Een 'fiets', wie verzint er zoiets?

Hoe is het woord fiets in de Nederlandse taal terechtgekomen? Over die vraag hebben al heel wat professionals én amateurs zich het hoofd gebroken sinds de vélocipède in de loop van de negentiende eeuw in Nederland zijn intrede deed....

HAN VAN GESSEL

Taalliefhebber Ewoud Sanders onderneemt in Fiets! - De geschiedenis van een vulgair jongenswoord (Sdu; 19,90) een vermakelijke speurtocht naar de ontstaansgeschiedenis van fiets. Zo passeren we de uitvinder van rijwiel (Alfred Buijs te Utrecht), de woordknutselaar die vélocipède verbasterde tot viets (D.C.L. Neelmeijer jr. uit Apeldoorn), bondsrijwielhersteller E.C. Viets te Apeldoorn, wiens naam werd verheven tot viets, en Marie Renders te Oerle bij Eindhoven, die 'Mie Fiets' werd genoemd.

'Het lijkt waarschijnlijk', zo vat Sanders zijn naspeuringen voorzichtig samen, 'dat fiets omstreeks 1870 is ontstaan uit het dialectwoord vietse, 'snel bewegen'.' Dus toch een 'vulgair jongenswoord', zoals Kampioen-redacteur Henri Meyer in 1901 al opperde. De dialectvorm leeft overigens nog voort in de uitdrukking 'ga toch fietsen'.

Han van Gessel

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden