Dienstmeisje is lucratieve handelswaar

Nieuwe verdragen zijn mooi, maar dienstboden hebben er niets aan. Ze blijven slachtoffer als mensenhandel niet wordt aangepakt, betoogt Antoinette de Vlieger....

Antoinette de Vlieger

Onlangs accepteerde het raadgevend parlement van Saoedi-Arabië, de shura, een wet ter bescherming van de meer dan anderhalf miljoen dienstmeisjes in dat land. Human Rights Watch deed daarna onmiddellijk een oproep aan het Saoedische kabinet – dat zijn goedkeuring nog moet geven – om meteen enkele broodnodige verbeteringen in de wet aan te brengen. Hoewel de mensenrechtenorganisatie daarin groot gelijk heeft, zullen de gevraagde aanpassingen waarschijnlijk net zo weinig effect hebben als de wet in haar huidige vorm. Controle door de International Labour Organization ILO, de arbeidsorganisatie van de Verenigde naties, zal wellicht meer resultaat opleveren.

In Nederland zijn weinig mensen rijk genoeg om iemand fulltime in huis te nemen tegen betaling van het wettelijk minimumloon. In veel andere landen is de aanwezigheid van zo’n allesreiniger nog heel gewoon. Omdat miljoenen dienstboden van het ene continent naar het andere stromen, worden ze ook wel aangeduid als de nieuwste handelswaar. Vrouwen die in de Filippijnen twintig dollar per maand verdienen, reizen graag naar het Midden-Oosten om het tienvoudige te krijgen. Leuk is het werk niet. Het het gaat geregeld gepaard met vernedering, uitbuiting en misbruik. Dit is altijd zo geweest en om te voorkomen dat het altijd zo blijft, heeft de ILO besloten een verdrag te schrijven met minimumrechten voor deze vrouwen.

Blijkens de in Saoedi-Arabië geaccepteerde dienstbodewet vallen de dienstboden er niet onder de arbeidswet. Dit gebeurde waarschijnlijk in reactie op het rapport van Human Rights Watch, dat beschreef hoe meisjes uit Sri Lanka in Saoedi-Arabische gezinnen enorme risico’s lopen, dat ze niets betaald krijgen en dat lichamelijk en geestelijk geweld en seksueel misbruik aan de orde van de dag is.

Het kabinet zal de wet naar verwachting invoeren zonder al te veel wijzigingen. De ILO zal het toejuichen, maar het effect zal helaas minimaal zijn. Andere wetten en verdragen hebben in dit land namelijk ook weinig effect gehad op de positie van de vrouwen. Zo tekende het land al in 2000 het verdrag tegen discriminatie van vrouwen (CEDAW). Toch hangen op winkeldeuren bordjes dat vrouwen er niet in mogen. Zij zijn van veel beroepen uitgesloten en kunnen geen rijbewijs krijgen. Er is zelfs bijna niemand die het vrouwenverdrag kent; ook rechters en advocaten weten van niets.

Een ander verdrag, dat Saoedi-Arabië eerder tekende, dat ook belangrijk is voor de dienstboden, is het verdrag tegen mensenhandel. Hierin staat onder meer dat iemand slachtoffer is van mensenhandel als zij gerekruteerd is door fraude of bedrog. Bij veel dienstmeisjes is dat het geval.

Werkgevers betalen duizenden dollars voor een ‘getraind’ dienstmeisje, dat in de Filipijnen in drie uur uitgelegd heeft gekregen hoe elektrische apparaten werken. De dienstboden op hun beurt tekenen een overheidscontract waarin staat dat ze minimaal 400 dollar (278 euro) moeten krijgen. Ongeveer de helft denkt dit echt te gaan verdienen, terwijl de doorsnee Saoedische werkgever 200 dollar betaalt. Hij weet van zijn kant niets van dit contract, want wie uitzendbureaus in Riyad de vraag stelt of de dienstboden thuis iets hebben getekend, krijgt antwoorden als: ‘Wij doen in Saoedi-Arabië niet aan contracten. Ze zal voor twee jaar uw slaaf zijn’, of: ‘Het werkt zo: u haalt haar van het vliegtuig, brengt haar naar huis en doet de deur op slot. Na twee jaar doet u de deur weer open.’

Op basis van het verdrag tegen mensenhandel, is de overheid verplicht om dit soort praktijken tegen te gaan. De bureaus die in de fout gaan, dienen hun licentie in te leveren en de betrokken handelaren moeten worden vervolgd. Helaas gebeurt dit niet, bijvoorbeeld omdat die persoon een tweede baan heeft bij het ministerie van Arbeid of Justitie. Als dat niet het geval is, dan zit er niets anders op dat iemand om te kopen.

En daar zit het grote probleem. Er is erg veel geld te verdienen met de handel in dienstmeisjes en andere arbeiders, ongeveer even veel als in de illegale wapen- of drugshandel. Als godfathers bedienen de handelaren zich van bedrog, geweld en omkoperij. Nou zijn dat toevallig middelen waar veel overheden ook niet vies van zijn. Zowel in het Midden-Oosten als in landen van herkomst van de vrouwen, zoals de Filipijnen, zijn de regeringen corrupt tot op het bot. Het is dus in feite een vreemde gedachte te verwachten dat deze overheden de vrouwenhandel zullen gaan aanpakken.

Als we echt iets voor de dienstboden willen doen, dan moeten we dat overlaten aan een andere instantie. Er zou een verdrag moeten komen, dat stelt dat alleen bij de ILO geregistreerde bureaus arbeiders de grens over mogen brengen. De ILO zou vervolgens wereldwijd steekproefsgewijs moeten controleren of alle regels nageleefd worden. Is dat niet het geval, dan verliest het bureau zijn internationale licentie. Wie zich opnieuw schuldig maakt aan deze mensenhandel, zou wereldwijd moeten kunnen worden vervolgd.

De ILO medewerkers zijn over het algemeen geen stamgenoot of zwager van de mensenhandelaren. Bovendien verdienen ze voldoende om minder vatbaar zijn voor corruptie. Pas als we op deze manier de regels afdwingen, zullen dienstboden echt iets aan wetten en verdragen hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden