Dood ga je niet elke dag

Jan Pen, hoogleraar economie in ruste, werd in mei per ongeluk door de Volkskrant dood verklaard. De 88-jarige econoom ging met zijn zoon Tiesse (56) meteen de necrologie lezen toen ze erover werden gebeld....

Tiesse Pen: ‘Ik stond om half 10 in de keuken, de buurman komt bedremmeld binnen. Keurig in pak. Hij pakt mijn hand en condoleert me. Ik zeg: Elzo, loop even door en kijk wie er op de bank zit.’

Jan Pen: ‘Ik dus. Ik keek naar buiten en de zon scheen.’

Hij richt zich op uit de bank en zegt: ‘Geeft u mij nog maar even een hand. Dan weet u zeker dat ik echt besta en niet een fictie ben. Hatsiekiedee. Wie gaat er mee naar het volgende café? Nou, ik niet, want ik ben geheelonthouder.’

Op 25 mei van dit jaar meldde de Volkskrant de dood van Jan Pen, de vermaarde hoogleraar economie in ruste. Maar Pen bleek springlevend, wij hadden ons op het verkeerde been laten zetten door het overlijdensbericht van een naamgenoot die ook tientallen jaren aan Het Parool verbonden was geweest.

Thuis in het Groningse Haren wordt Jan Pen verzorgd door zijn zoon Tiesse, een fulltime mantelzorger die uit de verpleging komt. Na zijn scheiding, tien jaar geleden, is hij bij zijn vader ingetrokken. ‘Tiesse regelt alles’, zegt Jan. ‘Mijn vader heeft niet zozeer verpleging nodig. Ik heb meer kwalen dan mijn vader. Mijn vader heeft een beroerte gehad, hij is gehandicapt, maar hij heeft geen kwalen’, zegt Tiesse. ‘Het hoogtepunt van de dag is de warme maaltijd’, zegt Jan, ‘als Tiesse hem maakt.’

De Wim Kan onder de economen, luidde de kop boven de necrologie in de Volkskrant. Pen, zoon van een Lemmerse handelaar in visnetten, is vermaard om zijn verhalen. Een hele act maakte hij van zijn voordrachten.

Tiesse: ‘Mijn vader kan leuke dingen leuk uitleggen.’

Jan: ‘De macro-economie zit vol leuke dingen.’

Meer dan twintig boeken schreef Pen, waarvan een groot deel is vertaald, tot in het Japans en Grieks toe. Tientallen jaren schreef hij een column in Het Parool. Een samenleving die bestaat uit welgestelde burgers is zijn ideaal. Daartoe moet over lage inkomens minder of geen en over hoge inkomens veel belasting worden geheven.

Nam hij voorheen de regie van een gesprek stevig in handen, dwingend en onweerstaanbaar, tegenwoordig wacht Pen af – berustend en belangstellend.

Tiesse: ‘De telefoon ging ’s ochtends. Mijn broer. Gelukkig heb ik jullie aan de lijn, heb je de krant gezien? Ik zeg: nee. Hij had ’s nachts al gepoogd ons te bellen toen hij op het journaal zag dat vader was overleden. Maar boven naast mijn vaders bed gaat de stekker eruit. En de telefoon in de huiskamer hoor ik boven niet. We zijn meteen de necrologie gaan lezen, we vonden het een prachtig mooi stukje.’

Jan: ‘Er staat geen onvertogen woord in.’

Tiesse: ‘Het was strelend, als het ware.’

Jan: ‘De Wim Kan van de economen. Dat is toch mooi gezegd.’

Tiesse: ‘De hele dag was het een chaos. Ik had net een nieuwe heup, dus ik liep slecht, en ik moest almaar naar de telefoon draven. Vier keer achter elkaar Matthijs van Nieuwkerk. Ze zouden ons ophalen in een luxe auto om ons naar De Wereld Draait Door te brengen.’

Jan: ‘Dat wilde ik helemaal niet.’

Tiesse: ‘Ze bleven bellen.’

Jan: ‘Het hield niet op.’

Tiesse: ‘Na een dag was het weg.’

Jan: ‘Het gebeurt niet elke dag dat je doodgaat.’

Tiesse schiet in de lach en slaat een arm om zijn vader.

Jan: ‘Ik vond het niet zo heel erg. Ik zat samen met Tiesse op de bank.’

De boekenkast puilt uit, de kaften zijn verweerd. Stapels boeken en tijdschriften liggen op tafel, Pen heeft ze allemaal gelezen. ‘Letters zijn nog steeds mijn hobby’, zegt Pen. Hij leest nog zonder bril.

Aan de inrichting van huize Pen is de afgelopen vijftig jaar nauwelijks iets veranderd. De bruine vloerbedekking is tot op de draad versleten. Beige tegels boven ouderwetse radiatoren vormen de vensterbank. Daarop staat een woud aan hoge planten. ‘Wij kijken er doorheen, voorbijgangers kunnen niet naar binnen kijken’, zegt Tiesse.

De wegwerpmaatschappij is buiten de deur gehouden. Er wordt niks vervangen als het niet kapot is. De man die het fundament legde voor de milieu-economie heeft zijn leven lang het goede voorbeeld gegeven.

Tiesse: ‘Ho, ho, je haalt twee dingen door elkaar. Mijn vader is wel een ecotakser, maar hij propageert niet een manier van leven. Mijn vader zei niet: mensen moeten zuiniger aandoen. Hij zei: vervuilende dingen moeten worden belast: vliegverkeer, blikjes, grote auto’s.’

Jan: ‘Ik had het niet beter kunnen zeggen.’

Tiesse: ‘Jouw idee over de ecotaks is niet een beroep op de zuinigheid, maar juist het belasten van de niet-zuinigheid.’

Jan: ‘Ik doe een beroep op de wetgever. Niet op het individu.’

Tiesse: ‘Mooi gezegd, heitie.’

Jan: ‘Weet u dat u op een schilderij van mij zit?’

Tiesse: ‘Dat bankje zakte door. Daarom hebben we een door mijn vader beschilderde plank onder de kussens gelegd. Die past er precies tussen.’

Jan: ‘Grapje.’

Tiesse: ‘Zo wordt er hier met kunst omgegaan.’

Sinds die ellendige beroerte in 2003 schildert Pen niet veel meer. Hij schilderde het liefst op krantenpapier; een heel katern, soms enkele pagina’s dik. Die smeerde hij eerst in met acryl om een dekkende laag te krijgen. Vroeger deed hij het met latex, maar dat gaat brokkelen. ‘Het voordeel van een krant is dat er al een datum op staat’, zegt Tiesse. Pen schilderde kleurige abstracten, geïnspireerd door Mark Rothko, de Amerikaanse abstract-expressionist.

Hij schilderde op alles: plankjes die hij bij de Hubo uit de afvalbak viste, de bodem van een kartonnen doos, een servetje. En Tiesse lijstte ze in. ‘Een schilderij heeft een achterkant, die beschildert mijn vader ook. Mensen zeggen dan meteen: o, een econoom die is zuinig. Nee, het is puur praktisch: als je erop uitgekeken bent, draai je het om. Dat is de truc.’

Tiesse pakt de uitnodiging voor de 57ste dies natalis van het Institute of Social Studies in Den Haag. Die wordt gevierd met een tentoonstelling van kunst van economen. Op de voorkant van de uitnodiging prijkt een schilderij van Jan Pen. Twaalf schilderijen hebben de organisatoren van de expositie meegenomen uit Haren.

Tiesse had nog snel wat werken ingelijst. Het schilderij op de uitnodiging (untiteld, oil on board, 63 x 73 cms) slingerde op zolder.

Verkocht heeft Jan Pen zijn schilderijen nooit. Hij gaf ze weg.

Tiesse: ‘Totdat iemand over de vloer kwam die met tientallen schilderijen vertrok. Prima, als die man ze vervolgens ook had weggeven, maar hij verkocht ze.’

Jan Pen richt zich op, steunt op zijn rollator, schuifelt naar het keyboard en slaat een paar akkoorden aan. Hij was een hartstochtelijk Bach- en bluesspeler. Ook dat doet hij niet veel meer. Hij speelt met één hand, de andere heeft hij nodig ter ondersteuning.

De piano in de gang raakt hij nauwelijks meer aan – ook al staat de klep open en is het muziekboek opengeslagen. Een foto van Jan Tinbergen staat ernaast. Pen is een groot bewonderaar van de Nobelprijswinnaar. Niet alleen vanwege diens baanbrekende onderzoek op het gebied van de econometrie en zijn ideeën over ontwikkelingshulp, maar vooral ook om zijn soberheid.

Wie zou verwachten dat Jan Pen zich ergert aan zich verrijkende bankiers en elkaar bonussen toespelende managers, komt bedrogen uit.

Jan: ‘Iedereen mag net zo rijk worden als hij zelf wil. Ik ben erg voor miljonairs. Hoe meer miljonairs hoe beter. Op voorwaarde dat er fors inkomstenbelasting wordt geheven: 71 procent vanaf, laten we zeggen, twee ton. Als ze werken voor de schatkist zijn ze een zegen voor het land.’

Tiesse: ‘Heitie, bankiers en managers mogen toch geen miljoenen opstrijken.’

Jan: ‘Ik ben tolerant. Ik heb niks tegen hoge inkomens en bonussen. Als ze maar flink worden belast.’

Tiesse: ‘Jij vindt bankiers geen boeven.’

Jan: ‘Het zijn nuttige mensen.’

Tiesse: ‘Graaiende bankiers ook?’

Jan: ‘Het is aan anderen om daar kritiek op te hebben. Journalisten en zo. Dat ik daar nu ambtshalve kritiek op moet hebben... Ach’

Tiesse: ‘Niet ambtshalve. Jij hebt niet veel nodig en zij blijkbaar wel. En dat vind jij niet erg.’

Jan: ‘We wonen hier schitterend, ik heb niks te klagen.’

Tiesse: ‘Mijn vader telt zijn zegeningen. Dat zouden meer mensen moeten doen.’

Jan: ‘Ik ben altijd tevreden geweest. De mooiste tijd was mijn Haagse tijd, toen ik bij het ministerie van Economische Zaken werkte, van 1947 tot 1956. Het was de wederopbouw, we gingen met z’n allen dezelfde kant op.’

Tiesse: ‘Het hoogleraarschap in Groningen vond je ook geweldig. Dat vond je zo’n mooi baantje dat je zei dat je er eigenlijk voor zou moeten betalen in plaats van dat je ervoor werd betaald. Dat vond ik een heel sterke.’

Jan: ‘Johan Cruijff is schat- en schatrijk geworden. Tegen hem kun je toch moeilijk bezwaar hebben. Ik ben dan wel een egalitarist, maar ik heb niks tegen Johan Cruijff. Op voorwaarde dat zelfde verhaal.’

Tiesse: ‘Na de hoogtijdagen van Ajax heeft mijn vader zijn toch al niet al te grote interesse in voetbal geheel verloren.’

Jan: ‘Van de huidige generatie voetballers ken ik er niet een bij naam.’

Tiesse: ‘Je mist er niet veel aan.’

Jan: ‘Ik heb ook niks tegen de familie Brenninkmeijer van C & A. Die heeft dat zaakje heel goed opgezet. En dat ze daar de vruchten van plukken je moet een kniesoor wezen als je daar bezwaar tegen hebt.’

Een luis in de pels van de PvdA met eigenzinnige en vaak tegendraadse standpunten, schreef de Volkskrant in de necrologie.

Jan: ‘Ik was nauwelijks een luis in de pels van de PvdA.’

Tiesse: ‘Je was heel kritisch op wat de Partij van de Arbeid deed. Jij vindt dat ze te veel zijn afgeweken van de idealen van de SDAP en het niet meer opnemen voor de arbeiders. Dat de VVD het verkeerd deed in jouw ogen was wel duidelijk. Daar hoefde je geen woorden aan vuil te maken.’

Jan: ‘De PvdA heeft het egalitaire ideaal opgegeven.’

Tiesse: ‘En daar heb je altijd tegenaan lopen’

Jan: ‘Mopperen.’

Tiesse: ‘Mopperen.’

Jan: ‘Zo is het.’

Tiesse: ‘Luis in de pels is te scherp geformuleerd. Daar is mijn vader niet fel genoeg voor.’

Pens ideeën zijn dankzij de crisis weer actueel. Dat doet hem goed, maar hij roffelt zich niet op de borst. Heeft-ie nooit gedaan. En nu zijn wereld kleiner wordt al helemaal niet. Jan Pen komt niet veel meer buiten. Af en toe een ritje in de Opel Agila 1.2, met Tiesse achter het stuur. Op de achterruit is de anti-kruisrakettekening van Opland geplakt; die van die vrouw die een kruisraket een rotschop geeft.

Jan: ‘Ach, ik ben niet zo kritisch.’

Tiesse: ‘In dier voege Je richtte je op een paar dingen, net als Wim Kan. Inkomstenbelasting, ecotaks. En je had sterke ideeën over hoe Nederland ingericht moest worden. Niet te veel zware industrie, je wilde van Nederland een muziekland maken, een kunstland. Je wilde Schiphol ombouwen tot een plaats waar bejaarden gerieflijk zouden kunnen wonen, en waar kinderen naar muziekscholen kunnen gaan.’

Jan: ‘Mijn opinie is minder stellig. Ik formuleer het allemaal niet zo hard meer. Ik heb wel een harde stem als het moet.’

Hij schraapt zijn keel en declameert de eerste twee strofen van Die Grenadiere van Heinrich Heine.

‘Dan blijkt het grote verschil: de een wil naar zijn vrouw en zijn kind, de ander niet, die wil soldaat blijven.’

Tiesse: ‘Napoleon.’

Jan: ‘Het is het meest pacifistische gedicht dat ik ken.’

Tiesse: ‘Maar die ene wil blijven vechten voor de keizer.’

Jan: ‘Ja, ja, ja, het gaat om het verschil tussen die twee.’

Er valt een stilte. Niet voor het eerst, maar deze duurt langer.

Uiteindelijk zegt Jan: ‘Ik herken er een ideaal in. Het ideaal van het pacifisme. Nou, hup, het is mooi geweest.’

Tiesse: ‘Als je uit het raam kijkt, zie je een meneer voorbij schuifelen met twee stokken. Deze meneer heet Fabricius, een zoon van Johan, je weet wel, de schrijver van De scheepsjongens van Bontekoe. De vrouw van Johan heette Anneke. Weet je wie haar mantelzorger is geweest? Mijn vader!’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.