Faillissementen zijn teken van vitaliteit

Hoge economische groei blijkt gepaard te gaan met meer faillissementen, vooral in sectoren die de economische welvaart van Nederland bepalen....

HET CBS meldde in haar conjunctuurbericht van september dat het aantal faillissementen in 1998 weer is gedaald: in de eerste acht maanden van 1999 zijn 5 procent minder faillissementen aangevraagd dan in dezelfde periode vorig jaar. Echter, in KRO's Ontbijt-TV (6 oktober 1999) becijferde Robert Blom, van het krediet management-bedrijf Graydon, bezorgd dat het werkelijk aantal faillissementen met maar liefst 75 procent is gestegen en dat dit de maatschappij zo'n vier miljard gulden per jaar kost; buiten het persoonlijke leed als gevolg van een faillissement.

Wederom een staaltje van meten-met-verschillende-maten als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, die geen faillissementen weergeeft, maar de inkomens van failliete natuurlijke personen op nul zet. De onderliggende gedachte wekt echter, op het eerste gezicht, de meeste verbazing. Want het is voor velen intuïtief niet plausibel dat in een periode van historisch ongeëvenaarde hoge economische groei en voorspoed het aantal faillissementen dramatisch stijgt. Het onlangs gelanceerde plan van minister Jorritsma van Economische Zaken het verplichte diploma voor starters af te schaffen om meer marktdynamiek te creëren, lijkt in dit licht daarom ook een totale catastrofe in ondernemend Nederland te veroorzaken.

Immers, de algemene perceptie is dat ongediplomeerde startende ondernemers helemaal geen kans maken een levensvatbaar bedrijf te exploiteren. Uit cijfers van het CBS blijkt tevens dat veel starters het al snel weer voor gezien houden, terwijl de overige na vijf jaar meestal niet meer bestaan.

Uit een aantal recente wetenschappelijke publicaties in vooraanstaande tijdschriften blijkt echter dat hoge en vooral accelererende economische groei een positief causaal verband vertoont met het aantal faillissementen: economische groei wordt geïnduceerd door entrepreneurs met innovatieve ideeën. Complicatie is echter dat niet alle concepties uitgroeien tot succesvolle producten.

In de jaren veertig is door de econoom Schumpeter reeds aangetoond dat hogere groei in technologisch 'roerige' sectoren gepaard gaat met een proces van 'creatieve destructie' en in vermaarde sectoren met een ontwikkeling die wordt gekenmerkt door 'creatieve accumulatie'. Creatieve destructie is een proces dat beschrijft hoe innovatieve ondernemers mogelijkheden benutten nieuwe producten of productietechnologie te introduceren en succesvol te implementeren. Door het introduceren van zulke producten of technologie ontstaat een proces van verticale productverbeteringen, dat gepaard gaat met monopoliewinsten voor de innoverende ondernemer en faillissementen voor de vele andere ondernemers in deze sector.

Dit proces speelt zich af in een markt die wordt gekenmerkt door veel kleine bedrijven, die vaak bestaande en eenvoudig te articuleren kennis gebruiken om te innoveren. Creatieve accumulatie is representatief voor markten waarin relatief grote bedrijven de dienst uit maken, zoals AKZO, DSM, Philips en Unilever in Nederland. Het procédé van innovatie op deze markten gaat gepaard met een sterke toeëigening van de innovatie door middel van bijvoorbeeld patenten (de genoemde bedrijven vragen de meeste patenten aan). Dit leidt tot een zichzelf versterkend proces van innovatieve activiteiten. Deze markten worden dan ook gekenmerkt door een relatief stabiele structuur.

De Nederlandse bedrijven die een faillissement moeten aanvragen, zijn vooral kleine bedrijven die zich op roerige, nieuwe en vooral innovatieve markten bevinden. Veel startende ondernemers zijn aanwezig in dynamische sectoren als de zakelijke dienstverlening en houden zich met name bezig met ICT-gerelateerde producten. Twee zaken vallen op.

Ten eerste zijn de sterke stijgers op de aandelenbeurs hoofdzakelijk relatief nieuwe en kleine bedrijven die zich met ICT-gerelateerde producten en diensten bezighouden. Deze bedrijven kenmerken zich door een hoge creativiteit en flexibiliteit van zowel manager als personeel waardoor het mogelijk is in te springen op de jongste ontwikkelingen in de markt. Bovendien is de organisatiestructuur in deze bedrijven plat, de groep van werknemers homogeen en wordt veel in teamverband gewerkt, waarin ieder z'n eigen verantwoordelijkheden voor het uiteindelijke product kent.

Kortom, een bundeling van specialisten die elkaar complementeren. Daarnaast bezitten deze werknemers uitstekende communicatieve vaardigheden en omvangrijke netwerken die het mogelijk maken adequaat op nieuwe mogelijkheden te anticiperen.

Ten tweede is het uiteraard niet helemaal toevallig dat deze bedrijven zich bevinden in sectoren die door het ministerie van EZ zijn bestempeld als sectoren die de (toekomstige) economische welvaart van ons land bepalen. Vanuit dit perspectief is het afschaffen van het ondernemersdiploma juist een goede maatregel meer marktwerking te bewerkstelligen, zodat deze bedrijven en sectoren competitief kunnen opereren. Daarnaast vormt het diploma geen belemmering meer voor een entrepreneur met een goed idee.

Tenslotte past deze maatregel uitstekend in de Paarse visie van een terugtrekkende overheid. Kortom, hoe meer faillissementen hoe meer achterliggende innovatieve ingevingen, die wel levensvatbaar zijn en des te hoger is de welvaart die wordt gecreërd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden