De lange mars van Europa

Op 5 juni 1947 ontvouwde de Amerikaan Georges Marshall een plan voor de financiële ondersteuning van de wederopbouw van het verwoeste Europa....

HARRY VAN SEUMEREN

- 'Iets over kolen en staal.'

- 'Oh, interessant. Stuur mij een kopietje als je wilt.'

Vandaag heffen in Rome de vijftien ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie het glas in eerbiedige herinnering aan dit gesprekje tussen twee Franse ambtenaren, die elkaar in het vroege voorjaar van 1950 in Parijs op straat ontmoetten.

De een was Jean Monnet, de directeur van het Franse Centraal Planbureau; de ander een zekere Clapier, een bevriende ambtenaar van de minister van Buitenlandse Zaken, Robert Schuman.

In 1945 had Monnet een Plan de Modernisation et d'Equipement opgesteld voor het herstel en de modernisering van de Franse economie. Hij wilde vrije toegang tot de steenkoolreserves in het Roergebied.

West-Duitsland was in 1949 een zelfstandige staat geworden. Op de internationale agenda stond de vraag hoe kon worden voorkomen dat Duitsland zich opnieuw, zoals in 1918 en 1939, zou kunnen bewapenen en een oorlog beginnen. Hoe controleren we een onafhankelijk Duitsland?

Het vraagstuk had ook een economische zijde. Het herstel van Europa was zover gevorderd, dat een overschot aan staal dreigde. Bovendien hing boven de markt acht miljoen ton aan tot dan toe onbenutte Duitse capaciteit. Duitsland had de beschikking over goedkope steenkool. Het zou de rest van Europa goed uitkomen als de Duitsers nog even van de markt wegbleven. De Europese staalindustrie zou de Duitse concurrentie niet kunnen weerstaan.

In het brein van Monnet rijpte een plan dat al deze kwesties - mogelijk voorgoed - tot een oplossing zou brengen. Hij stelde voor om de kolen- en staalindustrie van Frankrijk en West-Duitsland te verzelfstandigen. De zware industrie zou onder het beheer van een nieuw te vormen supra-nationale autoriteit worden geplaatst.

In de jaren twintig was dit ook al geprobeerd. Nederland deed eraan mee. Maar toen ging het slechts om samenwerking. De Europese zware industrie bleef onder de soevereine macht van ieder der deelnemende staten. Monnet echter wilde een onafhankelijk, boven de naties staand beheersinstituut.

Hij was die dag in het voorjaar 1950 met zijn plan onder de arm onderweg naar Georges Bidault, de Franse premier, toen hij zijn collega van Buitenlandse Zaken ontmoette. Monnet gaf het plan aan de premier en stuurde als beloofd een kopie naar zijn collega. Bidault echter had weinig interesse, hij was geen voorstander van zo'n Europese samenwerking.

Schuman, de minister van Buitenlandse Zaken, zag direct de vergaande implicaties ervan. Het zou de Frans-Duitse verhoudingen normaliseren en West-Duitsland volledig integreren als een onafhankelijke staat in Europa. Begin mei 1950 legde Schuman zijn ideeën voor aan het Franse kabinet. Zijn plannen werden goedgekeurd. Sindsdien staat het voor altijd bekend als het Plan-Schuman.

Het Franse voorstel sloeg in Londen, tijdens een conferentie over 'het Duitse vraagstuk', als een bom in. De Britse Labourregering had als officiële politiek gestipuleerd 'dat het Verenigd Koninkrijk in staat zou moeten zijn een nieuwe oorlog het hoofd te bieden'. Daarvoor had het een sterke kolen- en staalindustrie onder Brits gezag nodig. De Britten wilden wel samenwerking met de Europese landen, maar supra-nationaal gezag ging - en gaat - een stap te ver.

Op 18 april 1951 tekenden België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland in Parijs het verdrag tot oprichting van een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de EGKS. Het is de voorloper van het Verdrag van Rome tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), dat op 25 maart 1957 is ondertekend. Dezelfde zes landen waren de founding fathers van de EEG, thans de Europese Unie.

Als Monnet, op weg naar Bidault, nu eens niet zijn collega van Buitenlandse Zaken had ontmoet?

Hij was niet de enige of eerste Europeaan die zich bezighield met samenwerking tussen de West-Europese landen. Door de eeuwen heen zijn er ideeën gelanceerd voor hechtere Europese samenwerking, onder vele gedaanten en vanuit verschillende oogmerken.

Een opmerkelijk na-oorlogs initiatief kwam van de Amerikaan Georges Marshall, die op 5 juni 1947 in een rede voor de studentensociëteit van de Harvard Universiteit een plan ontvouwde voor de financiële ondersteuning van de wederopbouw van Europa: vriendschappelijke hulp 'in zoverre dit voor ons praktisch is'.

De plannen moesten van de Europeanen zelf komen, zei Marshall. Het werd een vier-jaren plan dat op 1 juni 1948 van start ging. Er namen zestien landen aan deel. De Sovjet-Unie en haar vazallen bleven afzijdig.

De Marshall-hulp was niet onontbeerlijk voor het herstel van de Europese economieën, zegt de Britse historicus Richard Griffiths, hoogleraar aan de Universiteit van Leiden. 'Macro-economisch gezien stelde de hulp niet veel voor. Uitgedrukt in het nationaal inkomen van de Europese landen ging het om 2 procent per jaar.

'Misschien had het langer geduurd, maar Europa was zelf er weer bovenop gekomen. Maar je kunt het ook anders benaderen. Als je in een tijdperk van schaarste 2 procent méér te besteden hebt, is dat misschien voldoende om arbeidsconflicten op te lossen. Steun van een machtige bondgenoot leidt psychologisch gezien tot een verschuiving van het perspectief, dat de toekomst blijvend anders, beter zal zijn.'

Het hulp-initiatief van de Amerikanen was niet alleen ingegeven door mededogen en liefdadigheid. Europa was instabiel. In 1947 dreigde een communistische machtsovername in Frankrijk en Italië. De Sovjet-Unie vestigde haar macht over de landen achter het IJzeren Gordijn en de Koude Oorlog nam in hevigheid toe.

De Amerikanen wilden een sterk West-Europa, welvarend en zonder sociale zorgen. 'Als nazaten van negentiende-eeuwse Europeanen dachten heel veel Amerikanen dat zij het oude Europa het geschenk van samenwerking en ongekende welvaart konden bieden.'

Dit werd scherp naar voren gebracht door Paul Gary Hoffman, een Amerikaanse zakenman, die de leiding had over het Marshall-programma. In een bijeenkomst van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking eind oktober 1949 in Parijs - waar voor het eerst West-Duitsland als soevereine staat aanwezig was - pleitte hij voor 'een dynamische, expansieve economie van West-Europa, die alle burgers een gestage verbetering van de levensomstandigheden zal brengen'. Hij was overtuigd van de noodzaak van de integratie van de West-Europese economieën.

In een speech van niet meer dan een kwartier gebruikte Hoffman vijftien keer het woord 'integratie', niet 'samenwerking', zegt Griffiths. De kern van deze integratie, betoogde Hoffman, 'is de vorming van één gezamenlijke markt zonder enige handels- en monetaire barrières'; met een verwijzing naar de Verenigde Staten van Amerika, 'één markt voor 270 miljoen consumenten'.

Hoffman wilde het begrotings- en monetaire beleid van de Europese landen coördineren. Daarvoor hoeft de nationale identiteit niet verloren te gaan, want 'integratie is niet zomaar een ideaal, het is noodzaak'. En, als zachte dreiging, voegde hij er aan toe dat het Amerikaanse Congres van mening is dat 'economische integratie essentieel is voor het definitief beëindigen van de steeds weer terugkerende crises in Europa'.

Griffiths wijst erop dat Hoffman hier spreekt over 'integratie' zonder hoofdletter. De Amerikanen waren dan ook meer dan verrast toen amper een half jaar na de rede van Hoffman de Franse regering het plan voor de EGKS lanceerde. Ze hadden niet gerekend op een zó verreikend Europees initiatief.

Hoffman had 500 miljoen dollar gereserveerd door dit soort integratie-initiatieven, ook al kwamen die van een beperkt aantal Europese landen. Hiervan ging 350 miljoen dollar naar de Europese Betalingsunie (1950), het spiegelbeeld van de liberalisering van de Europese handel. De rest, 150 miljoen, ging naar de EGKS. De VS waren de eersten om dit nieuwe supra-nationale orgaan te erkennen.

Griffiths erkent dat de lijn tussen het Marshall-plan en de gestage integratie binnen de huidige Europese Unie ragfijn is. Het verband is echter onmiskenbaar aanwezig. De Zes van Rome zijn uitgegroeid tot de Vijftien, en meer leden zijn op komst. De 'ene Europese binnenmarkt', waarvan Hoffman repte, kwam in 1992 tot stand. De Economische en Monetaire Unie (EMU) is voorzien voor 1992; de eenheidsmunt volgt in 2002. Werkelijke coördinatie van begrotingsbeleid tussen de EMU-leden - ook een wens van Hoffman - zal daarna niet lang op zich mogen laten wachten.

Vanuit breder historisch perspectief bezien, heeft West-Europa grote vooruitgang geboekt. De groei van de Europese Unie is vooral economisch van aard geweest. De levensstandaard is onmiskenbaar met sprongen vooruit gegaan. Maar aan bijna 30 miljoen Europeanen gaan die verworvenheden voorbij. Het grote manco van de Europese Unie is het voortdurende gebrek aan democratie. Het is symbolisch dat het feestje van vandaag in Rome een onderonsje is van vijftien ministers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden