De schuld van het kapitaal

De premier van Maleisië geeft westerse beleggers en handelaren de schuld van de onrust op de Aziatische financiële markten. De internationale kapitaalstromen ondermijnen de welvaart van vele landen....

MAHATHIR Mohamad heeft toch gelijk. Misschien niet helemaal, maar wel meer dan een beetje. De zelfbewuste en scherp van de tongriem gesneden premier van Maleisië heeft in de afgelopen maanden herhaaldelijk de westerse beleggers en handelaren de schuld gegeven van de onrust op de Aziatische financiële markten.

De valutahandel noemde hij 'niet noodzakelijk, niet productief en immoreel'. De sterk gezwollen internationale kapitaalstromen ondermijnen volgens hem de welvaart van vele landen.

Ook van zijn eigen land. Want Maleisië werd, net als de meeste andere landen in de regio, deze zomer geteisterd door financiële stormen waarin wisselkoers en beleggers ten onder gingen. Had Maleisië deze roerige periode kunnen zien aankomen?

Drie maanden voordat het tumult in Azië uitbrak, prees het Internationale Monetaire Fonds - het orakel, de wonderdokter en de geldbuidel van de wereldeconomie - het land nog bijna de hemel in. Het IMF gaf Maleisië een ferme schouderklop voor 'de indrukwekkende economische prestaties, die zijn gekenmerkt door een op de export gerichte groei, lage inflatie en een opmerkelijke sociale vooruitgang bij het verminderen van de armoede en verbetering van de inkomensverdeling'.

Dat was nog niet alles. 'Voorzichtig en volhardend macro-economisch management en zeer vérgaande structurele hervormingen schraagden deze prestaties.'

Het zijn niet echt teksten die aangeven dat de crisis op de loer ligt. Er waren volgens het IMF wel wat minpuntjes, zoals het oplopende tekort in het verkeer met het buitenland en het misschien iets te soepele monetaire beleid. Maar over de bereidheid van het land om niet al te schichtig met de wisselkoers om te gaan, was het fonds weer te spreken.

Kortom, Maleisië was misschien niet helemaal het land waaraan de hele regio zich zou moeten spiegelen, het kwam hierbij toch dicht in de buurt. Maar het was zeker niet het land waar, drie maanden nadat deze teksten waren gepubliceerd, een valutacrisis zou mogen worden verwacht.

Die heeft inmiddels geleid tot een afwaardering van de munt (de ringgit) met ruim 30 procent. Tegelijkertijd is de aandelenmarkt compleet ingestort en noteert de beursindex van Maleisië een min van ruim 50 procent vergeleken met begin dit jaar.

Maleisië lijkt meer slachtoffer van de razendsnelle verspreiding van het paniekvirus onder beleggers. Zeker in tijden van nood is het op de financiële markten niet vrouwen en kinderen eerst, maar dringen om zelf als eerste in veiligheid te komen. Het zijn niet landen die besmet raken omdat ze zo weinig economische weerstand hebben, maar beleggers die elkaar de ziektekiemen doorgeven.

Het paniekvirus waarde al eerder rond, bijvoorbeeld begin 1995 toen het bankroet van Mexico dreigde. Het was de aanleiding voor beleggers om hun geld weg te halen uit de opkomende economieën in Latijns-Amerika, evenals uit Azië en Europa, en het veilig dicht bij huis te stallen.

Ook Europa is niet gespaard gebleven. In 1993 zetten beleggers massaal de aanval in op de Franse franc, terwijl er niet eens een begin van een economische aanleiding was voor een afwaardering van de munt. Dit leidde uiteindelijk tot het uiteenspatten van het Europees Monetair Stelsel.

Sindsdien is de koers van de franc moeiteloos overeind gebleven. De aanval van de beleggers op de Hongkong-dollar tijdens deze zomer is te vergelijken met de Franse gebeurtenissen.

Mahathir Mohamad mag er dan misschien naast zitten als hij zegt dat de westerse beleggers de financiële onrust bewust veroorzaken uit jaloezie en rassenhaat, terwijl blinde paniek de echte reden is. Maar op zijn conclusie dat de vrije kapitaalstromen op zulke momenten niet productief zijn, valt weinig af te dingen.

Toch blijven de verdedigers van het vrije kapitaalverkeer zeggen dat Maleisië (en de andere getroffen landen) de misère voor een deel aan zichzelf te wijten hebben door hardnekkig vast te houden aan het streven naar een vaste wisselkoers voor de ringgit.

Een echt bizarre beleidsstrategie is dit streven niet. Bij De Nederlandsche Bank doen ze dit al jaren. Bovendien blijkt dat het streven naar een vaste wisselkoers ook voor minder ontwikkelde landen een goede methode is om de inflatie laag te houden.

Dit is precies waar beleggers doorgaans om smeken. Geringe prijsstijgingen dragen bij aan een gunstig en stabiel economisch klimaat, de omstandigheden waarbij beleggers zich het lekkerst voelen.

Maar een land dat zo'n beleid voert, moet beseffen dat beleggers alleen tevreden zijn met een 'juiste' wisselkoers. Als zij beginnen te twijfelen aan de houdbaarheid van de koers, trekken zij hun kapitaal terug.

Met als automatisch gevolg dat de wisselkoers sterk onder druk komt te staan. Want al die beleggers willen voor hun ringgits, peso's of baht's weer dollars of yennen hebben. Dat leidt er weer toe dat de landen, ter verdediging van de vaste koers, hun valutareserves moeten aanspreken of de rente drastisch moeten opschroeven.

Beide maatregelen zijn doorgaans van tijdelijke aard. De reserves zijn niet onuitputtelijk en de hoge rente kan catastrofale gevolgen hebben voor een economie. Dat laatste is zeker het geval als het bankwezen in zo'n land enigszins gammel is. Wankelende banken kunnen misschien wel een zuchtje wind verdragen, maar geen financiële storm, want dan vallen ze om. En een failliet bankwezen is ook geen echte bijdrage aan de economische ontwikkeling van een land.

Nu gaat dat verhaal van een zwakke financieëe sector voor Maleisië maar in beperkte mate op. Daar zijn een aantal effectenhandelaren in de problemen gekomen. Als dat echter het criterium is, moet ook Nederland, met de nasleep van de beursfraude, zich zorgen gaan maken. In Thailand en Zuid-Korea is de crisis in het bankwezen op dit moment aanzienlijk groter.

Japan is weer een heel ander verhaal. Daar valt tegenwoordig om de paar dagen een financiële instelling om. Daar is derhalve malaise troef. Maar Japan is in geen enkel opzicht te vergelijken met Maleisië, Thailand, Indonesië of Zuid-Korea. Al was het alleen maar omdat deze drie landen tot de twintig grootste schuldenaars van de wereld behoren, terwijl Japan juist de grootste schuldeiser is.

Als er dan toch een vergelijking moet worden gemaakt, dan ligt die met de spaarbankcrisis in de VS van eind jaren tachtig veel meer voor de hand.

Hoe groot de verschillen ook zijn, een zwak banksysteem draagt niet echt bij aan het herstel van een economie. Sterker nog, het kan een regering in tijden van onrust behoorlijk belemmeren om het juiste (monetaire) beleid te voeren, zoals het opschroeven van de rente om een afwaardering te vermijden.

Als die afwaardering er dan komt, raken de banken vaak in nog grotere problemen omdat zij schulden in buitenlandse valuta's hebben. Een Thaise bank die begin dit jaar nog 25 baht moest verdienen om een dollar rente te kunnen betalen, moet nu 40 baht (60 procent meer) per dollar ophoesten. Hetzelfde verhaal geldt voor bedrijven of overheden die zich in buitenlandse schulden hebben gestoken.

De verleiding om buitenlands kapitaal aan te trekken, is groot in veel snel groeiende economieën. Net zo goed als de aantrekkingskracht van deze economieën op internationale beleggers enorm is. Vooral Azië, met Maleisië, Indonesië en Thailand als toppers, was tot deze zomer bij het buitenland in trek.

Een steeds grotere toestroom van buitenlands kapitaal (of anders gezegd: een steeds groter tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans) hoeft niet per se een teken van zwakte te zijn. Vooral niet als het geld wordt gebruikt om te investeren. De kapitaalstroom kan juist een teken van kracht van een economie zijn en van het vertrouwen dat beleggers in de economische toekomst van een land hebben.

Het vervelende van al dat binnenstromende geld is dat dit het hele economische beleid in de war kan sturen. De toestroom leidt tot een opwaartse druk op de wisselkoers (al die dollars moeten worden ingewisseld voor baht's of ringgits), terwijl die juist stabiel moest blijven.

Het IMF beveelt in zo'n situatie aan maar toe te geven aan de druk en de koers te laten oplopen. Gebeurt dit niet en blijven ook andere beleidsaanpassingen achterwege, dan maakt een land zich kwetsbaar.

Al dat extra buitenlandse kapitaal geeft een extra impuls aan de economie, met als gevaar een hogere inflatie. Die hogere inflatie is ook weer niet goed voor het wisselkoersbeleid. Want hierdoor kan de verwachting groeien dat op termijn een afwaardering van de munt onvermijdelijk is.

Als bij beleggers die vrees eenmaal is binnengeslopen, kan het snel gebeurd zijn. Het buitenlandse kapitaal vertrekt in digitaal tempo weer naar huis en de wisselkoers ligt op de schroothoop.

Ook als de vrees voor inflatie op weinig tot niets is gebaseerd, ook als een land een behoorlijk economisch beleid voert en ook als de premier van een land geen Mahathir Mohamad heet en veel minder krasse opvattingen heeft over de financiële markten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden