Dit is een keiharde, rauwe tijd

De bonussen bloeien weer, de staat verdort. Heeft er dan niemand iets van de crisis geleerd? Prof. dr. René Tissen (55), hoogleraar bedrijfskunde aan Nyenrode, is nummer twee in een korte serie over de crisis van het kapitalisme: ‘We hebben de hele samenleving doordrenkt van gelddenken.’..

Hijzelf gelooft er weinig van dat de crisis wel zo’n beetje bezworen is. Je hoort het uit de mond van wat hij ‘de wetenschapseconomen’ noemt, de lieden die zich met handen en voeten gebonden hebben aan de groeimodellen en het gelddenken. Mag hij erop wijzen dat vrijwel niemand van hen de crisis heeft zien aankomen?

Hij zegt: ‘Aanvankelijk bleven ze maar praten over een milde correctie. Daarna ging het over een behoorlijke correctie. En toch, het leed zou spoedig zijn geleden.

‘De ontwikkelingen drongen hen in het defensief. De wetenschapseconomen begonnen te spreken van een recessie. Maar die was mild en goed beschouwd reuze gezond en zuiverend. Het werd een zware recessie en ten slotte de zwaarste recessie sinds de Tweede Wereldoorlog.

‘In Amerika is meer dan tien procent van de beroepsbevolking werkloos. De economie groeit niet maar krimpt. Daarmee is ruimschoots voldaan aan wat in de literatuur een economische depressie heet. Maar dat gedoemde begrip durven ze niet in de mond te nemen, de wetenschapseconomen niet en de politici evenmin.

‘We ontkennen graag’, stelt hij vast.

Mag hij er ook nog even op wijzen dat die wetenschapseconomen altijd hebben neergekeken op ‘het plebs’ – of is hij dan te gretig? Zo’n houding van: bemoeit u zich alstublieft niet met complexe zaken waarvan u zo kenbaar geen verstand heeft. Wij weten waarover wij spreken. Wacht u nu maar rustig af.

Zelf rekent hij zich tot ‘de burgereconomen’. Meestal zijn ze niet opgeleid als econoom, hetgeen dikwijls genoeg tot voordeel strekt. Ze zijn behoorlijk down to earth, die burgereconomen. ‘Ze stellen zich de retorische vraag: als een rekensom in mijn eigen huishouding niet deugt, waarom zou hij dan wel deugen in de nationale huishouding?’

Maar is de crisis nu bezworen?

‘De politici en de de economen die geen afscheid kunnen nemen van hun oude glorie kijken naar de grassprietjes. Het moeras zien ze niet. Ze zien twee grassprietjes. Ze zeggen tegen elkaar: jeetje, wat een mooi hockeyveld ligt daar.

‘Volgens de officiële tabellen en cijferreeksen is er wellicht enig licht in de tunnel. Maar waarom is de onrust dan nog zo overvloedig?

‘De onrust zit in het besef dat ons financiële systeem ons boven het hoofd is gegroeid en dat niemand er nog greep op heeft.

‘Ik ben iemand die dan concludeert: het systeem is kapot. Anderen zeggen: wat kapot is kun je repareren. Je kunt inderdaad alles repareren. Als de zuigers en de remmen versleten zijn, de versnellingsbak vervangen moet worden, de motor is vastgelopen, zal je een auto vast en zeker nog kunnen repareren. Is dat zinnig? Hoe lang zal het duren voordat de auto toch naar de sloop moet?’

Prof. dr. René Tissen (55) staat al zo’n dertig jaar met één voet in het bedrijfsleven, met de andere voet in de wetenschap. Hij werkte bij het studiecentrum van de werkgevers, de Baak in Noordwijk, hij was vennoot bij KPMG. Tegenwoordig is hij vooral hoogleraar bedrijfskunde op Nyenrode. Hij schrijft scherpe columns voor de website van RTL. Ze gaan over nieuwe bankencrises en over staten die failliet gaan.

Tissen: ‘Een van de allergrootste vergissingen die we vanaf het begin van de jaren negentig in Nederland hebben gemaakt, is dat we het Angelsaksische model hebben overgenomen. Toen is geld de drijvende kracht geworden.

‘Niet alleen onder bankiers. We hebben de hele samenleving doordrenkt van gelddenken. Ondernemingen zijn geldmachines geworden. Het zicht op de inhoud van de onderneming is helemaal verdwenen.’

Hij is opgevoed bij Van Leer, de vatenfabriek. ‘Van Leer was een ideële multinational. De helft van de winst ging naar de Bernard van Leer Foundation. Er bestond een klimaat van: we doen het niet voor het geld, we doen het niet voor de aandeelhouders, we doen het voor een ideaal. Het gaf de onderneming een enorme stabiliteit.’

Een kalend rond hoofd, ronde bril. Hij kan niet goed nadenken en tegelijk stilzitten. Regelmatig springt hij op uit zijn stoel en begint aan een partijtje ijsberen

René Tissen bewoont een schitterende villa aan een van de lommerrijke lanen van Hilversum. ‘Ik weet vanaf mijn eerste bewustzijn dat niets vanzelfsprekend is. Ik heb geluk gehad. Ik heb goed verdiend, zeker toen ik vennoot was bij KPMG. We hebben in twintig jaar dit huis kunnen opknappen tot een warm familiehuis en een Pippi Langkous-huis voor de kinderen.’

Hij is consultant maar allesbehalve een patser. Eerder een gevoelsmens die woorden als ‘warmte’ en ‘samen’ in de mond neemt. Hij blijkt nagenoeg volkomen selfmade.

‘Ik ben van een Duitse moeder die, ongehuwd, kort na de oorlog naar Nederland kwam. Ik heb geen idee hoe ze in Rotterdam terecht is gekomen. Ze heeft er tegenover mij altijd over gezwegen.

‘Mijn zusje is nog in Duitsland geboren. Ook zij is van een onbekende vader. Nou ja, ik wist wie mijn vader was. Maar daar moest over gezwegen worden.

‘Hij woonde vier huizen verderop. Er bestond een absoluut verbod hem op te zoeken. Hij was een zware alcoholist, zo’n echte alcoholist zoals je ze tegenwoordig eigenlijk niet meer ziet.

‘Ik zal 30 jaar zijn geweest toen ik hem voor de eerste keer sprak. Eigenlijk ontkende hij mijn vader te zijn. Hij zei wel: wat ik voor je heb gedaan is dat ik je een naam heb gegeven. Er zit een zekere schoonheid in zo’n opmerking, vind je niet? Het idee van: ik heb je een juridisch recht van bestaan gegeven.

‘We woonden in het Oude Noorden van Rotterdam, in de Ackersdijkstraat. Dat heeft het leven gekleurd. Het Rotterdam van die tijd, het gezin waarin ik leefde openbaarde zich aan mij niet als geweldloos. Het was een rauwe buurt van mensen die op de rand van de armoede leefden en daaronder.

Mijn moeder zei altijd tegen me: ‘Jij bent het ergste wat in mijn leven kon gebeuren. Dat komt voor in het leven hè, dat een moeder niet zo veel opheeft met haar kind.’

Hoe lost men zoiets op?

‘Je leert jezelf goed kennen. In je denken, niet in je lijf. Ik heb een schonkig lijf dat niet mee wil doen.

‘Ik was altijd in gedachten verzonken, liep op straat met mijn hoofd tegen lantaarnpalen. Ik werd al vroeg ‘het professortje’ genoemd.

‘Verder ben ik overdreven beschermend voor de kinderen. Ik duik op de kinderen. Ik zit er bovenop. Ik bewaak ze. Nee, proportioneel is het niet. Maar ze vinden het niet erg.’

Vindt u het zelf niet hinderlijk?

‘Nee, want het is een prettige manier van compenseren.

‘Ik heb in mijn jeugd geleerd wat beschaving betekent, door het tegendeel te ervaren. Hetzelfde gold voor tolerantie. Ik ervoer de intolerantie die een kind van een ongetrouwde Duitse vrouw in het naoorlogse Rotterdam ten deel valt.

‘Ik kan mij heel wat voorstellen bij de problemen die Turken en Marokkanen hier ondervinden. Mij doet het pijn in het hart dat ik de samenleving almaar zie verharden.

‘Mijn vrouw en ik proberen onze kinderen elke dag voor te houden: we moeten het in onze wereld van elkaar hebben. Ik ben nog van het oude denken dat je elkaar naar een hoger niveau kunt brengen.’

Misschien is de vraag een beetje plat, maar neemt u met dit soort stellingnames in zekere zin revanche op uw jeugd?

‘Daar moet ik over nadenken.

‘Ik denk dat ik een sterke behoefte heb te laten zien dat het anders kan. Ik geloof in ontwikkeling, in beschaving. Ook nu nog.

‘Ik ervaar deze tijd als net zo rauw en onveilig als toen ik opgroeide in het Oude Noorden van Rotterdam, zeg maar tussen 1955 en 1965. Het is een keiharde, rauwe tijd waarin niets zeker is, waarin alles eerder voor afbraak dan voor opbouw in aanmerking komt.’

De bonussen bloeien weer, de staat verdort. Voordat we dieper ingaan op de vraag of we op weg zijn naar het einde, wijst hij op een sociaal effect van de crisis dat in het bedrijfsleven nu al volop zichtbaar is.

Tissen: ‘Vanuit het gelddenken zie je de managers in de bedrijven een soort dubbelslag maken. Ze zeggen tegen hun werknemers: wees maar blij dat jou niet het lot treft van de anderen en dat je mag blijven. Maar nu moet je wel 200 procent harder werken.

‘De afslanking wordt intern omgezet in een enorme verhoging van de prestatiedruk.

‘Een ondernemer wiens naam ik niet zal noemen heeft in zijn bedrijf libbies geïntroduceerd, als virtueel geld. Het kan dagelijks worden uitgedeeld of ingenomen. Als jij iets goed doet, krijg je een libbie. Als je iets niet goed doet, wordt een libbie teruggenomen.

‘Nee, ik ga echt de naam niet noemen. Je zou van je stoel vallen als je hoort om welk bedrijf het gaat.

‘Ik weet van een medewerker die op vrijdagavond kwart voor tien met zijn chef terugkwam van werk. Die chef zei: ‘Zullen we nog even jouw performance van vandaag evalueren?’ Het was vrijdagavond laat, mind you. ‘Noem eens drie sterke punten van vandaag en drie van je zwakke punten.’

‘Op zo’n moment denk ik: er is een wereld aan het ontstaan die niet meer de mijne is. Misschien moeten we zeggen: jongens, we moeten echt eens bij elkaar kruipen.’

Zou dat helpen?

‘De Duitse socioloog Tönnies sprak over de wenselijkheid van Gemeinschaft versus Gesellschaft. Gesellschaft gaat over geld, Gemeinschaft over kinderen.

‘Mensen zien dat alles om hen heen afkalft. Ze worden hard aangestuurd. Ze worden onzeker gemaakt. Ik begrijp niet dat we ons geen grote zorgen maken over zo’n samenleving.

‘Dat is het grote verschil met de jaren dertig. Mensen zijn nu fundamenteel onzeker geworden. Er bestaat zoiets als existentiële angst op grote schaal.’

Amerika is voorop gegaan in een programma van ettelijke honderden miljarden om het bestaande overeind te houden. Was dat terecht?

‘Ik aarzel. We bevinden ons op de Purgatorio van Dante’s Divina Commedia, de louteringsberg tussen hemel en hel. Het zou kunnen dat Bernanke, de president van de federale bank in de VS, zo’n visionair is dat hij in de crisis aller crisissen de enig juiste weg heeft gevonden.

‘De Amerikaanse regering en al die regeringen die het spoor volgden, hebben tijd gekocht. Immers, tijd en geld voorkomt geweld. Bernanke kocht met heel veel geld een beetje tijd. Misschien is hij een briljante man.

‘Ik moet eerlijk zeggen: ik heb er begrip voor. De werkelijkheid is in veel gevallen te bedreigend om onder ogen te zien. Dus krijg je politici die zeggen: laten we maar even terugkeren naar het oude systeem van geld en groei zodat we tijd krijgen om op adem te komen.’

Veronderstel dat we het gordijn zouden wegtrekken...

‘En we de naakte waarheid zouden zien? Standard & Poor’s, de Amerikaanse kredietbeoordelaar, hebben Griekenland al afgeschreven. Daar is zo’n torenhoog begrotingstekort opgebouwd dat iedereen zich afwendt. Er zijn tien miljoen Grieken.

‘Het zijn tien miljoen mensen die de armoede ingaan, echte armoede, hoor.’

Kunnen staten failliet gaan?

‘Absoluut. Griekenland heeft de zaken veel te rooskleurig voorgesteld. Ze vallen nu door de mand. Maar er zijn veel meer landen die feitelijk failliet zijn. De burgereconoom weet dat de Griekse situatie eveneens geldt voor Italië. Iets minder bekend is dat Frankrijk met zijn grandeur ook op de rand van het ravijn leeft. Alleen, die landen worden nog niet afgewaardeerd door Standard & Poor’s. Een land als Engeland is feitelijk failliet.

‘De vraag is of het erg is. Anders geformuleerd: wat merken we ervan?’

Heel veel, als zo meteen onderwijzers hun geld niet krijgen, politiemensen ontslagen worden, ziekenhuizen moeten sluiten.

‘Dan houdt het op, inderdaad. In California, de zesde economie van de wereld, kan de staat niet meer aan zijn betalingsverplichtingen voldoen. Vier maanden geleden zijn zogenaamde I-owe-you’s uitgedeeld aan ambtenaren. Waardepapieren zijn het, waarop vermeld staat wat jij als ambtenaar nog krijgt van de staat California. Als het er ooit van komt.’

Larry Fink, die als baas van het Amerikaanse Blackwater 2.200 miljard euro aan vermogen beheert, zei vorige week in NRC-Handelsblad dat de enorme begrotingstekorten van de ontwikkelde landen hem beangstigen. Terecht?

‘Hij zei inderdaad ‘beangstigen’. Dat moet men lezen als: ik ben in paniek.’

Wonen we in een kaartenhuis?

‘Jawel. Maar ook een kaartenhuis is een huis. Zolang het althans niet instort. Er is dat oude filosofische raadsel: maakt een omvallende boom geluid, ook als er niemand in de buurt is?’

Zijn failliete staten te redden, zoals failliete banken?

‘Ja, door niets te doen. Er gebeurt niets zolang overheden in staat zijn hun schulden onder te brengen bij anderen. Zolang niemand zegt: mag ik even afrekenen, is er niets aan de hand.

‘Er is de harde afspraak in Europa dat bezuinigd moet worden bij overschrijding van 3 procent aan begrotingstekort. Wat als we nu zeggen: een tekort van 12 procent is ook goed, de werkelijkheid is veranderd en vanaf morgen vinden we 12 of 15 procent ook gezond?’

Maar hoe kun je van een toestand die evident ongezond is iets gezonds maken?

‘Door het domweg af te kondigen. Door hardop te zeggen: dames en heren, vanaf vandaag is 15 procent ook gezond.

‘Er is een titel voor. Het heet bluffing your way out of the crisis. Ik ben er niet voor, hoor. Ik zeg: zie alsjeblieft je problemen onder ogen. Maar gewoon doorgaan met te ontkennen dat je een gigantisch probleem hebt – bestrijd maar eens dat daarin geen schoonheid schuilt.’

Is het niet vooral een nieuwe fase van krankzinnigheid?

‘Rienk Kamer, de beursgoeroe, heeft het mooi gezegd. Hij zei: we leven in een psychedelische samenleving waarin niemand de ander nog begrijpt.

‘Persoonlijk vind ik dat het allerergste van de situatie waarin onze wereld zich bevindt.

‘Mijn Marie-José mag graag zeggen dat je in een goed huwelijk niet ieder probleem moet willen oplossen. Misschien is het onder de gegeven omstandigheden inderdaad nog maar het beste om het probleem te laten zijn wat het is, een probleem. Maar ik ben niet gerust op de afloop.’

For the sake of the argument: als we bij de kruidenier eindeloos op de lat mogen staan en de kruidenier heeft datzelfde voorrecht bij zijn groothandel, is dan niet iedereen eindeloos gelukkig?

‘Maar is dat nou niet precies wat we hebben gehad? En ging het in 2008 niet mis doordat ergens in die eindeloze keten van geldtransacties opeens enkelingen zeiden: mogen we even geld zien?

‘Tegelijk zeg ik: misschien zie ik het volkomen verkeerd.’

Wat zou er dan mis zijn met uw denken?

‘Zal ik heel eerlijk zijn? Ik ben heel intensief bezig met deze materie. Ik wil bewijzen dat het anders kan. Ik redeneer mezelf aan stukken. Ik ben onzeker. Soms denk ik: misschien ben je wel gaga aan het worden.

‘Misschien blijkt over twee jaar dat het hele zaakje zich ineens stabiliseert. Ik geloof het niet, maar ik mag het niet uitsluiten.’

Hij staat op uit zijn witte leren stoel. ‘Mag ik nog iets relativerends zeggen? We moeten niet vergeten dat ook tijdens de Grote Depressie mensen verliefd werden, warme levens hadden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden