De ellende-index van Wim Kok

In het bipolaire Amerika maken politiek angehauchte economen er een sport van om in verkiezingstijd de economische prestaties van Democratische en Republikeinse presidenten kwantitatief te vergelijken....

Nederlandse economen wagen zich doorgaans niet aan dit soort vergelijkingen - die vervelende coalitie-kabinetten maken het vergelijken van prestaties nog moeilijker dan het blijkens het Amerikaanse gekissebis toch al is.

Noud Gruijters (van De Nederlandsche Bank) en Sjak Smulders (van de Katholieke Universiteit Brabant) overwonnen hun Nederlandse terughoudendheid en deden in de ESB van vorig weekeinde een 'luchtige poging' om de invloed van het kabinetsbeleid op de economie te meten. Hoe goed was het kabinet-Kok? Was het beter dan de drie kabinetten-Lubbers? En: welke van de grote partijen presteert het beste?

Gruijters en Smulders gebruikten economische data over de afgelopen 35 jaar: van het kabinet-Marijnen tot en met het kabinet-Kok. Hun startpunt is de traditionele ellende-index van Arthur Okun. Ellende is, in de visie van deze Amerikaanse econoom, gedefinieerd als de optelsom van het werkloosheids- en het inflatiepercentage.

Deze traditionele ellende-index vertoonde sinds het kabinet-Zijlstra (eind jaren zestig) een gestaag stijgende lijn die zijn piek bereikte in de periode van stagflatie eind jaren zeventig: onder het tweede en derde kabinet-Van Agt bereikte de misère een voorlopig hoogtepunt. Onder de christen-democratische Macher Ruud Lubbers daalde de ellende aanvankelijk sterk, maar zijn derde kabinet stuwde de misère weer omhoog tot een niveau (9 procent) dat het kabinet-Kok maar tenauwernood omlaag wist te brengen.

In vergelijking met het buitenland (het naar Nederlandse exportaandelen gewogen gemiddelde van de ellende in Europa en de VS) presteerde Nederlandse kabinetten goed - althans, sinds het kabinet onder leiding van de mythische sociaal-democraat Joop den Uyl.

Gruijters en Smulders nemen potentiële criticasters de wind uit de zeilen door te experimenteren met een alternatieve maatstaf. Het Nederlandse werkloosheidscijfer is, om te beginnen, door de gebruikte definities ongehoord laag. Ze vervangen de 'geregistreerde werkloosheid' daarom door de inactiviteit: het aandeel van de niet-werkenden in de leeftijdsgroep van 15 tot 64 jaar. Deze maatstaf geeft een eerlijker beeld en vertoont bovendien grote variatie: van 33 tot 47,5 procent. Bovendien voegt het duo een criterium toe aan de index: economische groei (het lievelingscriterium van minister van Economische Zaken Hans Wijers).

Voor het huidige kabinet pakt deze alternatieve maatstaf goed uit. Onder Kok daalt het macro-economische ongeluk tot een historisch laag niveau; het tempo waarin de ellende door Kok en de zijnen wordt teruggebracht vindt alleen zijn gelijke in de daling tijdens het eerste kabinet dat onder leiding stond van Lubbers.

We zijn er nog niet. Want, weet het duo, 'ellendige erfenissen van vorige kabineten zijn vaak een excuus voor zittende regeringen'. En dus ontwierpen ze, in navolging van de Amerikaanse econoom Robert Barro, een nieuwe maatstaf om de invloed van het beleid op de ellende te meten.

Het gaat om twee veranderingen. Ten eerste worden de inflatie en de inactiviteit in een kabinetsperiode verminderd met de inflatie- en inactiviteitscijfers uit het laatste jaar van de voorgaande kabinetsperiode. Het gevolg hiervan is onder meer dat de slechte prestaties van de laatste twee kabinetten-Van Agt niet langer op het bordje van Lubbers-I terechtkomen.

Ten tweede wordt het groei-criterium vervangen door het verschil tussen de maximaal mogelijke en de feitelijke productie, de zogeheten output gap. De gedachte hierachter is: hoe groter het verschil is tussen het maximaal haalbare inkomen en het feitelijke inkomen, des te slechter het kabinet presteert. Het is een van de manieren om te voorkomen dat kabinetten buitensporig profiteren van oplevingen in de conjunctuur die buiten hun verdienste om tot stand komen. Een hoog groeicijfer betekent niet dat een kabinet eruit haalt wat erin zit.

Deze nieuwe maatstaf plaatst de beleidsprestaties van opeenvolgende kabinetten in een geheel nieuw licht. Het kabinet-Biesheuvel heeft opeens overtuigend het slechtste gepresteerd; het kabinet-Kok verliest de kampioensplaats en wordt het op een na beste kabinet.

De winnaar echter, en dit zou politici, ook in verkiezingstijd, tot bescheidenheid moeten aanzetten, is het jaar 1977, waarin de laagste waarde van de index wordt gemeten. Een jaar dat verloren ging aan een schier eeuwigdurende formatie (van het kabinet-Van Agt I), een jaar dus waarin geen beleid werd gevoerd. 'Is geen beleid beter dan nieuw beleid?', vraagt het economen-duo vilein.

In verkiezingstijd wordt de relevantie van de vraag naar de prestaties van kabinetten verdrongen door de vraag naar de prestaties van partijen. Gruijters en Smulders zoeken hierop een antwoord door de prestaties van kabinetten toe te wijzen aan partijen: welke partij nam met hoeveel ministersposten deel aan een kabinet?

De puntenwolkjes die het antwoord op deze vraag weergeven, lijken een duidelijk stemadvies in te houden. 'De puntenwolken suggereren dat het macro-ongeluk oploopt met meer confessionelen in ministerszetels, terwijl een groter aandeel VVD- en PvdA-ministers geen tot een licht negatieve invloed heeft op de treurigheid.'

Het heldere stemadvies - Stem geen CDA - blijft achterwege omdat er geen robuust statistisch verband blijkt te zijn tussen zetelverdeling en ellende.

Moet, gezien dit gebrek aan beleidsinvloed van individuele partijen, de conclusie luiden dat het niet uitmaakt op welke partij u op 6 mei gaat stemmen?

Neen, zeggen economen dan. Resultaten uit het verleden geven geen garantie voor de toekomst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden