AchtergrondJongens van de bouw

Documentaire Jongens van de Bouw laat het rauwe leven in de bouwput zien

Bouwvakkers in actie bij de constructie van de Cobana, een appartementencomplex op Katendrecht.

Documentairemaker Geertjan Lassche liep twee jaar mee in een bouwput in Rotterdam. Een keiharde wereld, waar het groeiend aantal buitenlandse arbeiders de communicatie bemoeilijkt: ‘Your lucht alcohol. Not do it.’ 

‘Ik doe het voor de jongens op de bouw, die overal vandaan komen, in alle vroegte, door weer en wind, die soms enorme risico’s lopen en allemaal hierheen komen om een boterham te verdienen.’

In de bouwput van een appartementengebouw in Rotterdam is Stan de hoofduitvoerder van een klus waarvan hij denkt: dit ga ik nooit meer doen. ‘En uiteindelijk zijn we met z’n allen weer bezig.’

Stan werkt bij bouwbedrijf Heijmans en is een van de hoofdpersonen van de documentaire Jongens van de Bouw. Filmmaker en journalist Geertjan Lassche volgde twee jaar lang de constructie van Cobana, een gebouw met 350 appartementen op het Rotterdamse Katendrecht. De prijswinnende filmer gebruikte zijn beproefde methode. Net zolang blijven draaien tot niemand meer in de gaten heeft dat er een camera is.

Dat leverde niet alleen fraaie vergezichten op vanuit de bouwkraan. Gaandeweg leren we  in de bouwput een aantal sleutelspelers kennen. Zoals de doodzieke Johan (‘Wel iemand die staat voor zijn werk’), kraanmachinist Hans (‘Alleen zijn op de kraan is soms makkelijk – dan kan niemand zien dat ik aan het huilen ben’) en werkvoorbereider Carel, die niets liever wil dan ontsnappen uit deze ‘opgefokte maatschappij’.

Vlijmscherpe prijs

Aan de hondstrouwe uitvoerder Stan de taak de bouw binnen budget te klaren. En binnen de afgesproken 22 maanden, anders dreigt ook nog een fikse boete. Heijmans nam de klus aan tegen een vlijmscherpe prijs. In crisistijd, toen de bouw schreeuwde om werk. Als het heien begint draait de economie alweer op volle toeren. De kosten van personeel en bouwmaterialen lopen snel op, net als de vertragingen.

Dit is het krapste tijdbestek dat ik ooit heb gehad, zegt Stan in zijn kantoortje op locatie. De muren zijn behangen met papieren tijdschema’s, de ene deadline nog dreigender dan de andere. Ondanks ‘een moordend tempo’ besluit hij al snel dat zal worden doorgewerkt in de zomervakantie. ‘Ik stel mij beschikbaar.’ Om te verzuchten: ‘Vroeger hebben mensen hun best gedaan om niet meer op de zaterdag te hoeven werken. Waar stopt het? Als we niet oppassen gaan we straks de zondag d’r nog bij pakken.’

Lassche volgde met zijn camera eerder tal van subculturen en beroepsgroepen, van bergbeklimmers en artsen tot topschaatsers uit de Biblebelt en het Korps Mariniers. En nu dus de bouw. Een keiharde wereld, zag hij. Het deed hem het meest denken aan de mariniers. ‘Heel veel tegenslag incasseren. En meteen weer doorgaan.’ En daarbij gaat het in de bouw vooral om geld. ‘In de bouwkeet zijn de mannen wel betrokken bij elkaar’, zag hij. ‘Maar uiteindelijk telt vooral de portemonnee. Dan gaat iedereen voor zichzelf.’

In het gareel

Heijmans maakt voor de bouw gebruik van een leger van onderaannemers en buitenlandse arbeiders. Portier Leon probeert de mannen in het gareel te houden. Hij grossiert in korte instructies. Bij de registratie van een buitenlandse bouwvakker: ‘Family name? Nou ja, doe maar wat.’ Tegen een Pool die ruikt naar drank: ‘Your lucht is alcohol. Not do it.’

Leon weet hoe het werkt in de put. Les 1 voor zijn leerling-portier Mehmet: ‘Je hebt geen vrienden op de bouw. Jij bent de baas. Altijd.’ Dus laat ze maar schelden. Op een warme dag deelt hij ijsjes uit. Een cadeautje, maar toch ook weer niet. ‘Het brengt meer op dan het kost’, weet Leon. Waarna de bouwvakkers met het ijsje in de mond meteen weer doorgaan met het plaatsen van een loodzware betonnen wand.

Het project blijft grote ongelukken bespaard, enigszins tot verbazing van Lassche. Het snelle werken, het doorbeulen in storm en regen, het constant wisselen van bouwploegjes die elkaar niet kennen: het brengt grote risico’s met zich mee, zag hij. Net als het onbeholpen gebrabbel op de bouwplaats. Nederlanders, Bulgaren, Turken en andere buitenlandse krachten proberen zich te redden met slecht Engels, Duits en gebarentaal.

Portier Leon waarschuwt voor de veiligheid in die babylonische spraakverwarring: ‘Als er iets uit de kraan valt en je roept: ‘Onderuit!’, dan gaan ze nooit onderuit. Dat verstaan ze toch niet.’ De afhankelijkheid van buitenlandse arbeid zal ‘nog erger’ worden, voorspelt hij. ‘Er moet nog meer gebouwd worden. Nederlanders hebben we niet. Het zal toch van de buitenlanders moeten komen.’ Bij die buitenlandse bouwvakkers ziet hij overigens weinig ‘beleving’ in het werk: ‘Daar zit geen glimlach op.’

Slappe hap

Van de Nederlandse jeugd lijkt de bouw het voorlopig niet te moeten hebben. Leerling-bouwvakker Stef heeft geen zin om ook na zijn 30ste nog op de bouwplaats rond te lopen, met dat vroege opstaan en die vieze kleren. En bovendien: ‘Met je handen werken is toch niet meer van deze tijd.’ Slappe hap, vindt een van de verkeersregelaars van het project: ‘Mijn generatie weet dat je dood moet gaan om naar de hemel te kunnen. De generatie van tegenwoordig wil naar de hemel, maar ze willen niet dood.’

Daar komt bij dat de oudere, ervaren Nederlandse bouwvakkers al beginnen te kraken. Zoals Gerrit, die zich met behulp van antidepressiva door zijn werkdag sleept. Zijn collega Henri omschrijft hem als ‘een aflopende… nou ja, aflopende… Hij krijgt wel steeds meer klachten natuurlijk.’ Al bijna twintig jaar vertrekken ze met een ploegje van vier rond 5 uur ’s ochtends uit Genemuiden in Overijssel, naar klussen door het hele land. Henri: ‘Voor de rest spreken we mekaar nooit. Daar hebben we geen belang bij. Denk ik.’

Uiteindelijk is iedereen toch verslingerd aan het leven in de keet. Hoofduitvoerder Stan vindt het nergens mee te vergelijken, die sfeer, met zijn geintjes en grolletjes. Als timmerman Johan afscheid komt nemen – hij heeft door leverkanker niet lang meer te leven – heeft Stan een brok in de keel. ‘Bijna twee jaar zijn we met elkaar opgetrokken. Lief en leed gedeeld, bijna meer als thuis.’ Het vervaagt wel eens in het voortjakkeren van project naar project, maar ‘er zijn belangrijker dingen dan een gebouw’.

Jongens van de Bouw. BNNVara, NPO 2, zondag 15 december, 20.25 uur.

Wie is Geertjan Lassche?

Geertjan Lassche (1976) maakt documentaires voor de publieke omroep. Tot zijn bekendste werken behoren Brommers Kiek’n (2017) over plattelandsjongeren, Hemelbestormers (2014) over bergbeklimmers en Zwart IJs (2013) over orthodox-christelijke topschaatsers.

Reactie van bouwbedrijf Heijmans

Dat Heijmans documentairemaker Geertjan Lassche twee jaar lang liet meelopen op de bouw was een risico, erkent directeur Ton Hillen van het bouwbedrijf. Er had zomaar een betonplaat naar beneden kunnen vallen, voor de draaiende camera. Met alle gevolgen van dien, ook voor het imago van zijn onderneming. ‘Een ongeluk kan altijd gebeuren’, zegt Hillen. ‘Nog steeds zijn er zo’n twintig dodelijke ongevallen per jaar in de bouw. Als je dat wilt veranderen, dan moet je niet bang zijn om te laten zien hoe er vandaag de dag wordt gewerkt.’

Hillen koesterde de hoop dat Lassche een realistisch beeld liet zien van het werk op de bouw. En wat hem betreft is Lassche daarin geslaagd: ‘De film laat het rauwe leven op de bouw zien. Niet mooier dan het is. Onze mensen waren er heel enthousiast over. En daarmee is het een vertrekpunt voor verandering in ons werk, in veiligheid en in ons denken over de toekomst van de bouw.’

Om te beginnen ging het Hillen om waardering voor het handwerk van de bouwarbeiders, zegt hij. ‘Ik ben trots op onze mensen. Ze geven vorm aan Nederland. Tegelijkertijd zijn we als samenleving mensen die met hun handen werken steeds minder gaan waarderen. Daar verzet ik mij tegen. Iedereen heeft zijn eigen talent. En we hebben iedereen nodig. We moeten het niet alleen kunnen bedenken, maar ook kunnen maken.’

De bouw in Rotterdam heeft met zijn krappe begroting een enorme druk gelegd op zijn medewerkers, geeft Hillen toe. ‘In crisistijd hebben we dat hoge tempo op de koop toegenomen. Dat kan best een keer, maar het moet geen gewoonte worden.’

Dat op de bouw veel wordt gewerkt met onderaannemers, baart Hillen geen zorgen, al is het opletten. ‘Wie niet aan onze normen voldoet, doet niet meer mee.’ De gebrekkige communicatie met de vele buitenlandse arbeiders is problematischer. ‘Dat moet beter, ook voor de veiligheid. De voormannen zouden ten minste Duits of Engels moeten kunnen spreken. Misschien moet je naar een bredere oplossing, zoals een taalcursus voor alle nieuwe medewerkers.’

Uiteindelijk moet de bouw ook weer aantrekkelijk zijn voor Nederlands talent. Hillen: ‘Dat begint met respect voor mensen die met hun handen werken.’ En hoe liep het Rotterdamse project financieel af? Hillen: ‘We zijn er netjes uitgesprongen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden