Analyse Pensioendiscussie

De pensioendiscussie als Godsdiensttwist: ‘De rekkelijken’ tegenover ‘de preciezen’

Een gepensioneerd echtpaar bekijkt een bord met toeristische informatie. Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Een groep van veertig prominenten, onder wie veel economen en oud-topbestuurders, vraagt het kabinet om een soepeler regime voor de pensioenfondsen. Dat is nou net wat De Nederlandsche Bank en de commissie-Dijsselbloem onlangs hebben ontraden. Zo ontwikkelt het nationale pensioendebat zich tot tussen een strijd tussen rekkelijken en preciezen. Hoe komen zij tot hun standpunten?

De preciezen

Deze stroming wordt aangevoerd door Jeroen Dijsselbloem en Klaas Knot. Oud-minister van Financiën Dijsselbloem bracht in juni met een commissie advies uit over de rekenregels voor pensioenfondsen. Knot is president van De Nederlandsche Bank en daarmee toezichthouder op de pensioenfondsen.

Elke vijf jaar adviseert een commissie over de regels waarmee pensioenfondsen moeten rekenen. Dat is vastgelegd in de Pensioenwet uit 2006. Dit jaar was het de beurt aan de commissie-Dijsselbloem. En net als de vorige keren werd het advies overgenomen door het kabinet.

In zo’n advies wordt vastgelegd hoe pensioenfondsen met een reeks variabelen hun financiële positie moeten berekenen. Bijvoorbeeld met welke inflatie en loonstijging, welk rendement op aandelen, obligaties en vastgoedbeleggingen. En, als klap op de vuurpijl, met welk renteniveau. In de Pensioenwet is vastgelegd dat pensioenfondsen moeten rekenen met de marktrente, maar er is nauwelijks een markt voor de lange termijn.

Dus adviseert de commissie hoe die rente voor de lange termijn berekend moet worden. Want pensioenfondsen moeten ook over 80 of 90 jaar nog pensioen kunnen uitbetalen aan de werkende tieners van nu. Het doel is dat pensioenfondsen zich niet rijk rekenen en nu niet meer uitbetalen dan verantwoord is.

Dat was de les van de beurskrach van 2000 – de internetbubble. Toen bleken pensioenfondsen, die in de jaren negentig massaal in aandelen waren gaan beleggen, er plots slecht voor te staan. Voor het eerst greep de toezichthouder hard in. Pensioenfondsen moesten herstelplannen opstellen en gespreider gaan beleggen – meestal minder in aandelen. Ze mochten de pensioenen niet zomaar meer verhogen met de loonstijgingen of inflatie en moesten de regelingen versoberen.

De regels  voor de pensioenfondsen werden in de afgelopen jaren steeds strenger. De politiek deed er in 2015 een schepje bovenop met wetgeving, het Financieel Toetsingskader. Daarin staan de spelregels wanneer pensioenen verlaagd moeten worden als het slecht gaat.

En Dijsselbloem heeft deze zomer de teugels op basis van de meest recente macro-economisch inzichten nog wat aangetrokken. De dekkingsgraad, die aangeeft in hoeverre de toegezegde pensioenen door het vermogen worden gedekt, is daardoor plots 2,5 lager. Alles is erop gericht dat pensioenfondsen zich niet rijk rekenen en het hun toevertrouwde pensioenvermogen niet verjubelen. Jong en oud moeten kunnen vertrouwen op hun aandeel. Want de rente is laag en blijft waarschijnlijk laag door de overvloed van geld in de vergrijzende, rijke westerse wereld, waardoor het lastiger wordt om goede winsten op beleggingen te maken. Beleggingswinsten zijn geen goede graadmeter, de marktrente is dat wel. Een beurskrach kan prachtige winsten tenietdoen, was de les in 2001 en vooral 2008. 

Klaas Knot, zelf uiteraard ook econoom, heeft het advies omarmd. De regels en het onafhankelijke, door Dijsselbloem opgestelde advies moeten onverkort gehandhaafd om potverteren te voorkomen. De pijn – kortingen – kan het best in een keer genomen worden om dooretteren te voorkomen, luidt zijn devies. Beter nu te voorzichtig dan later spijt.

De rekkelijken

Deze groep bestaat uit een bonte coalitie. Te beginnen met Eerste Kamerlid Martin van Rooijen (77) van 50Plus. Van Rooijen is een oude rot op het gebied van financiën. Hij was in het kabinet-Den Uyl (1973-1977) al staatssecretaris van Financiën en is sinds 2015 in het parlement actief voor 50Plus.  Van Rooijen pleit onvermoeibaar voor een hogere rekenrente. Hoger dan de marktrente waarmee pensioenfondsen moeten rekenen, want die wordt doelbewust laag gehouden door de Europese Centrale Bank. Die rekenrente zou minimaal 2 procent moeten zijn of eigenlijk 4 procent, zoals het was voor de Pensioenwet van 2006. 

Maar het ongemak over de dreigende kortingen door de strenge rekenregels leeft breed. Het beleid van de Europese Centrale Bank drukt de rente zo’n 1,5 procentpunt, zo is de veronderstelling in de Tweede Kamer. Zonder dat beleid zouden de pensioenfondsen vrijwel uit de problemen zijn. In september schaarde de Tweede Kamer zich dan ook unaniem achter een PvdA-motie die het kabinet oproept met een plan te komen om ‘onnodige pensioenkortingen te voorkomen’. Maar wat is ‘onnodig’?

De pensioenfondsen vinden de dreigende kortingen onnodig of in ieder geval te fors. Maar publiekelijk verzet zou weinig geloofwaardig zijn. Door eigen beleid staan ze er immers slecht voor. Een veertigtal prominenten, oud-politici, economen en pensioendeskundigen, neemt nu het voortouw. Zij stuurden zondag een brief aan de fractievoorzitters in de Tweede Kamer onder de titel ‘Ons pensioenstelsel verdient beter’. Het betoog verzet zich tegen ‘onjuiste conclusies gebaseerd op een rekensystematiek die soms welhaast lijkt te worden verdedigd om te kunnen korten’, staat in de brief. Het gaat om ‘een pleidooi voor een rekensystematiek die meer aansluit bij de werkelijkheid’.

Die werkelijkheid is, zo betogen de veertig ondertekenaars, dat de vermogens van de pensioenfondsen de eerste helft van dit jaar zijn toegenomen met 161 miljard euro. Daarmee is het totale pensioenvermogen met 12 procent gestegen. Volgens hen zal het nog ‘vele jaren’ duren voor de fondsen meer uitkeren dan er binnenkomt. ‘En dan nog zullen de fondsen een omvangrijke buffer achter de hand hebben (momenteel al 48 keer de in 2018 uitgekeerde pensioenen) waaruit de pensioenen verder kunnen worden gefinancierd.’

Het is een doortimmerd betoog voor een nieuwe mix om de positie van pensioenfondsen te berekenen. En dat zou zomaar de definitie kunnen worden om ‘onnodige kortingen’ te voorkomen en kunnen gelden in het nieuwe pensioenstelsel waar vakbeweging, werkgevers en kabinet aan werken op basis van het pensioenakkoord uit juni.

Discussie onder tijdsdruk

De discussie tussen de rekkelijken en preciezen staat onder hoge druk. De preciezen verdedigen de huidige regels. Als die blijven dan moeten volgend jaar, zoals het er nu uitziet, tien miljoen pensioenen van ouderen en werkenden verlaagd worden. En dan moeten de premies die werkenden betalen fors omhoog of moet hun pensioenregeling versoberd.

Eigenlijk vindt niemand dat een aantrekkelijk vooruitzicht. Ook het kabinet niet, met verkiezingen in 2021 in het vooruitzicht. Bovendien dreigt de vakbeweging het pensioenakkoord op te zeggen dat met hangen en wurgen werd afgesloten over vernieuwing van het pensioenstelsel.

Als het kabinet en de Tweede Kamer de kortingen willen voorkomen, dan is haast geboden. Dan moeten de regels worden veranderd en dat kost tijd. Informeel is afgesproken dat er half november duidelijkheid moet zijn.

Lees verder

ABP heeft alle werkenden getoond hoeveel geld er voor ze is gereserveerd. Dat viel goed bij de deelnemers. Maar roept ook vragen op nu het fonds de pensioenen volgend jaar dreigt te moeten verlagen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden