Franse elektriciteit, Poolse gastarbeid

Nederland staat op het punt de energiebedrijven te splitsen. De distributie moet in handen van de staat komen, producenten mogen desnoods aan de hoogste bieder worden verkocht....

Hoe klein, blijkt wel uit het geweld dat over de grens isuitgebroken. Duitsland en Frankrijk vormen momenteelenergiereuzen. Duitsers kopen Midden-Europese energiebedrijvenop. Fransen hebben het 'economisch patriottisme' omhelsd enkweken een 'nationale kampioen' die energieonafhankelijkheid moetwaarborgen. De EU speelt in deze Great Scramble een marginalerol. Het is ieder voor zich.

Gealarmeerd door het Franse en Duitse machts- en vlagvertoon,willen CDA en PvdA nu ook een 'nationale kampioen' bij elkaarfuseren. Maar meer dan een kampioen van de onderbond zit daarniet in. Daarom houdt Brinkhorst voet bij stuk - en gelijk heefthij. Het distributienet in eigen beheer, de productie in handenvan enkele grensoverschrijdende energiereuzen - dat is voorNederland het beste van twee werelden.

Overnames bieden Nederland ook de kans zonder veel commotiemeer kernenergie te gaan gebruiken. In plaats van zelf een nieuwekerncentrale te bouwen, klaren de Fransen die klus. Zij hebbende ervaring en zijn er uiterst bedreven in. Zo profiteertNederland van de relatieve voordelen van een groteatoomstroomproducent. Misschien hoeft hier zelfs geen nieuwekerncentrale te komen en kan worden volstaan met het importerenvan meer atoomstroom.

Zo'n uitkomst leidt tot grotere energieafhankelijkheid. Maardaar is niets op tegen. De crux van europeanisering enmondialisering is toenemende afhankelijkheid door een efficiënteinternationale arbeidsdeling. Vrij(er) verkeer van goederen,diensten en kapitaal dwingt landen te doen waar ze relatief goedin zijn. Iedereen wordt daar beter van. Hopelijk slaagtBrinkhorst er daarom in het parlement van zijn gelijk teovertuigen. Nederland is op energiegebied te klein voor nationaleoplossingen.

Er zit nóg een kwestie in Brinkhorsts portefeuille waarinnationale en internationale belangen om voorrang strijden.Binnenkort moet Nederland beslissen over het al dan niet opheffenvan de beperkingen die het in 2004 oplegde aan het vrije verkeervan werknemers uit de nieuwe EU-lidstaten. Zeg maar de Poolsebouwvakkers, chauffeurs, slagers, fabrieksarbeiders,tomatenplukkers, monteurs en wat niet al.

Die Polen, maar ook Tsjechen en Hongaren, zijn hardwerkende,behoorlijk opgeleide arbeidskrachten waarop Nederlandsewerkgevers maar al te graag een beroep doen. Zij doen het werkdat anderen versmaden, passen zich makkelijk aan, zijn goedkoop,gezeglijk, flexibel. De kans dat zij hier blijven hangen isklein, want hun toekomst ligt in de herkomstlanden, die zicheconomisch onstuimig ontwikkelen. 'De ware gastarbeiders' noemdeimmigratiedeskundige Han Entzinger ze onlangs in NRCHandelsblad. Zoals indertijd de Italianen, Spanjaarden enPortugezen.

Veel, zo niet alles, pleit dus voor het opheffen vanbeperkingen. Handhaving daarvan zou ook nog eens de nieuwelidstaten tot tweederangsleden bestempelen en ze nodeloosbruuskeren. Bovendien is het uitstel van executie: na 2010 staatde EU sowieso geen restricties meer toe. Doen, kortom. Iedereenwordt er beter van.

Zo simpel is het helaas niet. Het wegnemen van debelemmeringen zal onherroepelijk leiden tot het verdringen vanNederlandse werknemers, dus tot werkloosheid, met alle kosten vandien voor de Nederlandse samenleving. Daarnaast zal hetopenstellen van de grenzen de kansen van Nederlandse werklozendrukken om aan de slag te komen. Vooral kinderen en kleinkinderenvan Turkse en Marokkaanse 'gastarbeiders', toch al veel vakerwerkloos dan anderen, blijven aan de kant staan. Zij zijn deverliezers.

In de lopende verkiezingscampagne gaat het over bijna nietsanders dan over het scheppen van kansen voor deze achterblijvers.Het ritselt van de banenplannen, gesubsidieerde banen,opleidingstrajecten, leerwerkplaatsen en andere maatregelen diede drempel tot de arbeidsmarkt moeten verlagen. Allemaalnoodverbanden die het verschil moeten overbruggen tussen watettelijke tienduizenden slecht opgeleide jonge mensen moetenkosten en wat zij reëel kunnen bijdragen. Misschien nuttig, dieplannen, al lijken ze vooral de kool en de geit te sparen:structureel te hoge loonkosten aan de onderkant van dearbeidsmarkt en het onvermogen daar echt iets aan te doen.

Maar gaan de grenzen open voor Midden-Europeanen, dan wordenal die maatregelen, als ze al kans van slagen hebben, op slagondermijnd. Dan kunnen de komende jaren van hoogconjunctuur enkrappe arbeidsmarkt niet worden benut om de onderkant van hetarbeidsaanbod de arbeidsmarkt op te krijgen. Van werkgevers is te begrijpen dat zij liever in zee gaan met frisse krachten uitde nieuwe lidstaten dan met de bestaande arbeidsreserve. Maarmaatschappelijk is zo'n keuze onverantwoord. De jaren tot 2011moeten worden gebruikt om het inheemse arbeidsaanbod werkelijkde arbeidsmarkt op te krijgen. Zo'n kans doet zich niet snel weervoor. Brinkhorst, voorstander van het openen van de grenzen,vindt restricties ongetwijfeld provinciaals, misschien zelfsxenofobisch. Zijn parmantige retoriek gaat wel vaker met hem aande haal. Maar internationalisering en mondialisering zijn geenrechtlijnige, onherroepelijke processen die politici nooit eenstrobreed in de weg mogen leggen. Soms zijn nationale keuzen eneen pas op de plaats geboden. Noem het economisch patriottisme.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden