'De euro is al bijna identiek aan crisis'

Op de huidige koers van de eurozone kan geen zegen rusten, zegt Bert de Vries.

© ANP Voorzitter Klepsch van het Europees Parlement, de Portugese premier Silva, voorziter Delors van de Europese Commissie en premier Lubbers na de ondertekening van het Verdrag van Maastricht op 7 februari 1992.

Als een heldere geest als Mark Rutte niet heeft begrepen wat er tijdens een vergadering van acht uur is gebeurd, moet de verwarring groot geweest zijn. Steeds meer ontstaat de indruk dat de regeringsleiders zich klem gereden voelen tussen de financiële markten en hun kiezers. En dan struikelen van de ene noodoplossing naar de andere zonder toe te komen aan de kern van de problematiek.

Kern
Die kern is dat een muntunie niet verenigbaar is met duurzaam divergerende - van het gemiddelde afwijkende - concurrentieverhoudingen. Bij de introductie van de euro is aan die fundamentele waarheid te licht getild. In plaats daarvan is overdreven gewicht toegekend aan begrotingsnormen en de staatsschuldquote; criteria die op z'n best iets zeggen over de gezondheid van de overheidsfinanciën, maar niets over de onderlinge concurrentieverhoudingen.

Voor de houdbaarheid van een muntunie is duurzaam afwijken naar boven even slecht als duurzaam afwijken naar beneden. Het is verontrustend dat Duitse en Nederlandse beleidsmakers daarvan nog steeds niet willen horen. De zondaars zitten volgens hen alleen in de perifere lidstaten, die hun concurrentiepositie schromelijk verwaarloosd hebben en nu kampen met grote tekorten op hun betalingsbalans.

Gedoemd
Duurzame divergentie tussen landen met sterk uiteenlopende instituties en culturen is echter onvermijdelijk zolang een machtscentrum ontbreekt dat convergentie kan afdwingen. Anders gezegd: een muntunie zonder politieke en fiscale unie is gedoemd na verloop van tijd uiteen te vallen.

Ten tijde van het Verdrag van Maastricht (1992) mocht dat niet hardop worden gezegd. Nu mag dat binnen de regeringspartijen eigenlijk nog steeds niet, maar daarbuiten is het besef inmiddels wel doorgebroken. Sommige deelnemers aan het debat beschouwen de eurocrisis als een buitenkans om - buiten de kiezers om - met een beroep op overmacht de eindverantwoordelijkheid voor het financieel- economische beleid nu maar ineens over te hevelen naar het Brusselse niveau.

Taxatie
Grieken weten inmiddels wat dat betekent. Hun politici mogen in het parlement alleen nog de door Merkel en Sarkozy goedgekeurde dictaten doordrukken. Het uitgangspunt daarvan is dat het belangrijker is om financiële instellingen te redden dan om de Griekse economie te redden. Zulks vanuit de taxatie dat ontwrichting van de financiële markten ernstiger gevolgen heeft dan ontwrichting van een democratisch stelsel binnen de eurozone. Of die taxatie juist is, moet nog blijken.

Achteraf moet erkend worden dat politici zich bij de invoering van de euro te gemakkelijk op sleeptouw hebben laten nemen door het internationale bedrijfsleven. Die lobby was begrijpelijk. Een gemeenschappelijke munt vermindert valutarisico's en maakt het aantrekkelijk om binnen de eurozone te zoeken naar de plaats waar tegen de laagste kosten geproduceerd kan worden.

Nationale politici gaven daarmee echter belangrijke beleidsinstrumenten uit handen. De winst die daartegenover beloofd werd, zou bestaan uit meer welvaartsgroei en werkgelegenheid. De kampioenen van de euro weten zeker dat die vruchten ons inmiddels rijkelijk in de schoot zijn geworpen en dat het daarom rampzalig is als het europroject alsnog zou mislukken.

Groeien als kool

Hoe zit het met de kleren van deze keizer? In Duitsland - het gidsland van de eurozone - zijn de winsten van de grote bedrijven sinds de invoering van de euro gegroeid als kool, maar het reële loon van de gemiddelde werknemer is op z'n best gelijk gebleven.

De perifere lidstaten van de eurozone wordt nu verweten dat zij dit voorbeeld niet hebben gevolgd. Maar stagnatie van welvaartsgroei is niet wat de burgers van die landen is beloofd. Daarbij komt dat landen als Denemarken, Zweden, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland, die niet meegedaan hebben met de euro, economisch desondanks niet achterop zijn geraakt. De regeringen van deze landen kunnen nog steeds zelf bepalen hoe ver zij willen gaan met het afstemmen van hun beleid op dat van de eurozone. Het feit dat zij daarvoor tot dusver niet genadeloos zijn gestraft, legt een onaangename bewijslast op de schouders van degenen die zo zeker weten dat een terugkeer naar de situatie van voor 2001 rampzalige gevolgen zal hebben.

Inmiddels hebben we wel een paar dingen geleerd, zoals:
dat het accepteren van een politieke en fiscale unie de onvermijdelijke prijs is die betaald moet worden voor het overeind houden van de eurozone; dat de eurozone in een fase is beland, waarin het alleen nog mogelijk is de boel bij elkaar te houden als de zwakke broeders een uitermate pijnlijk aanpassingsproces doormaken dat vele jaren gaat duren. Het is een illusie te denken dat de institutionele veranderingen en de verbreding van de economische basis die Griekenland nodig heeft binnen een tijdsbestek van tien jaar kan worden gerealiseerd; dat de afkeer van een transferunie bij het electoraat van de sterke broeders zo groot is dat die het zich niet kunnen veroorloven om met steun over de brug te komen die ruimhartig genoeg is om op korte termijn nieuwe groeiperspectieven aan de achterblijvers te verschaffen.

Blind
Het risico dat de zwakste broeders door deze cocktail in een neerwaartse spiraal terechtkomen of op z'n best in een periode van langdurige stagnatie is levensgroot. Dat zal op steeds grotere weerstand van de bevolking stuiten en op een groeiende weerzin tegen Brusselse autoriteiten, die steeds meer zullen worden ervaren als een nieuw soort kolonelsregime. Je moet wel blind zijn om erop te vertrouwen dat Griekse, Ierse, Portugese, Italiaanse en Spaanse politici dat allemaal tot in lengte van jaren aan hun kiezers kunnen en willen verkopen.

Maar als noch de politici noch de kiezers rijp zijn voor die politieke en fiscale unie, moeten we ons wel drie keer bedenken voordat we resoluut al onze kaarten daarop zetten. Het gevaar dat niet alleen de euro mislukt, maar ook democratische stelsels ontsporen, is daarvoor te groot. Zelfs het internationale bedrijfsleven zou moeten beseffen dat het beter is ten halve te keren dan ten hele te dwalen. Het minste wat nodig is, is daarom dat er naast toetredingsregels ook regels komen die het mogelijk maken om ordelijk uit de muntunie te treden.

Bert de Vries is oud-fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer en was van 1989 tot '94 minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden