Een staccato leven in de stad

Nederland heeft geen traditie in pied-à-terres, tweede huizen in de stad. Misschien gaat dat veranderen, als de gemeente Amsterdam dat niet verhindert....

Zelf heeft de Amsterdamse interieurontwerper Paul Linse een pied-à-terre in Parijs. Een hide away, noemt hij het. Het is klein, zo’n 40 vierkante meter groot en gelegen in de oude Joodse wijk Le Marais. ‘Ik ben er echt thuis. Het is ook met hetzelfde gevoel ontworpen.’

Linse mag zich op het gebied van het pied-à-terre een expert noemen. Voor een Nederlandse captain of industry, woonachtig in het buitenland, richtte hij een tweede huis in aan een Amsterdamse gracht. Voor een andere Nederlandse cliënt ontwerpt hij een werkappartement in New York. En een voormalige etage van hem, nabij het Amsterdamse Rijksmuseum, verkocht hij ingericht en wel: als tweede huisje aan een Nederlander.

Dat is al heel wat, gezien het feit dat Nederland geen rijke traditie heeft op het gebied van het stedelijk tweede huis. Een pied-à-terre is doorgaans een kleine stadswoning, waar de eigenaar regelmatig enkele nachtjes neerstrijkt voor werk, om te genieten van het stadse culturele leven of voor het opzoeken van kinderen, familie of vrienden.

Een juridische term is het niet, maar duidelijk is dat een pied-à-terre niet het hoofdverblijf van de eigenaar mag zijn. Die woont buiten, in de natuur, een dorp of in een ander land. Hij wil geen hotelkamers meer, die zijn allang geen avontuur meer voor hem.

De bekendste pied-à-terres van Nederland zijn de onderkomens van politici in Den Haag. Die zijn doorgaans gespeend van enige allure. Het appartement van de premier op de eerste verdieping van het Catshuis is een uitzondering, maar wordt zelden gebruikt. Misschien dat dat een beetje gaat veranderen. Zakenblad Quote signaleerde eind vorig jaar een trendje onder de Nederlandse rijken. Men is het chaletje in Zwitserland of de villa aan de Côte d’Azur beu, want die hebben de buren ook al. ‘De nieuwe hype is een groot pied-à-terre in de stad.’

Er is nog een andere reden om te vermoeden dat het aantal pied-à-terres zal toenemen. Vorig jaar wees de de VROM-raad, een college dat de regering adviseert over ontwikkelingen op het gebied van wonen, ruimte en milieu, al op het fenomeen van de ‘meerhuizigheid’. Steeds meer mensen gebruiken meerdere huizen voor wonen, werken en recreëren. Zij laten de functies van hun huizen ook nog eens door elkaar lopen. Een tweede huis wordt gebruikt om in rust te kunnen werken, een eerste huis kan ook een weekendverblijf zijn naast een pied-à-terre voor het werk in de stad. Daarbij trekt men zich steeds minder aan van landsgrenzen. Mensen nemen hun werk mee naar hun huis in Marbella en handelen daar hun zaken in Nederland af.

Vergeleken met andere landen, stelde het Kenniscentrum Recreatie onlangs, heeft slechts een klein deel (2 procent) van alle Nederlandse huishoudens een tweede woning.

In landen als Frankrijk en Engeland is het hebben van een pied-à-terre de stad geen zeldzaamheid, zegt hoogleraar woningbouw Dick van Gameren. ‘Daar zijn de afstanden natuurlijk ook veel groter. In Nederland kun je ‘s avonds nog wat makkelijker naar huis rijden.’

Soms is de situatie omgekeerd, zoals in Scandinavië. Van Gameren: ‘Daar woont men relatief klein in de stad en gaat in het weekend massaal naar het tweede huis in de natuur. Maar Nederland heeft niet zoveel natuur waar je voor weinig geld een huisje neerzet.’

Het Kenniscentrum Recreatie wijst in recent onderzoek wel op een groeiende vraag naar ‘deeltijdwoningen’ . Die vraag ontstaat door nieuwe leefstijlen, denkt men. ‘Mensen kiezen voor hun werk sneller voor een tweede woning in de stad’, zegt onderzoekster Suzanne van de Laar.

Zij wijst op het werk van de Amsterdamse hoogleraar demografie Jan Latten. Die ziet trendsetters die als deeltijdbewoners enkele dagen per week in de Randstad werken. Daar bewonen ze een pied-à-terre, de rest van de tijd wonen ze in een huis aan de rand van het land. Omdat de band met de werkplek steeds losser wordt, is dat ook steeds makkelijker geworden. Gespecialiseerde kenniswerkers werken één of twee dagen per week thuis. Daarnaast is er het legertje expats die tijdelijk een plek in Amsterdam of Den Haag combineren met hun huis in Londen of Brussel.

Het zal wel even duren voor Nederland een echte pied-à-terre-cultuur ontwikkelt, denkt Niels van den Berg, woningverhuurder en oprichter van Expat Rentals, een vereniging die op wil komen voor de belangen van huizenbezitters. Hij windt zich op over aanschrijvingen van de gemeente Amsterdam die 750 eigenaren van een pied-à-terre ontvingen (zie kader). ‘Ik ken verschillende mensen die hun appartement nu zo snel mogelijk willen verkopen. Ik ken een hoogleraar die werkt in Rome, San Francisco en Amsterdam. Zij staat ingeschreven in San Francisco. Zij is doodsbang dat ze haar huis zal kwijtraken en wil nu zo snel mogelijk verkopen. Als de plannen doorgaan, raakt Amsterdam heel snel heel veel waardevolle mensen kwijt.’

Nederland heeft er ook de wetgeving niet voor, vindt hij. ‘In Frankrijk is de status van de résidence secondaire goed geregeld, net als die van de Zweiter Wohnsitz in Duitsland. In Nederland stellen we nog allerlei negentiende-eeuwse eisen aan het gebruik van een woning. Je mag er alleen wonen met iemand met wie je een relatie hebt, bijvoorbeeld. Dat is de norm van Staphorst. De overheid wil de woningmarkt totaal in de greep hebben. Maar de moderne mens is mobiel. Hij heeft een laptop en een mobiele telefoon, werkt overal en wil overal wonen.’

Het aantal pied-à-terres zal wel toenemen, verwacht ontwerper Linse. Reden voor de vraag: wat is het perfecte pied-à-terre?

‘Het is compact en comfortabel’, zegt Linse. ‘Het is gericht op snelheid. Het is veilig. Het is eigen, heel persoonlijk. En het is gevestigd op de goede locatie; precies daar waar je wilt zijn in een stad.’

Compact betekent volgens Linse een oppervlakte vanaf 25 vierkante meter. ‘Daarin kun je alles wel kwijt. In Parijs mag je dat nog een studio noemen. Mijn 40 vierkante meter is daar al een grand studio.’

En comfort: ‘Je mag niet ver hoeven lopen voor een goede kop koffie, een maaltijd of een concert. En er moet hulp bij de hand zijn. Als ik naar Parijs ga, bel ik de conciërge en wordt er nog even schoongemaakt.’

Snelheid: ‘Je hebt een magnetron in plaats van een oven. Een douche in plaats van een bad. Alles om heel staccato te leven. Efficiënt. En je hebt er kleding hangen. Een paar overhemden, wat broeken, toiletspullen. Ik heb er ook sportspullen liggen en een abonnement op de sportschool. En een wasmachine en een droger. Alles om er snel naar toe te kunnen en geen zware bagage te hoeven meezeulen. En wat muesli. Dat blijft lang goed. Nespresso. En water en wijn.’

Veilig: ‘Goede sloten en toezicht, van een conciërge of medebewoner. Je leeft op afstand, dus je moet denken dat er ver weg iemand in je huis zou kunnen rondlopen. Zelf moet ik eerst twee deuren met beveiligingscode passeren. De deur van het appartement is van staal.’

En eigen: ‘Het is een mini-versie van je eigen huis. Je moet er meteen een huiselijk gevoel krijgen. Het mag niet die neutraliteit van een hotelkamer hebben. Zet er foto’s neer van je familie en vrienden. Maak een instant-versie van je eigen huis.’

Linse gebruikt zijn pied-à-terre in Parijs niet voor zijn werk, maar ter ontspanning. ‘Het is een huishoudentje waar ik helemaal tot rust kom. Wat me in Amsterdam niet lukt, doe ik daar wel; zomaar, op dvd, een heel seizoen Mad Men kijken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.