Dierenleed: waanzin van een ziek systeem of onveranderd eetpatroon?

Dierenleed in de stal blijft te abstract voor de burger

Talloze met fipronil besmette kippen worden geruimd. Bij stalbranden zoals in Erichem sterven duizenden dieren. 'Zielig', vindt de Nederlander en steekt de barbecue aan. Is de consument echt zo onverschillig?

Gasten bij restaurant Omelegg in Amsterdam. Ondanks het gifeierenschandaal van deze week, zat Omelegg vol. De eigenaar van het restaurant is ervan overtuigd dat zijn ingrediënten 'schoon' zijn. Foto Aurelie Geurts / de Volkskrant

Dierenactivisten vinden het een gruwelijk idee. Pluimveehouders willen hun met fipronil besmette kippen ruimen. De dieren leggen voorlopig geen verkoopbare eieren, maar moeten wel eten. Om geld te besparen, willen de pluimveehouders de - verder gezonde - kippen afmaken. Een vijftal dierenorganisaties probeerde de afgelopen dagen tevergeefs de ruiming tegen te houden.

Terwijl die strijd plaatsvond in de rechtbank, leken de meeste consumenten zich vooral bezig te houden met hun eigen welzijn: hoe giftig zijn die eieren nou eigenlijk? Voor de zekerheid slaan veel mensen de komende dagen hun zachtgekookte eitje even over en dat is dan dat. Van eerdere voedselschandalen weten we: ze leiden niet tot een grote verandering van eetgedrag.

Neem de stalbrand in Erichem, vorige week. Alle 20 duizend varkens in De Knorhof kwamen om. 'Het is een drama, maar wat doe je eraan?', zei de vader die met zijn twee dochters was gaan kijken bij de ingestorte varkenshouderij, in de Volkskrant. De meisjes vonden het 'heel zielig', maar die avond ging de barbecue gewoon weer aan.

Een week eerder: brand in een pluimveebedrijf in Nederweert. Alle 76 duizend kippen moesten worden geruimd. Het ging zelfs geruisloos voorbij.

Onverschilligheid

Al die gebeurtenissen leggen de uitwassen bloot van de intensieve veehouderij. 'Ze laten zien over wat voor enorme aantallen we het hebben', zegt Herman Lelieveldt, auteur van het boek De voedselparadox: Wat ons streven naar beter eten dwarsboomt. 'En hoe moeilijk het is om zo intensief dieren te houden op verantwoorde wijze.'

Toch lijken de meeste Nederlanders er relatief ongevoelig voor. Waar komt die onverschilligheid toch vandaan?

Hollanders zijn nu eenmaal behoorlijk stoïcijns in hun consumptie, zei varkenseconoom Robert Hoste eerder dit jaar in de Volkskrant. Ten tijde van de gekke koeienziekte (BSE) liep in Duitsland de consumptie van rundvlees fors terug, voor lange tijd. Nederlanders aten al na zes weken weer evenveel rundvlees als voorheen.

Volgens de Wageningse consumptiesocioloog Hans Dagevos is dat te kort door de bocht. Dat Nederlanders deze week niet massaal veganist zijn geworden of op het Malieveld het einde van de bio-industrie eisten, wil volgens hem nog niet zeggen dat dierenwelzijn ons geheel koud laat. 'Er is een doordruppeleffect. De verkoop van rundvlees trok na BSE meteen weer aan, maar in tien jaar tijd is die wel degelijk teruggelopen.'

Het aantal vegetariërs en flexitariërs is inderdaad toegenomen, blijkt uit onderzoek van de Universiteit Wageningen. Consumenten kopen langzaam maar zeker steeds meer duurzaam voedsel, maar het marktaandeel is met 8 procent nog altijd klein. 'Het is een nichemarkt en dat zal voorlopig ook zo blijven', zegt Lelieveldt. 'Zo lang de prijsverschillen zo groot blijven, verandert dit niet.'

De Nederlander heeft volgens Lelieveldt twee gezichten. 'De bezorgde burger die thuis op de bank zit, de krant leest en zich zorgen maakt over het milieu en dierenwelzijn. En de consument in de supermarkt die op jacht is naar een koopje.'

Lees verder onder de foto.

Een megastal in Moergestel Moergestel, waar de kippen nooit daglicht zien. Foto Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Consumentencultuur

Als het om eten gaat, is de Nederlandse consument decennia lang opgevoed om in de eerste plaats naar de prijs te kijken, zegt Lelieveldt. 'De voedselcultuur is hier erg prijsgericht. Dat komt omdat supermarkten zich zo profileren.' Grote ketens vechten al jaren een prijzenoorlog met elkaar uit. 'Dat heeft een bepaald verwachtingspatroon gecreëerd.'

In landen als Frankrijk en Italië bestaat een heel andere consumentencultuur als het gaat om voedsel, zegt Lelieveldt. 'Daar zijn mensen bereid om meer geld aan goed eten uitgegeven.' Hoewel er net zo goed plofkippen en kiloknallers bestaan als in Nederland, ligt de nadruk er volgens hem meer op kwaliteit, dan op prijs. 'Italiaanse banketbakkers maken taartjes van 28 euro, die worden kennelijk gekocht. In Nederland zie je dat alleen in Amsterdam Oud-Zuid.'

Er is nog een verklaring voor de onverschilligheid: veel van de schade aan dier en milieu die gepaard gaan met de intensieve veehouderij voltrekt zich buiten het zicht. Het is abstract leed. Lelieveldt: 'Alle elementen die je niet onmiddellijk ziet, proeft of ruikt, zijn onbelangrijk voor veel consumenten.'

Aan de andere kant: geheel onzichtbaar zijn de uitwassen van de bio-industrie ook niet. Incidenten die de minder fraaie kanten van de vlees- en zuivelindustrie aantonen, halen geregeld het nieuws. Organisaties als Wakker Dier confronteren consumenten in expliciete tv-spotjes geregeld met de herkomst van hun vlees. 'Mensen hebben de neiging dat soort kennis weg te drukken als het ze niet goed uitkomt', zegt filosoof Erno Eskens die het boek Democratie voor dieren schreef, een pleidooi voor dierenrechten.

Keurmerken dragen in zekere zin ook bij aan het sussen van het geweten, zegt Eskens. 'Denk aan het Beter Levenkeurmerk van de Dierenbescherming.' Vlees krijgt één tot maximaal drie sterren, al naar gelang de kwaliteit van leven. 'Producten met één ster stellen nog altijd bar weinig voor als het gaat om dierenwelzijn, maar het geeft mensen wel het idee dat ze goed bezig zijn.'

Deze scharrelvarkens hebben een veel beter leven dan hun soortgenoten in de intensieve veeteelt. Foto Marcel van den Bergh / de Volkskrant

De consument is in veel opzichten onverschillig en dat zal niet snel veranderen. Maar is het de verantwoordelijkheid van burgers alleen de problemen in de voedselindustrie op te lossen? Lelieveldt: 'De burger kan het niet zelf, dat zien we telkens weer bevestigd. Als we iets willen veranderen moet het ook van de overheid komen.'

Hoe? Door in te spelen op dé gevoeligheid van veel Nederlanders: de prijs. 'De btw op dierlijke producten moet omhoog. Tref consumenten in hun portemonnee en er gaat iets veranderen.'