De permanente woningnood

Na de oorlog kende Nederland jarenlang een groot tekort aan huizen. Families woonden bij elkaar in. Tal van kabinetten vochten ertegen met de beperkte middelen die ze hadden....

DE verslaggever verontschuldigde zich bij voorbaat. 'Zestien jaar na de oorlog is het uit journalistiek oogpunt een hachelijke zaak geworden het onderwerp ''woningnood'' nog aan de orde te stellen. Het probleem is doodgepraat. Het heeft de hevige belangstelling van degenen die er rechtstreeks bij betrokken zijn, maar van de gemiddelde Nederlander mag men niet meer aannemen dat hij zich nog ernstig bezwaard voelt door deze chronische kwaal (...).'

De reportage in het toenmalige dagblad De Tijd van 1 juli 1961, de eerste aflevering van een serie onder de titel 'De nood der woningbehoevenden', werd geïllustreerd door een foto van een jong stel in een volgepropte kamer. Zij geeft gezeten op de rand van het bed de baby de fles, terwijl pal achter haar manlief aan een tafel zit te werken. Het bijschrift: 'De bekende situatie: jong gezin te Amsterdam op één kamer, waarin geslapen gegeten, gestudeerd enz. moet worden.'

Wie deze dagen voor de zoveelste keer zijn zakjapanner tevoorschijn haalt om uit te rekenen of die hypotheek van acht ton er misschien toch in zit, kan troost vinden in de geschiedenis van de jaren vijftig en zestig, toen zelfs een eenvoudige huurwoning voor menigeen een schier onbereikbaar ideaal was.

Aan weinig binnenlandse kwesties zijn na de Tweede Wereldoorlog zoveel liters inkt vergoten als aan de woningnood, 'volksvijand no. 1'. Een term die paste in het oorlogszuchtige proza waarmee media en politiek het vraagstuk te lijf gingen. 'Het gebrek aan woonruimte is het grootste sociale kwaad, hetwelk op dit moment bestaat. De gevolgen van het woonruimtetekort op godsdienstig, zedelijk en maatschappelijk terrein zijn naar onze mening veel erger, dan men oppervlakkig wel vermoedt. Weinig sociale problemen zijn zo urgent als dit', luidde in 1947 het oordeel van de gezamenlijke kerken en maatschappelijke organisaties.

De genoemde organisaties richtten 'een dringende oproep tot overheid en volk om door een uiterste krachtsinspanning het tempo van de woningbouw te versnellen alsook om in een offervaardige bereidwilligheid tot samenwonen (...) de rampzalige gevolgen van de woningnood te temperen.'

In 1945 werd het aantal verwoeste woningen in Nederland geschat op een kleine honderdduizend. Nog eens 55 duizend woningen waren zwaar beschadigd en een half miljoen had lichte schade opgelopen. In totaal was 4,5 procent van de woningvoorraad door het oorlogsgeweld verloren gegaan.

Was de schade in 1955 goeddeels hersteld, het woningtekort werd in dat jaar nog steeds becijferd op 200 duizend, ook al was de bouwproductie gestegen van bijna 1.600 woningen in 1946 tot ruim 68 duizend in 1954. De volkstelling van 1956 leverde op dat 217.500 gezinnen van twee of meer personen geen eigen woonruimte hadden. Zij woonden niet zelden in bij (schoon)familie of konden slechts hopen dat een ruimer behuisde landgenoot bereid was een etage aan hen te verhuren.

Het gedwongen karakter van dit 'samenwonen', zoals het toen werd genoemd, bleek wel uit de tekst van een speciale folder waarin een beroep werd gedaan op de bevolking zich solidair te tonen met de woningzoekenden. 'Laten we het er over eens zijn dat samenwonen niet prettig is, ja zelfs dat er gevaar bestaat voor ondermijning van het intieme, gezonde, huiselijk leven. We zijn het er over eens: Samenwonen is een kwaad! Maar... een noodzakelijk kwaad!'

Alarmerende rapporten en schrijnende reportages volgden elkaar in die dagen hoog tempo op. 'Het Nederlandse volk verkeert in nood en deze nood neemt elke dag toe. Zij neemt elke dag meer het karakter aan van een nationale ramp', aldus een rapport van de Katholieke Volkspartij (KVP) uit 1955. De Gezinsraad doet er twee jaar later in een advies nog een schepje bovenop en roept de regering op een 'nationale noodtoestand' af te kondigen om, net als na de watersnoodramp van 1953, de gehele natie te mobiliseren in de strijd tegen 'volksvijand no. 1.'

In schrille bewoordingen schildert de Volkskrant het toekomstperspectief dat uit het advies oprijst. 'De psychische gezondheid van een groot deel van het jonge geslacht staat op het spel. De verloofden, levend zonder uitzicht; de jongehuwden zonder eigen bewegingsvrijheid (...); de kleine kinderen die geschuwd maar toch geboren zijn en nu in huis niet mogen schreeuwen of dartelen; zij allen leven beklemd en worden gestoord(...) Straks moeten wij psychiatrische inrichtingen bouwen, omdat wij geen woningen bouwen.'

De voorzitter van de Nationale Woningraad, mr. A. in 't Veld, pleit in hetzelfde jaar in een toespraak tot de ledenvergadering van deze raad voor opvoering van de woningproductie tot 100 duizend woningen per jaar. Op deze wijze zou het woningtekort binnen vijf jaar kunnen zijn ingelopen. Alleen een 'nationale kruistocht' tegen de woningnood zou de bevolking het vertrouwen kunnen schenken in 'de overwinning op het kwaad dat honderdduizenden medeburgers nog altijd teistert.' Tegen deze achtergrond kon geen kabinet het zich permitteren de woningnood niet de hoogste prioriteit te geven.

Hoewel bijna iedere minister van Volkshuisvesting bezweek voor de verleiding een jaar te noemen waarin de woningnood zou zijn opgeheven, bleek volksvijand no. 1 moeilijk te verslaan. Het kabinet-Beel meende in 1946 nog optimistisch dat het woningtekort in 1958 zou kunnen zijn weggewerkt. Elf kabinetten en tientallen prognoses later was het de beurt aan minister Schut die in 1967 tegenover Het Parool verklaarde: 'Al zal niet iedereen dan nog goed wonen, in elk geval zal in 1970 iedereen onderdak hebben.'

Opvallend genoeg bleven grote politieke crises uit, al probeerden alle fracties op hun tijd goede sier te maken met aanvallen op de minister van Volkshuisvesting. Nog in 1970 eiste de PvdA vergeefs het aftreden van AR-minister Schut, die door AR-fractievoorzitter Aantjes werd verdedigd met het argument dat het niet aanging alleen deze minister de schuld te geven van de voortdurende woningnood, waar iedereen: bouwvakkers en werkgevers, oppositie en regeringspartijen, ja de hele bevolking (die volgens Aantjes niet genoeg spaarde) schuld had.

De vraag waarom het zo lang duurde, was daarmee nog niet beantwoord. Het communistische dagblad De Waarheid wist in 1948 het antwoord al. 'Er is wel geld, maar in plaats van daarvoor hout te kopen in Oost-Europa en de bouwvakarbeiders behoorlijk te belonen, zodat niet duizenden hun beroep vaarwel zeggen, smijt de regering het de Amerikaanse wapenfabrikanten met handen vol toe.'

De werkelijkheid was iets gecompliceerder, al was het beleid van de achtereenvolgende regeringen ook volgens meer gematigde critici zeker niet boven alle kritiek verheven. Legio waren de jaloersmakende verhalen over België, waar sprake was van een woningoverschot. Hoe deden die Belgen dat? De Nederlandse regering voerde ter verdediging aan dat de België minder oorlogsschade had en de bevolking er bovendien nauwelijks groeide, terwijl in Nederland sprake was van een explosief stijgend aantal huwelijken en een navenante bevolkingsgroei.

Belangrijker naar het oordeel van veel critici was dat de regering de woningbouw te veel gebruikte als instrument om de conjunctuur te beheersen. Uit angst voor overcapaciteit en werkloosheid werd het bouwprogramma bewust over een langere periode uitgesmeerd. 'Aan deze angst is de geestelijke volksgezondheid opgeofferd en is het leven voor honderdduizenden tot een jarenlange en zware last gemaakt', zo hield Vrij Nederland de regering in 1957 voor.

Opmerkelijk genoeg werd de woningbouw op dat moment zeker zo sterk belemmerd door een tekort aan vakbekwame bouwvakkers, een tekort dat minister Bogaers er begin jaren zestig toe bracht bouwvakkers uitstel van militaire dienst in het vooruitzicht te stellen. Het was ook deze KVP-bewindsman die brak met het voorzichtige conjunctuurbeleid en voor het eerst in jaren een stevige impuls gaf aan de bouwproductie. Zijn redenering daarbij was: als het bouwprogramma is voltooid, zal er nog genoeg te doen zijn aan onderhoud en renovatie van de oude woningvoorraad.

'Onder zijn aanvoering krijgt Nederland nu zijn grote kans om van een al jaren bij duizenden ellende en nood veroorzakend probleem verlost te raken', oordeelde de Volkskrant in 1963. Die eer zou hem niet worden gegund, al verschoof het accent in de jaren nadien langzaam van een puur kwantitatieve naar een meer kwalitatieve woningnood. De welvaart leidde tot hogere eisen bij woningzoekenden en naast een tekort trad ook steeds vaker leegstand op. De echte woningnood concentreerde zich meer en meer bij de lagere inkomens. De verdeling werd belangrijker dan de aantallen, al nam in de jaren zeventig ook het absolute tekort weer toe.

Marcel van Dam, staatssecretaris van Volkshuisvesting in het kabinet-Den Uyl, kon er in 1974 met zijn verstand niet bij. 'Het is toch te gek: er is woningnood, er is geld en er zijn tienduizenden werklozen in de bouw. En toch is er minder activiteit. Het lijkt wel of we de woningnood niet kunnen missen; alsof we bang zijn ons te bevrijden van een pijn waar we tientallen jaren aan hebben geleden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden