ReconstructieRekenrente

De rekenrente wankelt onder de coronacrisis. Sneuvelt de onaantastbare pijler onder de pensioenen?

Nina Brink oprichtster van het Internet-bedrijf World Online, proost met een glaasje champagne op de eerste beursnotering van het fonds, op 17 maart 2000. Rechts George Moller, president van de AEX.Beeld ANP

Jarenlang was de rekenrente een onaantastbare pijler onder de pensioenen, waarop alle gesprekken over een nieuw stelsel steeds stukliepen. Nu, in de schaduw van de coronacrisis, is ze dan toch aan het wankelen gebracht. Hoe is het zover gekomen? Een reconstructie in zes delen. ‘Met de kennis van nu hadden we het misschien anders gedaan.’

De klap

Vrijdag 17 maart 2000. Het is feest op Beursplein 5. Die dag start de handel in het aandeel WorldOnline. Nooit eerder zijn de verwachtingen zo hooggespannen geweest. Internetaandelen staan op hun hoogtepunt, de Nasdaq-index op recordhoogte. WorldOnline-baas Nina Brink poseert opgetogen, met twee opgestoken duimen, voor de camera’s. Het beeld wordt iconisch. Want achter haar gaapt, onzichtbaar, de afgrond.

Meteen gaat het mis. Binnen een jaar verdwijnt WordOnline in een wolk van schandalen van de beurs. En het bedrijf van Nina Brink is het enige niet. De internetzeepbel, opgeblazen in de jaren negentig met de belofte van een ‘nieuwe economie’, is gebarsten. De Nasdaq raakt in glijvlucht en is in september 2002 driekwart van de waarde kwijt.

De Nederlandse pensioenfondsen staan er aan het begin van die 17de maart nog florissant voor. Wereldwijd is het stelsel vermaard om z’n robuustheid. Nergens is de oude dag zo goed verzekerd als in Nederland – we venten het stelsel uit als deel van onze nationale trots. Maar er is al wel iets aan het veranderen: eind jaren negentig zijn ook de pensioenfondsen massaal in aandelen gestapt. En ze halen er mooie winsten mee op. Eventjes.

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie 

De toezichthouder krijgt tanden

De dag van de ontnuchtering volgt op 30 september 2002: Dirk Witteveen, de kersverse baas van de Pensioen- en Verzekeringskamer, de toezichthouder op de fondsen, schetst op een bijeenkomst in het Amsterdamse Okura Hotel een dramatisch beeld van de financiële positie van het stelsel. Driehonderd pensioenfondsen zijn in het afgelopen jaar door het ijs gezakt: ze hebben te weinig vermogen, bij 50 fondsen is voor elke euro toegezegd pensioen nog maar 90 cent in kas. Er moeten herstelplannen komen, hogere premies en een evenwichtige ‘beleggingsmix’ met minder risico’s.

Het komt voor de fondsen als een schok. Zulke eisen zijn ongehoord, klinkt het. Ze wijzen erop dat de Nasdaq juist in die dagen weer opkrabbelt. Maar in de rest van het land is de schok zeker zo groot. Het voorheen zo rotsvaste vertrouwen in de fondsen krijgt een klap. De pensioenpremies stijgen en vreten aan de koopkracht van werkenden. Voor het eerst sinds mensenheugenis worden pensioenen ook niet verhoogd.

Dirk Witteveen overlijdt in 2007, op 58-jarige leeftijd, maar zijn opvolgers bij Pensioen- en Verzekeringskamer kiezen dezelfde opstelling. De toezichthouder ziet zich gedwongen steeds strengere eisen te stellen, de fondsen voelen zich beperkt in hun bewegingsruimte.

De entree van de ‘rekenrente’

Daar werkt politiek Den Haag aan mee. Er komt een ‘financieel toetsingskader’ en in 2006 een nieuwe Pensioenwet. De teugels worden strak aangehaald. Voor de fondsen gaan dezelfde regels gelden als voor banken en verzekeraars. En tamelijk geruisloos komt daar ook die andere regel, die in de jaren daarna  zo veel debat zal veroorzaken: vanouds mogen de fondsen rekenen met 4 procent rente om te becijferen hoe ze er financieel voor staan. Maar de nieuwe regels gaan uit van een nieuwe ‘rekenrente’, de actuele rente op de kapitaalmarkten. Die daalt weliswaar, maar is nog steeds iets hoger dan 4 procent. Daarom is de overgang in de politiek geen onderwerp van discussie. Alle aandacht gaat uit naar het beheersen van beleggingsrisico’s.

De Pensioenwet wordt unaniem aangenomen door Tweede- en Eerste Kamer. Sindsdien wordt door de toezichthouder elke maand voor de komende 100 jaren rentepercentages vastgesteld. Per jaar, want een pensioenfonds gaat verplichtingen voor de lange termijn aan. Denk aan een hypotheek: hoe korter de looptijd, des te lager de rente, hoe langer de looptijd, des te hoger de rente. Zo ook voor pensioenfondsen.

Niet iedereen heeft er begrip voor. ‘Met die rekenrente hebben we onszelf in de problemen gebracht’, blikt Niek Jan van Kesteren nu terug. Hij is in die jaren algemeen directeur van ondernemingsorganisatie VNO-NCW en nu, sinds 2015, lid van de Eerste Kamer voor het CDA. ‘Sinds de Tweede Wereldoorlog maken pensioenfondsen zo’n 7 procent rendement per jaar. Waarom zou dat in 2052 niet zo zijn ? Dat heeft niemand me ooit kunnen uitleggen.’

Een oneindige loopgravendiscussie

Bij de fondsen kunnen ze er nu nog boos om worden. Neem Jan Tamerus, gelauwerd actuaris van het pensioenfonds voor de zorg PFZW en jarenlang de ‘pensioenman’ van de vakbond voor middelbaar en personeel VCP. ‘Er is een principieel verschil tussen banken en verzekeraars en pensioenfondsen. Bij banken kunnen klanten bij een bankrun op een dag besluiten allemaal hun spaargeld op te nemen. Dat moet de bank dan in kas hebben. Een verzekeraar moet er in theorie rekening mee houden dat alle verzekerden op één dag een maximale schade melden. Maar bij een pensioenfonds kunnen de mensen zich nooit op één dag allemaal voor hun pensioen melden. Dat gaat per definitie geleidelijk. En toch worden pensioenfondsen hetzelfde behandeld als banken en verzekeraars.’

Het is het begin van een loopgravendiscussie tussen rekkelijken en preciezen. De rekkelijken vinden de rekenrente geen goede graadmeter om pensioenverplichtingen mee te berekenen. De beleggingswinsten moeten ook meewegen. Door de rente zo’n grote rol te geven, rekenen pensioenfondsen zich arm en wordt onnodig geld opgepot.

De preciezen werpen tegen dat een fonds er rekening mee moet houden dat er van de ene dag op de andere geen premie meer binnenkomt omdat een bedrijf of hele sector sluit. Zolang sprake is van een ‘harde’ pensioenbelofte moet volgens de toezichthouder bijna 97,5 procent zekerheid gegeven worden dat die wordt nagekomen. Dat kan alleen door te rekenen met de rente.

Een nieuwe crisis

De beleggingsproblemen worden nog groter als in 2008 de kredietcrisis ontvlamt met een krach op de beurzen. Bovendien blijkt de levensverwachting sneller te stijgen dan voorzien. Pensioenfondsen moeten daardoor langer uitbetalen.

De zeeën gaan hoog als het kabinet – dat met de algemene ouderdomsuitkering AOW hetzelfde probleem heeft – verhoging van de AOW-leeftijd oppert. De FNV is tegen, net zoals de PVV en SP. Overleg tussen vakbeweging en werkgevers loopt spaak. Als werkgevers op het laatste moment afhaken omdat ze vinden dat de bonden te veel voorwaarden stellen, noemt FNV-voorzitter Agnes Jongerius hen ‘tuig van de richel’.

Toch komt er uiteindelijk een akkoord op tafel. Voor het eerst wordt serieus gemorreld aan de rekenrente, de pensioenen worden afhankelijk van de beleggingen. Gaat het goed dan gaan ze omhoog, gaat dat slecht dan gaan de pensioenen omlaag. ‘Casinopensioen!’, protesteren de SP en een deel van de FNV. Maar Jongerius is tevreden en geeft het akkoord een ruime voldoende. Als het kabinet-Rutte I belooft de AOW-uitkering de komende jaren extra te verhogen, is sprake van een compleet Pensioenakkoord.

Totdat Rutte I valt, midden in een zware financiële crisis. Vijf partijen – VVD, CDA, D66, GroenLinks, ChristenUnie – stellen een noodbegroting op voor 2013 die haaks staat op de afspraken. Zo gaat de AOW-leeftijd al in januari 2013 omhoog. De maatschappelijke onvrede daarover leidt tot de opkomst van de ouderenpartij 50Plus en tot de ondergang van het akkoord. Want binnen de FNV gaat het helemaal mis: er is niet voldoende draagvlak. Een deel van de bond verwerpt het akkoord en verjaagt voorzitter Agnes Jongerius.

‘Ik zou het zo weer doen. Echt’, blikt Jongerius later terug. ‘Als wij de rijen hadden weten te sluiten, had de politiek niet zo stoer kunnen hakken in de pensioenen als nu is gebeurd.’ Henk van der Kolk, destijds Jongerius’ belangrijkste tegenstander binnen de bond, wil er liever niet aan herinnerd worden: ‘Het was een moeilijke tijd, met de kennis van nu hadden we het misschien anders gedaan. We, met elkaar.’

Het eindspel

Maar intussen is de ban wel gebroken: de rekenrente staat na 2012 permanent ter discussie en groeit uit tot dé splijtzwam in het pensioendebat. De rente blijft aanhoudend op een historisch laag niveau en de fondsen ogen financieel steeds brozer. De premies stijgen door, terwijl de pensioenaanspraken bijna met de maand onzekerder worden. Forse kortingen hangen voortdurend boven de markt.

Voorzichtig komt het gesprek tussen werkgevers en werknemers weer op gang, maar het debat is zwaar gepolariseerd: op elke suggestie vanuit bijvoorbeeld 50Plus voor een nieuwe, vaste rekenrente en ook  beleggingsopbrengst te laten meewegen, volgen vermaningen van de financiële waakhonden. In juni sluiten bonden, werkgevers en kabinet een akkoord op hoofdlijnen over pensioenvernieuwing. De FNV gaat na een ledenraadpleging akkoord. Meteen daarna pleit een wetenschappelijke commissie onder leiding van oud-bewindsman Jeroen Dijsselbloem voor een verdere verlaging van de rekenrente, om de risico’s voor toekomstige pensioenuitkeringen in te perken. De Nederlandsche Bank neemt dat advies meteen over.

Maar het blijkt slechts de opmaat voor nieuw debat. De druk vanuit de samenleving stijgt. 50Plus-senator Martin van Rooijen, al jarenlang onvermoeibaar pleitbezorger van een soepeler omgang met de pensioen-rekenrente, krijgt in het najaar van 2019 bijval van een groep van veertig prominenten, onder wie veel gerenommeerde economen en oud-topbestuurders. In een brief aan het kabinet keren zij zich tegen de rekenrente. ‘We rekenen onszelf alleen maar verder de put in’, aldus de briefschrijvers. ‘Ons pensioenstelsel en zijn miljoenen deelnemers verdienen beter.’ Ook binnen GroenLinks en het CDA begint het te gisten.

Pas in het voorjaar van 2020 volgt een doorbraak: de pensioentoezegging wordt ‘zacht’ gemaakt. Het idee wordt aangereikt vanuit Tilburg, onder meer door hoogleraar economie Bas Werker, actief in D66, de partij van Wouter Koolmees,  minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid . Bij het berekenen van het te behalen pensioen worden betaalde premies, nog te betalen premies plus een ‘projectierendement’ gebruikt, een voorzichtige raming van de toekomstige winst op de belegde premies. Dat voorgespiegelde pensioen is geen toezegging meer maar een ‘zachte’ raming. Dan speelt de rente geen rol meer. ‘Iedereen’ kijkt en rekent mee en geeft de zegen – de toezichthouder DNB, de rekenaars van het Centraal Planbureau en de lobby van pensioenfondsen, de Pensioenfederatie. Samen concluderen ze: dit kan werken.

En toen kwam de coronacrisis

Waarom lukt nu wel wat zo lang onmogelijk leek? De coronacrisis speelt volgens alle betrokkenen een belangrijke rol. Als het kabinet half maart 2020 de economie voor het grootste deel sluit, betrekt Koolmees vakbeweging en werkgevers bij het opstellen van een pakket van ongekend noodmaatregelen. Wekelijks zit Koolmees met werkgeversvoorzitter Hans de Boer en FNV-voorzitter Han Busker aan tafel om over de crisis te praten. De grote eensgezindheid die daar ontstaat, werkt door in de pensioengesprekken. Daar is ook sprake van coronacrisis, want de fondsen worden opnieuw hard geraakt door dalende beleggingen en, alweer, de rente. Als dat zo blijft, dreigen enorme kortingen van de pensioenen, tot wel 20 procent.

Dat is voor niemand aan tafel een aanlokkelijk vooruitzicht. En vrijwel niemand durft nog de hoop te koesteren dat het vanzelf nog wel goed zal komen met de rente. Haast is geboden want na de zomer gaat ‘iedereen’ in verkiezingsstand.

Als Koolmees op vrijdag 12 juni 2020 samen met de voorzitters van vakbeweging en werkgevers aankondigt dat ze ‘eruit’ zijn, staat de opluchting en spanning op de gezichten te lezen. Opluchting dat het gelukt is, spanning omdat de achterbannen nog gehoord moeten worden en ook daarna nog een helse klus wacht: het huidige stelsel moet worden omgebouwd tot het nieuwe, zonder dat pensioenspaarders meteen al een deel van hun pensioen verliezen.

Dat wordt nog een ingewikkeld en onzeker avontuur. Maar terug naar de rekenrente is voor geen van de betrokkenen een optie. Zij leggen zich neer bij grotere onzekerheid op de lange termijn om de onzekerheid op korte termijn verkleinen. Op hoop van zegen. En alleen als ook de leden van de FNV vrijdagochtend akkoord gaan. Want anders is de rekenrente in één keer weer helemaal terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden