Interview Carl Frey

Economisch historicus Carl Frey: ‘Onvrede over technologie kan nieuwe voedingsbodem voor populisten worden’

De auto-industrie zorgde ooit voor enorme banengroei. Nu lassen robotarmen auto-onderdelen aan elkaar, zoals hier bij Kia Motors in Slowakije. Beeld Getty

Cassières zijn nog geen zelfscankassa’s aan het slopen, maar technologie is niet veilig voor de woede van mensen die slecht gedijen in de moderne economie. Dat stelt econoom Carl Frey, bekend van zijn voorspelling dat de helft van de huidige banen gaat verdwijnen.

Carl Frey was net klaar met zijn praatje over hoe robots en computers 47 procent van onze banen kunnen wegvagen toen een bekende econoom hem aansprak in de marge van een conferentie in Genève. Een tikkeltje smalend wuifde de econoom – Frey noemt hem ‘Bill’, zijn echte naam wil hij uit discretie niet zeggen – Freys zorgen weg. ‘Is dit niet net als de industriële revolutie in Engeland?’, zei hij. ‘Vervingen machines toen ook geen banen?’

Bills punt was duidelijk: de stoom- en spinmachines van de eerste industriële revolutie (1780-1840) maakten misschien veel handwerkers brodeloos, maar op lange termijn ontketenden ze de grootste sprong voorwaarts in de geschiedenis van de mensheid. Hij had volkomen gelijk natuurlijk: dankzij technologische vooruitgang leven de armen nu in grotere weelde dan koningen en keizers vroeger. Dit alles zonder dat machines de mens massaal werkloos hebben gemaakt, integendeel.

47 procent

Carl Frey bezorgde de wereld in 2013 een rolberoerte met onderzoek dat kunstmatige intelligentie de komende decennia maar liefst 47 procent van onze huidige banen kan doen verdwijnen. Te pessimistisch, luidde de kritiek, en uit andere onderzoeken kwamen later inderdaad lagere, zij het nog steeds substantiële percentages. Zo hield een Oeso-rapport het aantal bedreigde banen op 14 procent, terwijl nog eens 32 procent van de banen ingrijpend zal veranderen. Frey staat nog altijd achter zijn prognose. ‘Natuurlijk klinkt 47 procent hoog, maar anderzijds: ooit werkte de helft van de Amerikanen in de landbouw, nu nog 1 procent, dus uniek zou het niet zijn.’

Pas op weg naar het vliegveld drong het tot Frey door dat Bill meer gelijk had dan hij zelf besefte: onze tijd lijkt inderdaad sprekend op de eerste industriële revolutie, maar zowel in positieve als negatieve zin. De andere kant van het verhaal is dat het destijds een generatie of drie duurde voordat de gewone man de vruchten begon te plukken van de technologische vooruitgang. Banen verdwenen, inkomens stagneerden en de ongelijkheid rees de pan uit, vergelijkbaar met wat zich afgelopen decennia heeft voltrokken. De miserabele omstandigheden van arbeiders – in fabriekssteden als Manchester en Glasgow daalde de levensverwachting tot 10 jaar onder het nationaal gemiddelde, dat met 40 jaar toch al niet veel soeps was – waren de voedingsbodem voor communisten, zoals economische onvrede dat nu is voor populisten.

Ja, Bill had gelijk, op lange termijn komt de mensheid vast weer op zijn pootjes terecht – maar op lange termijn zijn we allemaal dood, dacht Frey aan de beroemde sneer van John Maynard ­Keynes. Economen maken zich er te makkelijk van af, schreef Keynes, ‘als ze ons tijdens een stormseizoen alleen kunnen vertellen dat de zee weer glad zal zijn als de storm voorbij is’.

‘Economen zijn het er wel over eens dat technologische vooruitgang op korte termijn een tol kan eisen’, beschrijft Frey in zijn binnenkort verschijnende boek The Technology Trap. ‘Maar wat we niet weten is: hoelang duurt die korte termijn?’

Een Japans hotel ontsloeg onlangs de helft van zijn 243 robots omdat ze hun werk slecht deden. Een van de robots maakte een hotelgast continu wakker omdat hij dacht dat de man een vraag stelde, terwijl de gast in werkelijkheid aan het snurken was. Hoe bang moeten we zijn dat robots onze banen stelen?

‘Veel baanbrekende technologieën waren in het begin geen doorslaand succes. De eerste stoommachines werden bijna alleen gebruikt om water weg te pompen uit kolenmijnen – zelfs dat deden ze aanvankelijk niet zo goed. Of denk aan de telefoon: dat was maar een belachelijke, nutteloze uitvinding. ‘De waardigheid van praten schuilt in het hebben van een luisteraar, en het lijkt absurd om je tot een stuk ijzer te richten’, schreef de Scientific American destijds. Bijna elke technologie begint onvolmaakt, dus het is makkelijk om er om te lachen.’

Carl Frey. Beeld HH

Bang voor eigen volk

Met The Technology Trap, zoals zijn boek heet, doelt Frey op het feit dat heersers eeuwenlang technologische doorbraken blokkeerden, bang als ze waren dat het volk, eenmaal werkloos, in opstand zou komen. Zo saboteerde keizer Frans II (1768-1835) jarenlang pogingen om Oostenrijk te moderniseren. ‘Nee, nee, ik wil er niets mee te maken hebben’, was zijn repliek bijvoorbeeld op plannen voor een stoomspoorlijn, ‘anders breekt er revolutie uit in het land’. Eind 16de eeuw weigerde de Britse koningin Elizabeth I om dezelfde reden een patent te verlenen voor een breimachine. Later wisten de Britten als eersten uit deze technologieval te ontsnappen, schrijft Frey: de concurrentie tussen natiestaten liep militair en economisch zo hoog op dat Britse regeringen het gevaar van buitenaf – buitenlandse invasies – meer begonnen te vrezen dan het gevaar van onderop – volksopstanden. Ze gaven machines daarom vrij spel. De industriële revolutie was het resultaat.

Tot dusver wijzen de meeste onderzoeken uit dat robots en computers meer banen creëren dan vernietigen.

‘Ja, de gedachte onder economen is dat automatisering spullen goedkoper maakt, waardoor de vraag naar die producten stijgt. Op een gegeven moment gaat de technologie zo snel vooruit en worden producten zo goedkoop, dat we geld overhouden voor andere dingen, bijvoorbeeld yogalessen, taxiritten en etentjes. Technologie schept dan dus niet direct banen, maar indirect in andere sectoren, zoals zumba-instructeurs of sommeliers. Tegelijkertijd zien we dat technologie zelf sinds de jaren tachtig duidelijk minder directe werkgelegenheid schept dan vroeger, toen bijvoorbeeld de auto-industrie voor enorm veel banengroei zorgde.

‘Bovendien zien we dat de middenklasse steeds verder uitgehold raakt. Universitair geschoolden vergaat het vrij goed in de nieuwe economie, maar mensen met alleen een middelbare-school­diploma, die vroeger bijvoorbeeld een goede boterham konden verdienen in de fabriek, moeten nu dikwijls hun toevlucht nemen tot slechter betaalde banen.’

Wat daarbij komt is dat technologie de wereld niet zo plat heeft helpen maken als gehoopt. De futurist Alvin Toffler voorspelde zelfs ‘de dood van afstand’: mobiele telefoons, internet en e-mail zouden het onnodig maken om nog in de stad te wonen. Maar het omgekeerde is gebeurd, legt Frey uit: Amerikaanse technologiebedrijven klonteren bijvoorbeeld massaal samen rondom San Francisco, ten koste van banen in de Midwest.

Een ander probleem, schrijft Frey, is dat kunstmatige intelligentie de laatste jaren ook bressen weet te slaan in een van de grootste technologische barrières: oog-handcoördinatie. De paradox is dat robots zelfs Magnus Carlsen genadeloos van het schaakbord kunnen vegen, maar tegelijkertijd de grootste moeite hebben met veters strikken of deuren openen. Dus gooien uitvinders het over een andere boeg: taken zo versimpelen dat zelfs robots ze kunnen uitvoeren.

Zo kunnen robots op een rommelige bouwplaats bijvoorbeeld niet tippen aan metselaars of timmerlui, maar ze kunnen een huis wel van tevoren in elkaar zetten in een rustige fabriek, zoals steeds vaker gebeurt in de bouw. En zelfrijdende bestelbusjes kunnen moeilijk aanbellen om een pakketje af te geven, maar Amazon staat wel op het punt om bezorgdrones te laten landen in onze tuinen. ‘Technologie komt vaak neer op versimpeling – onze straatverlichting automatiseren is bijvoorbeeld ook gelukt zonder robots die à la de lantaarnopstekers van weleer in een lantaarnpaal kunnen klimmen.’

We horen nog weinig over caissières die zelfscankassa’s vernielen, of bankklerken die chatbots hacken. Dit in tegenstelling tot het luddisme van begin 19de eeuw, toen Britse textielwerkers massaal weefmachines kapotmaakten. Waarom roepen machines nu niet dezelfde woede op?

‘De luddieten hadden geen stemrecht. Met petities aan het Britse parlement probeerden ze de introductie van machines tegen te gaan, maar zonder succes, zoals ook hun oproer weinig opleverde. Nu kunnen mensen hun woede uiten in het stemhokje. Populisten hebben de woede aangeboord van mensen die slecht gedijen in de moderne economie. Het verzet richt zich nu vooral tegen globalisering, maar dat kan de komende jaren omslaan naar technologie. De meeste mensen werken tegenwoordig nu eenmaal in de dienstensector, en veel van die banen – receptionisten, obers, caissières – kun je niet verplaatsen naar het buitenland. Maar je kunt ze wel automatiseren.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden