselkoers dan Duitsland.

Een goedkope euro kan leiden tot meer werkgelegenheid als het exporterende bedrijfsleven meer winst maakt en dan meer gaat investeren. Voor consumenten in de eurozone is een goedkope euro echter geen onverdeeld genoegen. Goederen die van buiten de eurozone geïmporteerd moeten worden worden dan immers duurder. Dat geldt bijvoorbeeld voor goedkope kleding en consumentenelektronica die in Azië worden vervaardigd. Ook exotische groenten en fruit zoals bananen en ananassen worden duurder. Verder zal de energierekening van huishoudens mogelijk weer gaan oplopen als de wisselkoers van de euro verder daalt. Europa is namelijk een grote netto-importeur van aardolie.

De ECB gooit zo misschien het kind met het badwater weg. Want die lage energieprijzen zijn juist een belangrijke reden dat de economie in Europa aantrekt. Europese huishoudens en bedrijven houden meer geld over nu zij weinig hoeven uit te geven aan energie. Dat geld kunnen ze gebruiken voor consumptie en investeringen die de economische groei vergroten. Als de ECB met QE de wisselkoers van de euro verder onderuit haalt, wordt dat voordeel weer tenietgedaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden