De overbelaste huisvrouw

VROUWEN DIE het voortdurend 'druk, druk, druk' hebben, kunnen wellicht troost putten uit het boek Vrouwen, leven en werk in de twintigste eeuw....

Neem een doorsnee huisvrouw begin jaren vijftig. Ze maakte werkdagen van twaalf tot veertien uur. De huishouding was zo zwaar dat de aandacht voor kinderen beperkt bleef tot de allernoodzakelijkste verzorging. Volgens een tijdbestedingsonderzoek van Philips besteedde een huisvrouw in 1964 gemiddeld vijftig minuten per dag aan de zorg voor haar kinderen, waaronder het naar bed brengen.

Ter vergelijking: in 1995 kon de gemiddelde vrouw 2,7 uur per dag vrijmaken voor haar kinderen en de man ook nog eens dik een uur. Tegelijkertijd is de werktijd natuurlijk drastisch bekort. Gemiddeld besteden vrouwen zes uur per dag aan werk, studie, huishouden en kinderverzorging in plaats van twaalf tot veertien uur vroeger.

In de meeste gezinstypen kon feitelijk niet worden gesproken van een 'aparte opvoedingstaak' van de moeder. Kinderen groeiden met de stroom mee op of werden uitbesteed aan personeel. De kritiek van de moderne pedagogiek was dan ook dat veel gezinnen niet deugden als omgeving voor het kind.

In arme gezinnen moesten kinderen (te) hard werken. Gezinnen in de 'proletarische onderklasse', waar ouders veelal ongehuwd samenleefden, raakten nogal eens op drift, omdat mannen hun vrouw en kinderen in de steek lieten. Aan de bovenkant van de samenleving was vaak geen liefde en aandacht voor kinderen en soms helemaal geen contact.

De overbelaste huisvrouw was tot ver in de jaren vijftig een belangrijk thema in de rubriek ingezonden brieven van Margriet en Libelle. Vrouwenverenigingen blonken uit in het organiseren van goedkope uitjes voor vermoeide huismoeders met weinig geld. 'Vrouwen moesten weg uit dat huis waar het werk nooit ophield.' De Bond van Nederlandse Plattelandsvrouwen begon in 1947 zelfs een Rustfonds. Met geld uit dat fonds konden doorgedraaide huisvrouwen een tijdje naar een pension om te herstellen.

Vrouwen, leven en werk in de twintigste eeuw is een geschiedenisboek over het dagelijks leven van vrouwen in de afgelopen honderd jaar. Nieuwe inzichten biedt het boek niet echt, maar wel een helder, compleet en leesbaar overzicht. De achttien thematische hoofdstukken worden opgefleurd met statistisch materiaal, interviews, afwisselende kaderteksten en knap gekozen illustraties.

Veel foto's en reproducties zijn minstens zo informatief als de tekst. Neem die foto 'Wasdag in Holten' uit 1948, waarop een vrouw in gebukte houding de was doet in de sloot. Naast haar genieten twee mannen in het gras van de zomerzon. Was dat wat de politicus Abraham Kuyper in 1914 bedoelde met de 'eerepositie der vrouw'?

'Er is een tweeërlei leven. Een leven in het gezin, in de familie, met de kinderen, een leven dat een meer particulier karakter kent en bijna geheel daarbuiten een ander leven in Raden en Staten, op de vloot en in het leger, dat een meer publiek karakter draagt.'

Kuyper heeft verloren, niet alleen in de kwestie rond het vrouwenkiesrecht, maar ook waar het ging om de gescheiden levenssferen van mannen en vrouwen. Mede door de arbeidstijdverkorting, en vooral de vrije zaterdag, kregen mannen en vrouwen steeds meer tijd om sámen met het gezin door te brengen en raakten de levens van mannen en vrouwen steeds verder vervlochten. Per saldo hebben veel vrouwen anno 1998 een afwisselender leven dan mannen. 'Mannen lijken nu meer aan een eenzijdig rolpatroon vast te zitten dan vrouwen', schrijven de samenstelsters in de inleiding.

Het is opmerkelijk dat veel veranderingen in het dagelijks leven van vrouwen van recente datum zijn. Het percentage vrouwen dat werkte, bleef bijvoorbeeld de eerste zeventig jaren van deze eeuw schommelen rond de 20 procent. Met dien verstande dat huisvrouwen die bijverdienden met garnalen pellen of de was doen voor derden, niet werden geteld als werkende vrouw.

Werkende vrouwen waren tot de jaren zeventig vrijwel altijd jonge, ongehuwde vrouwen. Zij werden tot in de jaren vijftig aangesteld op 'meisjescontracten'. Zodra ze trouwden, werd het arbeidscontract nietig verklaard. Wettelijk was arbeid door gehuwde vrouwen niet verboden, maar de praktijk van de 'meisjescontracten' was wijdverbreid.

De moeder van sociologe Hilda Verwey-Jonker legde zich daar al in 1922 niet bij neer. Ze was wis- en natuurkundige en moeder van drie dochters. Soms viel ze in als lerares. Maar toen ze solliciteerde naar een baan voor twaalf uur in de week aan een Zwols gymnasium, ontstond daar enorme herrie over en zelfs in de kerken werd ertegen gepreekt. Pas nadat ze de minister had ingeschakeld, kreeg ze de baan. Wel had de bewindsman gevraagd hoe dat nou moest als haar drie dochters uit school kwamen. Kalm antwoordde ze: 'Excellentie, dan kom ik óók uit school.'

Rond de eeuwwisseling werkte de helft van de werkende vrouwen in huiselijke diensten, meestal als dienstbode. Maar de industrie bracht nieuwe werkgelegenheid. Sommige industrietakken en bedrijven namen bij voorkeur jonge meisjes aan. 'Ze zijn minder geneigd tabak weg te nemen, gewoonlijk niet te drinken, en zuiniger met de grondstof te zijn', aldus een sigarenfabrikant aan het begin van deze eeuw. Ook bij Philips was tweederde van het personeelsbestand in die tijd vrouw. Meisjes waren makkelijker in de omgang, vingervlugger dan jongens en bovenal goedkoop. In 1946 verdiende een volwassen, geschoolde arbeidster in de confectie-industrie 66 procent van het loon waarmee hun mannelijke collega's naar huis gingen.

De strijd voor gelijk loon was een hele taaie, blijkt uit verschillende hoofdstukken. De opstelling van de vakbonden was daar niet vreemd aan. Zelfs in 1966 stelden de vakcentrales nog dat het principe van gelijke beloning van mannen en vrouwen 'alleen geleidelijk en afhankelijk van de economische situatie van bedrijf of bedrijfstak' kon worden doorgevoerd.

Nergens in het 333 pagina's tellende boek laten de samenstelsters zich verleiden tot een oordeel over de positie van de vrouw in de afgelopen honderd jaar. Nergens is het boek pamflettistisch of loopt het uit op een aanklacht. Hettie Pott-Buter en Kea Tijdens laten de feiten voor zich spreken. En dat is een hele prestatie én uiterst effectief.

Margreet Vermeulen

Hettie Pott-Buter & Kea Tijdens (redactie): Vrouwen, leven en werk in de twintigste eeuw.

Amsterdam University Press; 333 pagina's; * 49,50.

ISBN 90 5356 266 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden