'Een valse start'

Door Italië toe te laten tot de EMU hebben de politici een acute crisis weten te voorkomen, maar de kans op een crisis in de toekomst vergroot, meent prof....

'IK HOOP niet dat het een al te negatief verhaal wordt', zegt prof. dr. A. Szász aan het eind van het gesprek, op weg naar de deur. Hij zegt het op zo'n bescheiden en aarzelende manier dat het weer dwingend wordt. 'Ik ben niet tegen de komst van de monetaire unie', verklaart hij zijn verzoek. 'Ik doe alleen wat anderen nalaten; ik wijs op de gevaren die aan het project kleven.'

Dat heeft Szász gedurende het gesprek met verve gedaan. Zijn redenering is duidelijk. De beslissing om de euro in het leven te roepen, is een politieke. De selectie van de landen die direct aan de euro mogen deelnemen is ook een zaak van politici. Maar dat het een politieke beslissing is, wil nog niet zeggen dat de economische voorwaarden kunnen worden genegeerd.

'De motieven voor de monetaire unie zijn politiek. Maar de unie moet wel goed kunnen functioneren. Het werkt niet omdát de politiek dit verordonneert, maar wel als aan de voorwaarden is voldaan.'

Dan nog kleven er risico's aan het project, zegt Szász, maar die zijn te overzien. Dat wordt anders als de eisen voor toetreding tot de euro te zeer worden opgerekt. En dat gaat nu gebeuren, vindt hij. 'Dit is een valse start'.

Het is een wijsheid die Szász mede baseert op het rapport van de Bundesbank over de euro, dat ruim een maand geleden is verschenen. In zijn werkkamer aan een Amsterdamse gracht ligt het rapport onder handbereik en hij weet precies de cruciale passages te vinden. Met het geoefende oog van een centrale bankier vertaalt hij de omfloerste bewoordingen van de Bundesbank in gewoon Nederlands.

'Hier staat dat Italië niet aan de eisen heeft voldaan. Ik kan eigenlijk niet zien hoe de Bundesbank nog duidelijker kan zijn zonder op de stoel van de regeringen te gaan zitten. Als iemand zegt dat de Bundesbank niet duidelijk is, dan bedoelt hij eigenlijk te zeggen dat de bank de verantwoordelijkheid moet nemen voor de selectie van de landen. Maar dat is een zaak voor politici.'

De conclusie dat het een valse start is, trekt Szász ook op basis van zeer ruime eigen ervaring met deze materie. Bijna vanaf het begin van zijn carrière bij De Nederlandsche Bank, begin jaren zestig, tot zijn allerlaatste dag als directeur, in 1994, heeft Szász zich met Europa en de monetaire samenwerking binnen Europa beziggehouden.

Aan alle beslissende bijeenkomsten, van de eurotop in Den Haag in 1969 waar de landen afspraken een economische en monetaire unie tot stand te brengen, tot de top in Maastricht in 1991, waar de komst van de euro dwingend werd vastgelegd, heeft hij op een of andere manier een bijdrage geleverd.

Toen hij vertrok had Europa net zijn grootste monetaire crisis - de ontploffing van het wisselkoersstelsel - achter de rug. Szász wil niet zeggen dat toen zijn twijfel over het slagen van het project niet is toegenomen, maar hij bleef vertrouwen op een goede afloop. Niet zozeer vanwege een onwankelbaar geloof in de economische voordelen van een munt, maar (opnieuw) vanwege de stellige overtuiging dat de wens om tot een euro te komen door politieke motieven is ingegeven. Een valutacrisis verandert daaraan niets of maakt die wens misschien alleen maar sterker.

'In Europa is sprake van een zekere onevenwichtigheid. Duitsland is te groot en ligt op de verkeerde plek. Dat is zeker na de eenwording het geval. De Duitse bondskanselier Kohl vreesde dat de eenwording, in potentie, tot dezelfde instabiliteit in Europa kon leiden als die we in het verleden hebben gehad. Dat hij daaraan iets heeft willen doen, daarvoor heb ik alle begrip. Frankrijk heeft altijd de monetaire samenwerking binnen Europa benadrukt. Frankrijk wilde zeggenschap over het monetaire beleid in Europa. Het alternatief zou zijn aansluiten bij het beleid van de Bundesbank, zonder invloed te hebben.

'Ook voor de Franse wens tot monetaire integratie heb ik alle begrip. Deze wens afdoen als grootheidswaan vind ik moralistisch. Fransen hebben een sterk historisch besef, veel sterker dan Nederlanders. Het land heeft door de eeuwen heen een grote rol gespeeld. Dat te zien verdwijnen is voor Fransen veel moeilijker te accepteren dan voor anderen.

'De meningsverschillen tussen Frankrijk en Duitsland zijn soms groot. Maar beide landen zijn altijd bezig oplossingen te vinden. Dat doen ze omdat ze denken dat daarmee de stabiliteit in Europa is gediend. Dit spreekt mij aan want dat is ook ons belang.'

Precies die stabiliteit kan door de valse start van de monetaire unie in gevaar komen, vreest Szász. Met het toelaten landen tot de euro terwijl zij niet aan de economische voorwaarden voldoen, wordt toekomstige onenigheid gezaaid. In het slechtst denkbare geval zouden de meningsverschillen zó hoog kunnen oplopen dat de monetaire unie, en daarmee ook Europa, uiteenvalt. Maar zo zwart ziet Szász het niet. 'Dat is zo traumatisch dat ik moeite heb om me dat voor te stellen.'

Een ander, realistischer scenario is volgens Szász voortdurende onenigheid tussen de eurolanden over het te voeren budgettaire en monetaire beleid. Ruzie die kan ontstaan omdat een land zóveel moeite moet doen om de begroting op orde te krijgen, dat het - met hulp van enkele medestanders - de Europese centrale bank zover probeert te krijgen een minder streng beleid te gaan voeren.

Want hoe onafhankelijk een centrale bank op papier ook is, de praktijk is iets genuanceerder. 'Een centrale bankier leeft niet in het luchtledige. Dit geldt zeker niet voor een centrale bankier die de hele tijd in Rome zit en alleen voor die ene vergadering per maand naar Frankfurt gaat.'

Verdeeldheid binnen Europa en vooral binnen de centrale bank, kan leiden tot twijfel over de hardheid van de euro. 'Het publiek in de landen die veel hebben opgegeven, zoals hun harde munt, kunnen dan steeds negatiever gaan denken over de hele onderneming en over de Europese eenwording in het algemeen. Wat er dan gaat gebeuren weet niemand. Het kan zijn dat er politieke partijen opstaan die garen proberen te spinnen bij deze situatie. Ik zeg niet dat het gebeurt, dit is het zwartste scenario.

'Een monetaire unie die voortdurend met zichzelf bezig is, levert geen bijdrage aan internationale stabiliteit. Straks bestaat het mondiale monetaire stelsel uit twee grote blokken: de dollar en de euro.

'De grote vraag is hoe die met elkaar zullen omgaan, hoe de wisselkoers zich zal gaan ontwikkelen. Als Europa voortdurend met zichzelf bezig is, zal het een heel starre deelnemer aan dit internationale gesprek zijn.'

Wil de monetaire unie inderdaad de voorbode zijn van veel grotere politieke samenwerking in Europa, zoals zo vaak wordt gezegd, dan zijn crises hierbij niet echt behulpzaam. 'Integratie door crisis is niet iets waarin ik geloof.'

Ook over het tempo waarin de grotere samenwerking tot stand zal komen, moet men niet al te optimistische verwachtingen hebben, zegt hij. 'Europese integratie is haast een relatief begrip. In 1969 besloten we in Den Haag dat we tien jaar later een monetaire unie zouden hebben. Dat heeft iets langer geduurd.'

De samenwerking zal geleidelijk moeten groeien, zal op sommige momenten onherroepelijk stagneren door tegenslagen en zal op het ene terrein veel voorspoediger verlopen dan op het andere. Samenwerking zal moeten worden aangeleerd.

De mores binnen Europa, onder politici en onder centrale bankiers, is dat men zich niet direct met de binnenlandse aangelegenheden van andere landen bemoeit. 'Europa heeft een lange traditie van non-interventie', noemt Szász dat.

In zijn jaren als centrale bankier heeft hij dat ook ervaren zonder dat het hem er overigens van heeft weerhouden andere landen aan te spreken. Daarvoor moest hij dan wel een omweg nemen. Dan begon hij over Nederland te spreken en haalde hij voorbeelden aan waarvan Nederland geleerd had. Voor de goede verstaander moest dan de boodschap wel duidelijk zijn.

Met de euro zullen dergelijke omzichtige en voorzichtige gebruiken het moeten afleggen tegen een meer directe benadering. De euro is een gezamenlijk project, waarvoor de landen gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen en op die verantwoordelijkheid mogen en moeten ze soms worden aangesproken.

Een eerste voorbeeld van deze nieuwe mores waren de herhaalde opmerkingen van minister Zalm van Financiën aan het adres van Italië. De Italianen, was Zalms boodschap, moeten veel meer bezuinigen om de euro niet in gevaar te brengen. Het Italiaanse antwoord had vaak als ondertoon: waar bemoei je je mee?

'Als je ziet hoe is gereageerd op het aandringen van Zalm, dan illustreert dit hoe ver men mentaal nog afstaat van het idee dat men binnenkort elkaars monetair binnenland is. Elkaar aanspreken op het beleid moet niet worden gezien als aantasting van de nationale eer.

'Dat dit een gevolg is van het aangaan van een monetaire unie is voor sommigen nog een volstrekt onvermoed aspect. Ook dat is een reden om te zeggen dat het belangrijk is goed te bekijken met wie je de monetaire unie begint.'

De bedenkingen en risico's die Szász opsomt, lijken te leiden tot de onvermijdelijke conclusie dat nog niet met de euro moet worden begonnen, zeker niet met Italië erbij. Toch zullen de Europese regeringsleiders dit weekeinde elf landen, inclusief Italië, de euro gunnen.

Met het opnemen van Italië in de kopgroep hebben de politici een acute crisis in Europa weten te voorkomen, erkent Szász. Maar ze hebben hiermee de kans op een crisis in de toekomst vergroot. Szász begrijpt deze keuze wel.

'In de economie is daar een term voor: perspectivische verkleining. Daar hebben politici vaak ook last van. Zij denken dat de problemen in de toekomst kleiner zijn dan de huidige.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden