Dubbeltje blijft weer dubbeltje

Als we de politici mogen geloven, ziet de toekomst er weer goed uit. Krijgen komende generaties het beter dan wij?...

Vorig jaar was Nederland nog de zieke man van Europa, die hopeloos achterop dreigde te raken omdat zijn verwende burgers niet hard genoeg werkten. Maar ziedaar, nu de economie opleeft en de verkiezingen in zicht komen, zijn we plots weer koploper. Premier Balkenende predikt trots een ‘VOC-mentaliteit’, VVD-lijsttrekker Rutte praat over de ‘koek’ die alleen maar groter zal worden als de kiezers de liberalen hun zin geven. En de VVD staat klaar voor ‘iedereen die iets van zijn leven wil maken’.

Is het nieuwe optimisme gerechtvaardigd? Zo ja, hebben alle mensen even veel reden tot optimisme? Of zal de sociale ongelijkheid verder toenemen, en zullen de winnaars en verliezers zich steeds duidelijker aftekenen?

Duitse sociologen spraken over de naoorlogse economie als de Fahrstuhlgesellschaft. Je kon het goed of slecht doen, maar je wist een ding zeker: ik heb het beter dan mijn ouders. Tegenwoordig betwijfelen veel mensen of die sociale stijging almaar kan voortduren. Zullen onze kinderen het wel beter hebben dan wijzelf?

Waarom niet, zegt econoom Frans Suijker van het Centraal Planbureau. Het CPB publiceerde in 2004 een studie waarin het vier toekomstscenario’s schetste. Volgens het ‘somberste’ scenario zou Nederland in 2040 30 procent rijker zijn dan nu, volgens het gunstigste scenario 120 procent.

Maar de Chinezen zouden ons toch overvleugelen? ‘We hebben net een uitgebreide studie naar China gedaan. Dat land maakt vooral laagwaardige producten waarmee wij in Nederland niet echt concurreren. Bovendien kunnen we als Europees distributiecentrum profiteren van de aanvoer van Chinese producten. Daarnaast houdt die goedkope productie bij ons de inflatie laag’, zegt Suijker.

Maar de Chinezen worden toch steeds slimmer? Straks maken ze onze hoogwaardige producten en diensten voor een fractie van ons salaris. Suijker: ‘Op korte en middenlange termijn heeft China daar te weinig hoog opgeleid personeel voor. Op langere termijn zal het Chinese opleidingsniveau flink omhoog gaan, maar dan worden de lonen er ook hoger.’

Al met al vertelt het CPB een tamelijk opbeurend verhaal. Onze kinderen zullen het beter krijgen dan wij – oorlogen en andere onvoorziene rampen daargelaten.

Fabrieksarbeid

Sinds geruime tijd wordt de middenklasse niettemin regelmatig de stuipen op het lijf gejaagd met de stelling dat zij het volgende slachtoffer zal worden van de mondialisering. Na de fabrieksarbeid zal ook veel witte-boordenarbeid naar Azië verdwijnen, heet het. Schromelijk overdreven, denkt Suijker.

‘Sociale daling, zeker in extreme mate, komt maar heel weinig voor’, zegt ook Wout Ultee, hoogleraar sociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

‘In ons onderzoek zien we geen sociale daling als gevolg van de globalisering’, benadrukt ook Ruud Luijkx, socioloog aan de Universiteit van Tilburg. ‘Wel zien we de dynamiek toenemen. De baanzekerheid neemt af. We komen meer mensen tegen die hun baan kwijt raken, maar doorgaans vinden ze weer nieuw werk.’

Daarmee wordt de gemoedsrust van de verzorgingsstaat in zekere zin bedreigd, maar dat hoeft niet rampzalig te zijn, stelt Luijkx. ‘In Denemarken kun je heel gemakkelijk ontslagen worden. Dan krijg je een uitkering en scholing aangeboden, en word je ook weer gemakkelijk aangenomen. Het gemiddelde inkomen in Denemarken ligt iets hoger dan in Nederland. Het is ook een land met een grote mate van sociale gelijkheid.’

Toch zijn de meeste mensen niet dol op deze vorm van dynamiek en flexibiliteit, hoewel die op macroniveau aardig lijkt te werken. In elk geval doet zich in Denemarken volgens Luijkx een curieus verschijnsel voor. ‘De levensverwachting is er gedaald. Denen zijn meer gaan roken en drinken. Ik weet niet of er een causaal verband bestaat met de liberalisering van de arbeidsmarkt. Maar in andere westerse landen zie je dit niet.’

Sociologen maken onderscheid tussen absolute en relatieve sociale mobiliteit. De absolute mobiliteit is afhankelijk van de economische groei en de beroepenstructuur. Hoe meer hoger gekwalificeerde beroepen, hoe meer mensen sociaal stijgen. In Nederland en andere westerse landen stijgt de absolute mobiliteit nog steeds, zij het minder snel dan in de vorige eeuw.

De relatieve mobiliteit is afhankelijk van de maatschappelijke openheid. Hoe kleiner het verband tussen sociale afkomst en maatschappelijk succes, hoe groter de relatieve mobiliteit. Tot ver in de jaren vijftig was Nederland een conservatief en gesloten landje, waar de relatieve mobiliteit zeer laag was. Nergens in Europa was het zo moeilijk om van een dubbeltje een kwartje te worden. Mondiaal zat alleen de Braziliaanse elite nog vaster in het zadel.

Vanaf de jaren zestig nam de relatieve mobiliteit spectaculair toe. Een zoon van een melkboer kon topman van Philips worden (Cor Boonstra), en de kinderen van boeren, arbeiders en kleine middenstanders gingen voortaan massaal naar de universiteit.

De ongelijkheid in inkomens is sinds de jaren tachtig evenwel weer gegroeid. ‘Het aandeel van de onderste 10 procent aan het nationaal inkomen is gedaald van 4,1 procent in 1985 naar 2,3 procent in 2004, het aandeel van de bovenste 10 procent gestegen van 19,2 naar 22,5 procent’, zegt Ultee.

Ongelijkheid

Het lijkt niet veel, maar het zijn flinke verschuivingen, stelt hij. Amerikanen zullen erom lachen: in de VS steeg tussen 1979 en 2000 het inkomen van de onderste 20 procent met 6,4 procent, terwijl de bovenste 20 procent er 70 procent op vooruit ging, en de bovenste 1 procent zelfs 184 procent.

Die toegenomen ongelijkheid heeft diverse oorzaken. In de kenniseconomie zijn de lonen van hoger en lager opgeleiden verder uiteen gaan lopen. Het aantal alleenstaanden en eenoudergezinnen is bovendien toegenomen. Maar deels is het ook een gevolg van politieke keuze: vooral op de sociale uitkeringen is flink bezuinigd.

In het huidige politieke tij wordt die grotere ongelijkheid niet erg gevonden. Integendeel, zij prikkelt mensen juist hun best te doen. ‘Dat is ook bekend uit de economische literatuur: hoe meer economische prikkels, hoe harder mensen werken. Welvaart en gelijkheid kun je tegen elkaar uitruilen. Het is een politieke keuze op welk punt je wilt zitten’, zegt Suijker van het CPB. In het gunstigste toekomstscenario van het Planbureau is de ongelijkheid het grootst.

Eerlijk gevecht

Socioloog Ultee spreekt van een mensbeeld dat concurreert met het traditionele sociaal-democratische mensbeeld van de maakbare samenleving. Vaak gaan politici er stilzwijgend van uit dat grotere inkomensverschillen niet leiden tot permanente sociale scheidslijnen, alsof elke generatie opnieuw een eerlijk gevecht om de maatschappelijke topposities aangaat.

Dat is echter een zeer optimistisch beeld. In de Angelsaksische wereld, waar de inkomensverschillen het grootst zijn, is de sociale mobiliteit het laagst, blijkt uit een recente studie van de London School of Economics. Er worden nog maar weinig krantenjongens miljonair in de Verenigde Staten. Miljonairs als George W. Bush en John Kerry vechten om het presidentschap. Zelfs de linkse Democraat Howard Dean groeide op aan Park Avenue in Manhattan en een chic buitenhuis in de Hamptons. In de Scandinavische landen is de situatie omgekeerd: grote inkomensgelijkheid gaat gepaard met relatief hoge sociale mobiliteit.

De grote verschillen in Groot-Brittannië en de VS worden bestendigd door een competitief en zeer selectief stelsel van hoger onderwijs. Vaak is een studie aan universiteiten als Oxford of Harvard een ticket voor een toppositie.

De hoogste inkomensgroepen profiteren hier het meest van. Het mediane inkomen van de gezinnen waaruit Harvard-studenten voortkomen, is 150 duizend dollar. Bij de opening van het academisch jaar werd ook in Nederland gepleit voor selectie aan de poort en hogere collegegelden. Vanuit het perspectief van maatschappelijke openheid schuilt daar gevaar in, zegt socioloog Luijkx, al kan een goed leenstelsel soelaas bieden.

Natuurlijk is Nederland nog altijd een betrekkelijk egalitair land. Toch zijn er tekenen dat de bovenlaag zich aan het afsluiten is, zegt Ultee. Uit zijn statistische analyse blijkt dat de relatieve mobiliteit tussen de middenlaag (nog ouderwets gedefinieerd als kleine zelfstandigen, eenvoudige hoofdarbeid en geschoolde handarbeid) en de bovenlaag (grote zelfstandigen, managers, professionals) voor het eerst in decennia is afgenomen.

Huwelijksmarkt

De maatschappelijke barrières zijn weer hoger aan het worden, zo lijkt het. Een belangrijke oorzaak hiervoor ligt op de huwelijksmarkt, denkt Ultee. Sinds de jaren tachtig trouwen mensen steeds vaker met een partner die eenzelfde opleiding heeft genoten. Hoger opgeleiden vormen zo een paar met een surplus aan inkomen dat weer in de kinderen geïnvesteerd kan worden. Bovendien hebben kinderen meer ‘culturele hulpbronnen’ ter beschikking, zoals dat in sociologenjargon heet, als beide ouders hoger opgeleid zijn. Zo ontstaan aan de bovenkant van de samenleving huishoudens met een grote economische en culturele slagkracht, die paren van lager opgeleiden ver achter zich laten.

Sociologen spreken in zo’n geval van het ‘matteüseffect’, met een verwijzing naar de Bijbel: ‘Zij die hebben, krijgen meer en zij die niet hebben, wordt nog ontnomen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.