De Gelduitgeveritis steekt de kop weer op

Er zijn politici die moord en brand schreeuwen over het wurgende, ja schier onmenselijke stabiliteitspact dat eind vorig jaar werd gesloten....

FRANK KALSHOVEN

Er zijn ook politici die opgewekt lijstjes beginnen op te stellen voor extra overheidsuitgaven, zodra bekend wordt dat minister Gerrit Zalm van Financiën over 1996 een forse - conjuncturele - belastingmeevaller heeft ingeboekt, een miljard of viereneenhalf. Premier Wim Kok typeerde dit gedrag van kamerleden als 'feestgedruis' - een woordkeuze die zo vernietigend is, dat de betrokken kamerleden sindsdien het stilzwijgen bewaren.

Zijn dat dezelfde politici?

Ja, dat zijn dezelfde. Emmeren over het stabiliteitspact en bijna in één moeite door aantonen waarom dat pact hard nodig is. In elk geval zijn ze van dezelfde partij, wat voor de kiezer toch op hetzelfde neerkomt.

Het is, wil hiermee maar gezegd zijn, ook een beetje hun eigen schuld als kamerleden wel eens informatie wordt onthouden. Als zij er, als collectief, toe in staat zijn om binnen een paar dagen een kleine vijf miljard gulden te verdelen alsof het Monopoly-geld betreft, dan ontstaat toch licht de neiging Gerrit Zalm te vragen of het niet een onsje minder kan met die meevallers. Laat hij er dan maar een miljard van af liegen. Zalms meevaller is immers, laten we dat nooit vergeten, onze tegenvaller: de burger betaalde meer belasting dan waarop gerekend werd.

Het zijn trouwens niet alleen kamerleden die de neiging hebben niet op een miljard te kijken. Het lijkt, ondanks twintig jaar bezuinigen, onderdeel te zijn gebleven van de Haagse moraal.

Onlangs vertelde twee doodgewone ambtenaren dat zij voor de negenhonderd miljoen gulden dat iets moest kosten, wel een betere besteding wisten te verzinnen dan de uitgave die door het kabinet was voorzien. Maar, werd hen toen gevraagd, was het dan niet beter die miljoenen aan de burger terug te geven als de oorspronkelijke bestemming het geld toch niet waard was? Nee, antwoordden de ambtenaren. Negenhonderd miljoen gulden vonden zij de moeite van het teruggeven nauwelijks waard. Er gaan toch dagen voorbij waarop een modale loonslaaf zijn aandeel in die buit niet los in de zak heeft zitten.

Niet alleen politici en ambtenaren, ook Haagse journalisten lijken vroeg of laat een snufje van het virus op te snuiven. Margreet de Boer, onze minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zei vorige week in een interview in de Volkskrant dat zij zich ergert aan de discussie over publieke investeringen, een discussie waarin de miljarden als zoete broodjes over tafel gaan.

'Men roept maar wat', vindt De Boer, waarmee zij de spijker op zijn kop sloeg - net als Kok met zijn 'feestgedruis'. Er wordt door politici en ambtenaren druk gespeculeerd over de verdeling van de 110 miljard gulden die tot 2010 beschikbaar is voor versterking van de economische structuur. Wat schrijven de journalisten die De Boer interviewden?

'De minister van Milieubeheer is in het publieke debat de grote onbekende, waar haar collega Jorritsma openlijk vele tientallen miljarden opeist voor wegen, bruggen en tunnels.' En, vroegen ze de minister van VROM alsof het een zonde is in plaats van een deugd: 'Bent u niet te bescheiden?'

Gelduitgeveritis.

Tegen beter weten in derhalve, maar ook omdat zoiets toch niet geheim kan blijven, maak ik met angst en beven melding van de rede waarmee Ben Heijdra eind januari het hoogleraarsambt aanvaardde aan de Universiteit van Amsterdam.

Ben Heijdra is namelijk Keynesiaan.

Hij is niet het soort Keynesiaan dat we met een vermoeiende regelmaat zien langskomen op de opinie-pagina's van wat de kwaliteitskranten wordt genoemd - laatst weer de Amsterdamse politicologie-hoogleraar Siep Stuurman in NRC Handelsblad. Nee, Heijdra is wat, bij gebrek aan een betere term, een academische Keynesiaan moet worden genoemd. De academische Keynesiaan onderscheidt zich van de Stuurmannen onder meer doordat hij niet vijfentwintig jaar achter loopt met het lezen van de economische vakliteratuur.

Heijdra betoogt, heel modern, dat een aantal van de bezwaren tegen het Keynesianisme kan worden ondervangen door economische modellen te bouwen die uitgaan van de marktvorm die monopolistische concurrentie wordt genoemd. Bij deze marktvorm concurreren bedrijven zoals autoproducenten wel onderling, maar hebben zij ook een beetje macht over hun markt. Die marktmacht kan zijn ontstaan door het opbouwen van een merknaam: 'Volkswagen. Wie anders?'. Deze marktvorm verschaft Heijdra's modellen de stroperige prijsaanpassingsprocessen die nodig zijn om, bijvoorbeeld, activistisch begrotingsbeleid te laten werken.

De karakterisering 'academische Keynesiaan' houdt echter ook in dat Heijdra's Keynesianisme niet erg praktisch is - wat voor hem trouwens ook niet hoeft. Met speels gemak toont Heijdra de werking van budgettair beleid, en laat hij zien dat de overheid er verstandig aan zou kunnen doen bedrijven te bedenken met een algemene investeringssubsidie. Heijdra heeft er geen boodschap aan dat er vroeger in Nederland zo'n subsidie heeft bestaan, de WIR geheten, en dat die in 1988 om goede redenen is afgeschaft. Net zomin als hij iets te schaften heeft met de Europese Commissie, die dit soort subsidies juist verbiedt.

Keynes leeft dus weer - in academische kring. Voor de praktische politiek is hij nog steeds zo dood als een pier.

Overleden aan Gelduitgeveritis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden