Dure olie raakt vooral China en VS

Hogere benzineprijzen, hogere inflatie, een hogere rente en lagere economische groei. Dat veel landen last zullen krijgen van de olieprijs die boven de 100 dollar groeit, staat buiten kijf....

De eenvoudigste manier om die vraag te beantwoorden, is te kijken naar de internationale oliestromen: wie moet er olie importeren om zijn economie draaiend te houden en wie kan er exporteren? Overduidelijk is dan dat de rijke landen het hardst zullen worden geraakt. De Verenigde Staten, op grote afstand gevolgd door onder meer Japan, Duitsland, Zuid-Korea en Frankrijk. De grote nieuweling, China, was tot midden jaren negentig een netto-exporteur van olie, maar sindsdien is het opgerukt naar nummer drie op de ranglijst van olie-importeurs.

Dat is niet de enige factor die bepaalt waar de klappen vallen. Ook de valutamarkten spelen een belangrijke rol. Europa profiteert bijvoorbeeld van de euro als afweermechanisme: met het stijgen van de olieprijs is ook de koers van de euro opgelopen ten opzichte van de dollar. Dat komt door de financiële markten, waar grote, institutionele beleggers meer over hebben voor een vat olie op het moment dat de dollar daalt.

De prijs van een vat olie, die traditioneel in dollars wordt afgerekend, is daardoor per saldo een stuk minder hard gestegen voor Europese gezinnen en bedrijven. Vandaar dat de prijspiek op de wereldmarkt (nog) niet is gevolgd door recordprijzen aan de Nederlandse benzinepomp.

De VS, die dat afweermechanisme niet heeft, wordt veel harder getroffen, evenals China. De koers van de yuan is immers gekoppeld aan die van de dollar, zodat de olieprijs niet door de lokale valuta wordt gedempt. Voor de Chinese regering zou ‘100 dollar per vat’ dus een extra argument kunnen zijn om de koppeling van de yuan aan de dollar versneld op te geven. Goed nieuws voor de VS, want die verafschuwt die koppeling omdat het Chinese exporteurs de wind in de zeilen geeft en import uit de VS duur maakt.

Het nieuwe verband tussen een hoge olieprijs en een lage dollarkoers betekent ook dat voor olieproducenten de huidige prijspiek geen onverdeeld genoegen is: vooral in het Midden-Oosten zitten de grote oliesjeiks op enorme bergen dollars, die zij met de olieverkoop hebben binnengehaald. Hun inkomsten mogen nu toenemen, hun vermogen neemt door de dalende dollar af.

Dat zou een prikkel kunnen zijn om de oliedollars die ze binnenkrijgen, versneld uit te geven. Dat zou goed nieuws zijn voor Europa, dat daardoor meer kan exporteren naar het Midden-Oosten. De Nederlandse export naar de Verenigde Arabische Emiraten is in 2006 met 19 procent gestegen. Denk aan baggeraars als Boskalis en Van Oord, die hun portefeuille zagen vollopen met miljardenopdrachten.

Een alternatief voor oppotten of het uitgeven van oliedollars: investeren, bijvoorbeeld door een aandelenbelang te nemen in westerse bedrijven zoals het investeringsfonds van de oliestad Abu Dhabi onlangs deed bij Citigroup. Zo lang de koppeling tussen een hoge olieprijs en de lage dollarkoers in stand blijft, hebben olie-exporteurs een extra reden om meer van dat soort aandelenbelangen te kopen. Hun economische invloed in het Westen neemt daardoor toe.

De laatste factor die bepaalt hoe hard een land wordt geraakt: de energie-intensiteit van zijn economie. Dat wil zeggen: hoeveel vaten olie zijn nodig voor iedere euro of dollar bruto binnenlands product?

Ook naar dit criterium zijn vooral de VS en China de pineut: die verbruiken relatief veel olie in hun economie, zij het om uiteenlopende redenen: de VS vanwege het consumptiepatroon dat het rijkste land van de wereld er op na houdt, met minimaal twee grote auto’s voor de deur. China omdat het maakland nummer één van de wereld is: al die fabrieken vreten energie en ook voor de grondstoffen is veel olie nodig. Denk aan plastics voor het speelgoed.

Het grote verschil tussen beide: de energie-intensiteit van de Amerikaanse economie is sinds de oliecrisis eind jaren zeventig afgenomen. Die crisis zetten de VS er immers toe aan zuiniger aan te doen. In China neemt die intensiteit sinds 2001 juist toe. Die trend is niet makkelijk te keren, al was het maar omdat tientallen miljoenen Chinezen de komende jaren een auto zullen aanschaffen.

Veel ontwikkelingslanden lijken de dans te ontspringen: zij zijn zo arm dat ze nauwelijks olie verbruiken in hun economie en dus ook geen last hebben van ‘100 dollar per vat’. Maar dat geldt niet voor alle arme landen. Uit een recente studie van het Internationaal Energie Agentschap blijkt dat dertien Afrikaanse landen die geen olie in de grond hebben, waaronder Ghana, Zuid-Afrika en Tanzania, sinds 2004 zoveel meer uitgeven aan olie dat de voordelen van extra ontwikkelingshulp en schuldverlichting helemaal zijn uitgewist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden