Die drie maanden vlinderen zijn bepalend geweest

Kars Veling (48) over zijn passie voor vlinders...

Ik was pas nog in het vlinderparadijs van Europa: Bulgarije. Bloemrijke graslanden zo ver het oog reikt, af en toe komt er een kudde schapen langs. Ik heb er een week rondgelopen en wel 118 soorten vlinders geteld. Heerlijk. Wat een rijkdom.

Die variatie had je vroeger in Nederland ook. Maar nu: er zijn hier nog vijftig soorten. Wil je die allemaal zien, dan moet je gedurende twee, drie jaar alle plekjes in Nederland afzoeken. Ja, dat is dan toch wat armzalig. Ik wil niet zeggen dat de strijd verloren is, maar het gaat ook niet hard de goede kant op.

Ik ben nu precies 25 jaar met vlinders bezig. De Vlinderstichting bestaat ook 25 jaar. Het begon een beetje toevallig. Tot mijn negentiende had ik niet eens oog voor vlinders. Des te meer had ik met vogels. Als klein jochie zat ik tijdens onze vakanties in Ermelo al om zes uur ’s ochtends in een jachthut. Daar bleef ik dan uren vogels kijken. Wij woonden in de Betuwe, in Culemborg, en met een vriendje ging ik altijd het veld in.

Ik wilde boswachter worden, of bioloog. Maar ik was een dromerig type, een chaoot ook, ik bleef iedere keer zitten op de havo. Ik ben na de middelbare school de lerarenopleiding gaan doen, biologie. En toevallig was er in het afstudeerjaar een mogelijkheid om iets met vlinders te doen. Ik heb toen drie maanden met vier medestudenten in een huisje in de Peel gezeten, voor vlinderonderzoek. Toen is de vonk overgeslagen.

Dat kwam ook wel door de sfeer. Drie maanden in een boswachtershuis, midden in de Peel, een lange, hete zomer. Dat was romantisch. We waren daar gewoon heerlijk communetje aan het spelen. ’s Avonds een kampvuur maken, eten, drank erbij, muziek maken. En overdag het veld in, vlinders inventariseren. Kilometers vreten. Fietsen, veel lopen, een vlindernetje mee en alles opschrijven. Mijn eerste relatie is ook daar ontstaan, met een van de medestudenten met wie ik aan het vlinderen was. Ja, het kon allemaal niet idealer.

Die drie maanden zijn voor mij bepalend geweest. En ik leerde natuurlijk heel veel over vlinders. Zelden is een gebied in Nederland zo uitgebreid geïnventariseerd als toen. Niet lang daarna, in 1983, werd de Vlinderstichting opgericht. Uit een groot, landelijk vlinderproject van de Landbouwhogeschool Wageningen was gebleken dat heel veel vlindersoorten uit Nederland waren verdwenen. Het ging echt heel slecht. Vandaar de oprichting van de Vlinderstichting. Wij hebben direct ons hele, enorme pakket aan gegevens opgestuurd. Zelf werd ik vrijwilliger bij de stichting. Ik ben ook alsnog biologie gaan studeren. Mijn hoofdvak was: systematiek van Surinaamse mosjes. Als bijvak verdiepte ik me in zeldzame vlindersoorten in Drenthe. Eind jaren tachtig kon ik een baan krijgen bij de Vlinderstichting. Ik heb geen moment geaarzeld.

Eigenlijk vindt iedereen vlinders leuk. Het zijn prachtige, kleurrijke beestjes en je ziet ze bijna alleen als het mooi weer is, als mensen vrolijk zijn en buiten. En dan die magische metamorfose, dat zo’n vlinder, na eerst rups te zijn geweest, uit de pop komt. Dat spreekt tot de verbeelding. Hoe meer je van vlinders weet, hoe mooier het is. Iedere vlindersoort gedraagt zich weer anders en heeft andere bloemen en planten nodig. Als ik ergens rondloop, zie ik al vrij snel aan de vegetatie, maar ook aan bijvoorbeeld de lichtval, welke vlinder er kan zitten. Dat maakt het extra leuk.

De leukste vlinder vind ik het oranjetipje. Een echt voorjaarsbeestje. Als vlinderaars het oranjetipje zien, dan weten ze: het begint weer. Het oranjetipje heeft een heel fraai gedrag. De mannetjes zoeken naar vrouwtjes, ze vergissen zich en ruiken: dit is een koolwitje. Dan gaan ze op zoek naar een ander vrouwtje. Keer op keer zie je de mislukking. En uiteindelijk, als-ie een vrouwtje vindt, wijst zij hem vaak nog af ook. Dan heeft ze al gepaard. Die beestjes gaan heel effectief met hun tijd om. Haar eitjes zijn bevrucht, dus ze gaat geen tijd meer verliezen met zo’n mannetje. Zo speelt het drama zich voor je ogen af.

Vlinders, of beter, rupsen, zijn verwende krengen. Ze zijn heel kritisch. Rupsen hebben vaak maar een type plant waarop ze zich thuis voelen. Als een vlinder ergens niet meer voorkomt, is dat een indicatie dat er iets mis is. Aan de vlinderstand kun je afmeten hoe het met de natuur is gesteld.

Je zou kunnen zeggen: in die 25 jaar dat ik me met vlinders bezighoud, heb ik niets bereikt. De situatie is zelfs slechter dan toen ik begon. We hadden ooit zeventig vlindersoorten in Nederland. Toen ik begon waren er al achttien verdwenen. Dertig soorten waren kwetsbaar of bedreigd en staan nog steeds op de rode lijst. Met 22 soorten gaat het min of meer goed.

De achteruitgang heeft vooral te maken met verlies aan leefgebied en de kwaliteit van het leefgebied. Kort gezegd: het verdwijnen van bloemrijke graslanden op het platteland en de verminderde kwaliteit van de heidevelden. Sinds de jaren vijftig is de landbouw geïntensiveerd. Er is ontwaterd, bemest, de bloemen verdwenen. Het zo bejubelde Groene Hart is inderdaad groen, er is geen bloem meer te bekennen. Ook de heidevelden hebben geleden onder die intensivering. Die werden te droog en heel veel troep die met bemesting had te maken, kwam via de lucht op voorheen schrale heidevelden terecht. Er bleef niet veel meer over voor vlinders. En de gebiedjes die overbleven, liggen geïsoleerd. We hebben nu her en der in Nederland bloempotjes waar vlinders het goed doen. Die bloempotjes liggen bijna allemaal in natuurgebieden en moeten het hebben van specialistisch beheer.

Je moet realistisch zijn: vlinders zijn afhankelijk geworden van natuurgebieden. Van kleinschalige landbouw hebben vlinders niets meer te verwachten. Als boeren op de ouderwetse manier gaan boeren, dan zijn ze geen boer meer maar hobbyist. Dat schiet dus niet op. Een boer wil nu eenmaal productie maken.

Ik denk dat we in die 25 jaar toch wel iets hebben bereikt. We hebben de achteruitgang bijna tot stilstand gebracht. Natuurbeheerders hebben meer oog gekregen voor vlinders en dus voor bosranden, planten en bloemen. Het taboe om af en toe een boom te kappen om een open plek te creëren is niet meer zo groot. En zo boeken we ook succesjes. De weerschijnvlinder die opduikt in het Voorsterbos. In het Weerter Bos zijn vlinderaars al tien jaar bezig om kleinschalig te kappen om openheid te brengen. De kleine ijsvogelvlinder is daar dit jaar gigantisch veel gezien. Dat is echt leuk. Het is mijn werk om mensen en natuurbeheerders enthousiast te maken. Ik probeer passie over te brengen. Dan ga ik met twintig mensen de duinen in en laat ik zien hoe ze de vlinders kunnen terugkrijgen. Mensen met tuinen kunnen ook iets doen. Onze eigen tuin staat vol met bloemen, planten en kruiden. Een vlinderparadijsje. Pas nog beleefde ik een grote sensatie. Zat er opeens een eikenpage op het koninginnenkruid in onze achtertuin. Mijn vrouw was net in de voortuin een dagpauwoogje aan het filmen. Ik riep: kom nou hier. Ze geloofde me eerst niet eens. Dat was echt een kick: een eikenpage. Potverdikkie, dacht ik.

Ja, wij krijgen ook wel kritiek. Sommige vlinderkenners vinden ons te populair. Jullie nemen ook waarnemingen van huisvrouwen aan, horen we dan. Dat klopt: we proberen vlinders populair te maken. Een andere kritiek is dat we de natuur zijn gang niet laten gaan. Die kritiek klopt voor een deel. Ik zeg het zelf ook: we tuinieren. De voorvechters van zogeheten echte natuur zeggen: je moet vanuit systemen denken en niet vanuit soorten; als je maar genoeg aaneengesloten natuurgebied hebt, dan komt het vanzelf goed met die vlinders. Want bomen vallen vanzelf om en dan krijg je natuurlijke open plekken in het bos. Dat is waar. Alleen: dan kan het tweehonderd jaar duren voordat het wat wordt. Wij proberen dat proces wat te versnellen. Bovendien: bloemrijk, schraal grasland komt niet vanzelf op grote schaal terug als je de natuur zijn gang laat gaan. Alleen maar ‘echte natuur’ ontwikkelen is dus voor vlinders niet de oplossing.

Ik kan me voorstellen dat sommige mensen me wereldvreemd vinden, omdat ik me al 25 jaar met vlinders bezighoud. Maar dat interesseert me niet. Ik wil nog wel 25 jaar met vlinders bezig zijn. Ik heb vrienden die echte carrières hebben gemaakt. Zij zeggen weleens: moet jij niet eens wat anders? Maar waarom zou ik? Ik doe wat ik graag doe. En zolang ik mijn ei kwijt kan, ga ik door. Het enige wat me weleens dwars zit, is dat het me in al die tijd niet gelukt is om de Vlinderstichting en mijn werk overbodig te maken.

‘Dat was echt een kick: een eikenpage. Potverdikkie, dacht ik’

Kars Veling: ‘Als een vlinder ergens niet meer voorkomt, is dat een indicatie dat er iets mis is.’

Wederhoor

De Vlinderstichting zou wel iets meer vanuit ecosystemen kunnen denken en wat minder vanuit de soort, zo luidt de – overigens milde – kritiek uit de hoek van de ‘echte natuur’-aanhangers. ‘Het is een geweldige club’, zegt Wouter Helmer van ARK Natuurontwikkeling, ‘maar ze denken wat mij betreft iets te veel in vlinderbeheersplannetjes, waarbij ze groendiensten met een hoop werk opzadelen. In plaats van bosranden te planten of te snoeien zou er meer aandacht moeten zijn voor de natuurlijke tegenhanger: begrazing, door paarden en runderen. En bomen kappen hoeft vaak ook niet. In een natuurlijke situatie doen stormen het werk. En bevers langs het water. Herten snoeien de struiken gratis en voor niks. Daar profiteren ook vlinders van.’

Maar niet alle vlindersoorten, erkent Helmer. ‘Door de stikstof en fosfaatlast in het milieu bestaan er nauwelijks nog schrale venen, heides en graslanden. Waar ze nog wel bestaan, met de vlinders die daarbij horen, moet je ze beschermen. En de Vlinderstichting geeft daarvoor zinnige tips. Het is dus niet of-of, maar en-en.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden