Directeur Don van het CPB pareert kritiek op voorspellingen 'Zo extreem verkeerd zijn onze berekeningen niet'

Drie economen rekenden uit dat de voorspellingen van het Centraal Planbureau over de koopkracht onbetrouwbaar zijn. Directeur H. Don geeft ze een koekje van eigen deeg....

Van onze verslaggevers

Mike Ackermans

José Smits

DEN HAAG

Wat doen de rekenmeesters van het Centraal Planbureau als wordt gezegd dat ze niet goed rekenen? Ze gaan rekenen. Daarom weet Henk Don, directeur van het CPB, inmiddels dat de beschuldiging van drie economen van het ministerie van Economische Zaken over de onbetrouwbaarheid van koopkrachtramingen niet klopt.

'Ze hebben een fout gemaakt met de cijfers over het jaar 1983. Wij zouden er 5 procent naast zitten met onze voorspelling van de koopkrachtontwikkeling bij de modale werknemer. Maar ze hebben zich in een cijfer vergist. Als je die fout eruit haalt en alles opnieuw uitrekent, blijkt dat we er niet zo extreem naast zitten.'

Tegelijk erkent Don dat zijn bureau onzekere ramingen produceert. 'We proberen de ontwikkelingen zo goed mogelijk te voorspellen. Maar de onzekerheidsmarges zijn groot. Een waardestijging of

-daling van de dollar van tien cent, heeft groot effect op de koopkrachtontwikkeling. Niemand kan voorspellen wat de dollar doet.'

Volgens de berekeningen van de drie economen waaruit de Volkskrant publiceerde, wijken de ramingen voor minimuminkomens ruim 3 procent af van de werkelijke uitkomst. Voor modale inkomens is dat 7,6 procent. Na correctie voor de fout die het CPB constateerde, valt de foutenmarge terug tot maximaal 5,6 procent.

Don plaatst kanttekeningen bij die uitkomst. De drie economen gaan er in die berekening van uit dat er een betrouwbaarheidsmarge is van 95 procent. Don: 'Dat betekent dat de ramingen eens in de twintig jaar niet hoeven te kloppen. Dat is te veel gevraagd. Bij een marge van 60 procent mag je er eens in de drie jaar naast zitten. Als je dat doet, en dat is redelijk, blijkt dat we de afgelopen jaren driekwart procent afweken.'

Koopkrachtramingen spelen in de politiek een grote rol. In het regeerakkoord is vastgelegd dat de regering zorg draagt voor gelijkwaardige inkomensontwikkeling. Dat wordt afgemeten in kwarten van procenten. Als de uitkeringsgerechtigde een kwart procent in inkomen zakt, en de modale werknemer gaat een half procent vooruit, dan ontbrandt een politieke strijd om 'reparatie' van dat verschil.

Heeft zo'n strijd zin, als het verschil wegvalt in de gewone foutenmarge? Don: 'Of de ramingen bruikbaar zijn, is iets wat ik aan de politiek overlaat. Wij vinden het redelijke afwijkingen, maar ik begrijp best dat politici ze onprettig groot vinden. Tegelijk weten we ook dat afwijkingen van de ramingen meestal in gelijke mate voor alle inkomensgroepen gelden. Als de modale werknemer meer vooruit gaat dan was voorspeld, dan blijkt dat ook te gelden voor de minimumgroepen. De trend is doorgaans goed.'

De critici van het CPB geven dat toe. Zoals ze ook erkennen dat de koopkrachtramingen een goed instrument blijven om effecten van afzonderlijke regeringsmaatregelen te berekenen. De onzekerheid wordt meer veroorzaakt door externe factoren op de wereldmarkt (zoals de dollar- en olieprijs) dan door het nationale beleid. Als bijvoorbeeld in september dit jaar staatssecretaris Vermeend zijn plannen voor belastinghervorming presenteert, en daarbij zegt wie er op voor- of achteruit gaat, dan mag hij daarin worden vertrouwd.

De koopkrachtplaatjes van het CPB krijgen ook kritiek omdat ze uitgaan van de fictie dat ieders inkomen voor jaren vaststaat. In werkelijkheid vindt de werkloze een betaalde baan, raakt de modale werknemer arbeidsongeschikt en gaan kinderen studeren. Tweede-Kamerleden willen meer cijfers over trends bij zulke verschuivingen. Don zegt dat het voor het CPB moeilijk is om die te geven. Het Centraal Bureau voor de Statistiek levert die gegevens alleen achteraf.

'Je kunt het niet of heel moeilijk ramen. We proberen trends te analyseren. De laatste jaren bijvoorbeeld is er in onze cijfers steeds sprake van behoud van koopkracht, terwijl het nationaal inkomen flink is gegroeid. We proberen dan aan te geven waar die groei terecht is gekomen: bij de mensen die betaald werk hebben gevonden, de herintreders en uitkeringsgerechtigden.'

De politiek liet zich eerder dit jaar verrassen door miljardentegenvallers bij de sociale fondsen, ook al verkeerd geraamd door het CPB. Don verklaart nog eens hoe dat kon komen: 'De groei van het Bruto Nationaal Product kunnen we tot op 1 procent voorspellen. Dat is een resultaat dat in andere disciplines jaloezie wekt. Maar we hebben het over een BNP van zevenhonderd miljard. Eén procent marge betekent voor de politieke besluitvorming een miljardenverschil. Als ik vanaf morgen de deur van het Planbureau dichtdoe en er wordt niets meer berekend en gepubliceerd, dan zal de onzekerheid alleen maar toenemen.'

Don prijst de politiek, omdat alle partijen de laatste jaren verstandig omspringen met de ramingen van het CPB. 'Bij de laatste formatie is men voor het eerst gaan werken met de scenario's die wij aanboden: een behoedzaam en een gunstig. Het behoedzame werd uitgangspunt voor beleid. Als de ramingen dan anders uitkomen, loop je minder risico. Dan heb je vooral meevallers.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden