Feestvuur van papiergeld

Bijna 400 miljoen Nederlandse bankbiljetten en 3 miljard munten veranderen op slag in afval, als in 2002 de euro wordt ingevoerd....

door Hub. Hubben

De makers van de tentoonstelling Het is gebeurd met de gulden! in het Koninklijk Penningkabinet te Leiden hebben ook aan het jonge volkje gedacht. Kinderen worden aangemoedigd mee te denken over wat moet gebeuren met alle munten en bankbiljetten die in 2002 vervangen zullen worden door euro's.

Het blijkt te gaan om ontzagwekkende hoeveelheden metaal en papier. Overbodig worden 3 miljard munten met een gewicht van 12 miljoen kilo en een waarde van circa anderhalf miljard gulden. Waardeloos worden ook 380 miljoen bankbiljetten met een gezamenlijke waarde van 40 miljard gulden en een gewicht van 400 duizend kilo.

'Wat gaan we daarmee doen? Omsmelten en verbranden, of heb jij betere ideeën?', zo roept het Penningkabinet. 'Laat je fantasie de vrije loop: een feestvuur van papiergeld, het Paleis van de koningin beplakken met haar portret, of een skatebaan van geperste bankbiljetten?'

Ongetwijfeld zullen er talrijke amusante en/of artistieke oplossingen worden bedacht voor de geldbergen die zelfs een Dagobert Duck naar adem zouden doen happen. Desondanks zullen de vuren in de smeltovens van 's Rijks Munt in Utrecht langdurig tot grote hoogte laaien en de versnippermachines van De Nederlandsche Bank overuren draaien om de onafzienbare hoeveelheid afval - want dat is het Nederlandse geld feitelijk met ingang van 1 januari 2002 - te kunnen verwerken.

Rijksmuntmeester Chris van Draanen: 'Vanaf 1992 bereiden we deze reusachtige operatie voor. Van de zes miljard munten die we in omloop hebben gebracht, resteren er nog drie miljard. De overige drie miljard zit in ouwe sokken en spaarpotten, dat geld is simpelweg zoek. Meteen na Kerstmis 2001 beginnen we met het leegkruien van de silo's in Lelystad waar 3,3 miljard euro's liggen opgeslagen, zodat er ruimte ontstaat voor de oude guldenmunten. De auto's die het nieuwe geld uitrijden, brengen het oude geld mee terug. Ik kan beschikken over 250 auto's die een ton aan munten kunnen vervoeren en over nog eens vijftig auto's die meerdere tonnen aankunnen. We zijn er nog niet uit of we in Lelystad een compleet nieuwe vernietigingsinstallatie gaan bouwen. Er melden zich met regelmaat bedrijven die deze klus graag voor ons willen klaren.'

Hendrik-Jan Eijpen, woordvoerder van De Nederlandsche Bank, zegt geen moment wakker te liggen van de papiermassa die op de bank afkomt. 'We maken geen enkele haast met de vernietiging. Het oude papiergeld gaat gewoon in de kluis, plaats genoeg in onze kelders en anders beschikken we over nog vier depots in het land. Gaandeweg maken we er snippers van.'

Wie van mening is dat met de gulden een eeuwenoud cultuurgoed verdwijnt, komt in Leiden tot de ontdekking dat de Brusselse ambtenaren met de invoering van de euro een allesbehalve revolutionaire maatregel hebben verzonnen. Lang geleden al kon men ook met de gulden in heel Europa terecht.

Z'n oorsprong vindt de gulden in Florence, waar in 1252 goudstukken met een gewicht van om en nabij 3,5 gram worden geslagen. Op de voorzijde staat Johannes de Doper, op de keerzijde het stadsembleem van Florence, een lelie. De Latijnse naam van deze bloem geldt tevens als naam van de munt: florenus.

Door zijn hoge waarde fungeert de florenus al gauw als de standaard in het internationale betalingsverkeer, en ook in de Nederlanden komen de Florentijnse gouden (gulden!) munten rond 1300 in omloop. Ze hebben een krachtige opleving van de handel tot gevolg, reden temeer voor talrijke Europese steden en vorstendommen om eigen guldens te laten slaan. Aanvankelijk zijn het pure nabootsingen, zoals de Hongaarse gulden die pas na protesten uit Florence een eigen gezicht krijgt en in het eerste kwart van de vijftiende eeuw een prominente rol speelt in het Midden- en Noord-Europese handelsverkeer.

In onze contreien zijn het de machtige Duitse keurvorsten aan de Rijn, de bisschoppen van Keulen, Mainz en Trier en de graaf van Palts, die bij het aanmunten van hun guldens aanvankelijk eveneens het Florentijnse voorbeeld voor ogen houden, maar in 1365 ontstaat de zogeheten Rijnse gulden die spoedig populair raakt en de Italiaanse munt verdringt.

Een eeuw later laat Philips de Goede Nederlandse guldens slaan die gelijkwaardig zijn aan de Rijnse gulden. Deze gulden bevat 2,69 gram goud en de beeldenaar toont St.-Andries, patroonheilige van de Bourgondiërs. De Andriesgulden legt de basis van het Nederlandse muntstelsel; opvolger is de Carolusgulden die het hoofd van keizer Karel V toont en waarvan de vergelijkbare waarde wordt vastgesteld op twintig stuivers. Dat zou bijna vijf eeuwen zo blijven.

Zolang geld bestaat, is geld opgepot, vooral in de perioden dat het meer waard was dan de wettelijk vastgestelde koers. Nog eind vorig jaar werd in het Friese dorpje Piaam een goudschat ontdekt. Bij graafwerkzaamheden ten behoeve van een riolering troffen werklieden 36 gouden guldens aan, een voor Nederland zeldzame vondst. Op de tentoonstelling in Leiden ligt de inhoud te pronken van wat ooit de spaarpot van een welgestelde Fries moet zijn geweest want de waarde van de 36 guldens - de oudste dateert uit 1422, de jongste uit 1508 - komt overeen met het jaarinkomen van een arbeider uit de late middeleeuwen.

De Friese goudguldens vormen een spectaculair hoogtepunt in de geschiedenis van de gulden, die aan de hand van een duizendtal munten wordt getoond. Maar er is meer te zien. Gepoogd is het geheugen van de bezoeker te prikkelen en het gebruik van de gulden in het dagelijks leven van de afgelopen honderd jaar te visualiseren.

Vanzelf kom je dan terecht bij de voorwerpen die aan geld hun bestaansrecht ontlenen: kasboeken, loonzakjes, portemonnees, spaarpotten. Waar moest een huisvrouw anno 1936 van rondkomen? Hoeveel zakgeld kreeg een schooljongen in de jaren zestig? Hoe verliep de geldzuivering na de Tweede Wereldoorlog? En hoe verbaasd waren we ooit over de vinding die het mogelijk maakt dat geld simpelweg te voorschijn rolt uit een spleet in de muur.

Met de 5 gulden munt kwam in 1988 de laatste munt met guldenaanduiding in omloop. Ontwerper Bruno Ninaber van Eyben liet zich allerminst hinderen door symbolen uit het verleden. In het origineel vormgegeven boekje dat bij de tentoonstelling verschijnt, noteert conservator Hans Jacobi: 'De 'halve koningin' op de voorzijde en het ontbreken van het rijkswapen op de keerzijde van de munten hebben aanvankelijk bij velen weerstand opgeroepen. Maar na enige gewenning verstomde de kritiek van het algemene publiek. Uit de ontelbaar vele gebruiken en misbruiken van zijn muntontwerpen in reclame-uitingen blijkt hoe aantrekkelijk zijn vormgeving is voor reclametekenaars en grafisch vormgevers. Zij kunnen er niet afblijven.'

Een andere ontwerper die brak met tradities is Jaap Drupsteen. In de zojuist verschenen herziene editie van Het Nederlandse bankbiljet 1814-2002. Vormgeving en ontwikkeling wordt ook hij bijgezet in het pantheon van ontwerpers die Nederlandse bankbiljetten wereldroem bezorgden. Met dit schitterend uitgevoerde standaardwerk (de eerste editie verscheen in 1987) heeft kunsthistoricus Jaap Bolten een monument - zo men wil een mausoleum - opgericht voor het vaderlandse bankbiljet. Hij volgt het wordingsproces van talrijke biljetten, een proces dat per model kan oplopen tot vijf jaar, en dat in complexiteit nog aanzienlijk toeneemt wanneer professionele ontwerpers als Lion Cachet, Eppo Doeve en Ootje Oxenaar worden aangetrokken. Opvallend is overigens het ontbreken in dit standaardwerk van de papieren rijksdaalder. De verklaring is dat dit geen bank- maar een muntbiljet betrof, uitgebracht door het Ministerie van Financiën in tijden van zilverschaarste.

De nieuwe editie is uitgebreid met een hoofdstuk over de meervoudige opdracht die De Nederlandsche Bank in 1986 verstrekte aan zes bekende ontwerpers met het doel te komen tot een nieuwe serie bankbiljetten. Voor het eerst mogen we lezen en zien wie het niet haalde: Gerard Hadders met zijn biljetten waarop het weer een rol speelde; J.J. Kruit die zowel de natuur als architectuur en theater in zijn voorstellen verwerkte; Walter Nikkels met fijnzinnige schetsen waarin hij een eindeloze reeks scheepsnamen opvoerde. Ook de ontwerpen van Jan van Toorn vonden uiteindelijk geen genade in de ogen van de bankdirectie, hoewel hij uitgerekend de rol van het geld in de samenleving visualiseerde. Rob Schröder zette op zijn 100 gulden-ontwerp een snoek die de bek openspert; een voor dit beest a-typische pose, meende de opdrachtgever. Erger nog was de groene achtergrond van Mondriaans schilderij Victory Boogie-woogie op Schröders 1000 gulden-biljet omdat dat 'de kleur was die Mondriaan boven alles verafschuwde'.

Drupsteen zou de (door de ontwerpers verfoeide) competitie winnen - ondanks, of waarschijnlijker dankzij het feit dat zijn biljetten geen concrete, realistische voorstellingen bevatten noch maatschappij-ideologische statements.

Helaas, ook de biljetten van Drupsteen - zijn 10 gulden-biljet is het laatste Nederlandse bankbiljet dat in omloop is gebracht - zullen binnenkort in de versnippermachines verdwijnen. De snippers worden vervolgens tot worstachtige vormen geperst, die deels belanden in de kachels van Joh. Enschedé en Zonen in Haarlem, bijna twee eeuwen lang de drukker van alle Nederlandse bankbiljetten. Deels gaan de snippers naar een reclyclingbedrijf en dat betekent dat onze eens zo gekoesterde bankbiljetten hun graf zullen vinden in ondervloeren, koffers en vogelhuisjes.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden