De appel zal zuur zijn

De bonussen bloeien weer, de staat verdort. Rens van Tilburg, staflid van de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid, is nummer-3 in een korte serie over de crisis van het kapitalisme: ‘Voor mij is de vraag naar de moraal in de wereld van bankiers en economen heel belangrijk geworden.’..

Welkom in de wondere wereld van het staartrisico. De jonge econoom omschrijft het verschijnsel als ‘een héél kleine kans dat het héél erg fout loopt’.

Dat was dus het geval op 29 september 2008, Black Monday.

Rens van Tilburg, kort en stevig, 36 jaar, probeert uit te leggen hoe het venijn in de staart zat. Dat het hoogst, hoogst onwaarschijnlijk was dat de complexe, verzamelde, opgeknipte en weer doorverkochte pakketten aan hypotheken en andere leningen tot een crash zouden leiden. Ook al wisten bankiers beter, ze konden het denken omdat in het model, in de risicoanalyse het werkelijke karakter van het pokerspel veilig was weggestopt in de staart en daardoor systematisch onderschat mocht worden. Immers, modellen liegen niet.

Ziedaar het staartrisico. Het heeft de wereld opgezadeld met de diepste recessie in tachtig jaar, waarvan het pijnlijkste nog moet komen.

Van Tilburg: ‘De crisis kent niet één oorzaak, maar je kunt veilig zeggen dat de diepte van de recessie mede mogelijk is gemaakt doordat heel veel bestuurders van financiële instellingen op een model gingen varen als ware dat niet een denkconstructie, een hulpmiddel, maar de werkelijkheid. Zo van: gebruiken wij het model dat iedereen gebruikt? O, dan zit het wel snor.’

‘Risico’s leken er niet te zijn. Maar doordat iedereen datzelfde staartrisico opbouwde, nam het gevaar voor die schier onbestaanbare systeemcrisis juist toe. Het financiële systeem werd juist heel erg gevoelig voor die ene onzekerheid.’

De financiële sector heeft zich altijd omhangen met een aura van exactheid. Ten onrechte?

‘Jazeker. De schijn van exactheid is precies wat ik tegen modellenverheerlijking heb. Ik heb het altijd moeilijk gevonden, al vanaf mijn studententijd, die exactheid serieus te nemen. Veel interessanter vond ik het te discussiëren over de betrouwbaarheid van de veronderstellingen, die aan het model ten grondslag liggen.’

Van Tilburg is publicist, ondermeer voor de Volkskrant. Hij adviseerde Groen Links en is sinds een aantal jaren staflid van de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid.

Wat trof je aan op de universiteit?

‘Je werd overhoord op economische modellen. Op zichzelf was het onderwijs aardig van opzet: je kreeg een probleem voorgelegd met als opdracht je eigen oplossing te zoeken. Maar de oplossing moest wel komen vanuit de klassieke kaders en modellen. Met een ander, breder begrip van welvaart hoefde je niet aan te komen. Hele generaties zijn met modellen opgevoed.‘

Hij herinnert zich hoe hij een keer door de bibliotheek dwaalde en ergens een kast vond met boeken over alternatieve economie.

‘Het werd een eye-opener voor me. Ik trof daar twee boeken die me echt een heel eind op weg hebben geholpen. Ze lieten zien hoe hoog de verborgen prijs is die de samenleving betaalt voor het eenzijdige streven naar almaar meer groei. Het ene boek heette Kapitalisme en Vooruitgang. Het was van Bob Goudzwaard. Het andere was van John Kenneth Galbraith; The Affluent Society was de titel. Het waren oude boeken, dat zag ik wel.’

Galbraith, die vier jaar geleden stierf, was een van de belangrijkste economen van de 20ste eeuw. In The Affluent Society uit 1958 stelde hij de armoede van de publieke sector in Amerika aan de kaak. Goudzwaard was jarenlang hoogleraar aan de Vrije Unversiteit. Hij is de architect van een ecologische, duurzame economie-opvatting, samengevat in het begrip ‘de economie van het genoeg’.

Van Tilburg: ‘Beide mannen kende ik niet. Wij werden met dat soort werk niet vertrouwd gemaakt, absoluut niet. Die namen kwam je niet tegen in het gewone curriculum. Ik herinner me dat ik die titel zag, Kapitalisme en Vooruitgang en dat ik dacht: dat moet interessant zijn.’

Wat was het dat je zo aansprak?

‘Dat begrip vooruitgang. Je leerde wat kapitalisme was, je leerde hoe het systeem werkte, je leerde modellen te hanteren als instrumenten voor economische groei.

‘Maar de vraag: waarom nou eigenlijk groei? Wat heb je eraan en moeten we het wel willen veel geld te verdienen, ja die vraag kwam niet aan de orde.

‘Ik heb voor het Innovatieplatform gewerkt, dat door Balkenende en Wijffels leven is ingeblazen. In 2005 kwamen we met een toekomstvisie, waarin naast economische groei het menselijk geluk expliciet tot belangrijke graadmeter werd uitgeroepen voor de ontwikkeling van een samenleving.’

Heb je een hekel gekregen aan dat modelmatige denken?

‘Ach, het zijn op zichzelf mooie instrumenten, we moeten ze vooral blijven gebruiken. De echt slimme economen – zij die de modellen bedenken – weten precies wat de beperkingen zijn van hun denkconstructies. Maar voor heel veel financiële instellingen zijn ze het Alpha en Omega. Dan begint de ellende.’

Hij begint over ‘een fascinerend boek’, geschreven door een journaliste van the Financial Times – Fools Gold heet het. Het boek beschrijft het ontstaan van de kredietcrisis door de ogen van een aantal jonge bankiers van J.P. Morgan. Deze waren in 1994 zo’n beetje de uitvinders van de grootschalige kredietderivaten, verzekeringsconstructies die de kassa luid deden rinkelen.

Omdat het ‘heel slimme jongens en meisjes’ waren, zagen ze al snel dat ze de risico’s van kredietderivaten die gebaseerd waren op hypotheken, niet goed konden inschatten. Ze zeiden: geloof ons, die handel is niet te vertrouwen, uiteindelijk zal het ons opbreken. J.P. Morgan haakte af. Vervolgens gingen alle andere banken ermee aan de haal.

Van Tilburg: ‘Toen de boel in het najaar van 2008 uit elkaar klapte, zijn die jonge bankiers met elkaar gaan e-mailen over de ethische vraag: hadden wij niet alarm moeten slaan toen wij tien jaar geleden die handel zich zagen ontwikkelen?

‘Het antwoord van een van hun luidde: Het is niet onze taak om lui die domme dingen doen, af te stoppen.

‘Ik vond dat een schokkende reactie. Voor mij is de vraag naar de moraal in de wereld van bankiers en economen heel belangrijk geworden. Als je weet dat omwille van excessieve winsten grote risico’s worden genomen, met enorme maatschappelijke gevolgen – is het dan niet je taak daar iets van te zeggen?’

Zijn de lessen nu wel geleerd?

‘De klap van anderhalf jaar terug was niet de eerste. Er is een hele hoop kleinere klapjes aan vooraf gegaan. Elke keer is de zaak weer op zijn poten gezet. Even kwam de vraag op: jongens, moet dat zo doorgaan? Maar dan trad Greenspan naar voren, de baas van de Federale Bank in Amerika, en Rubin, minister van Financiën onder Clinton, en die zeiden dan: nee, dit is een vrije markt, daar komen we niet aan, we moeten niet de pretentie hebben dat wij als toezichthouder hier iets te zoeken hebben.

‘Er is nu een zekere hoop dat een aantal dingen gaat veranderen. Maar ik vrees dat het tegenvalt. Obama heeft regulering van het bankwezen in het vooruitzicht gesteld. Ik moet het nog zien gebeuren.

‘Ik heb voor een artikel eens Obama en Roosevelt naast elkaar gezet. Beiden begonnen met een groot charisma. En beiden begonnen in een toestand van financiële chaos na een enorme boomperiode. Roosevelt veegde in 1933 de financiële wereld de mantel uit op ongehoorde wijze. Obama heeft dat nagelaten. Hij heeft zich omringd met financiële adviseurs met banden in Wall Street. Nou ja, dan weet je welke kant het op zal gaan.

‘Pas nu komt hij in beweging. Hij herstelt gedeeltelijk een wet op het bankwezen die door Roosevelt in de jaren dertig is ingevoerd. En in 1999 onder Clinton is afgeschaft. Diens financiële man op dat moment was Robert Rubin. Die kwam van Goldman Sachs. Hij heeft de wet laten intrekken die het banken verbiedt zowel spaarbank als investeringsbank te zijn. Nadien stapte Rubin over naar Citi Corp. Dit was een moloch, een fusieproduct dat enkel mogelijk was geworden door het intrekken van de oude wet van Roosevelt. Rubin stortte de bank als een gek in de kredietderivaten.’

Vind je de toestand nog steeds benauwend?

‘Vind ik wel, ja. Je ziet dat de wereld klap op klap heeft opgelopen en dat telkens de lessen maar niet zijn geleerd.

‘We hadden in de jaren negentig de Latijns-Amerikacrisis, in 2000 de zeepbel in de ICT-sector. Je ziet dat we al een aantal jaren van bubble naar bubble hobbelen; de bubbles worden almaar groter. Het lijkt er niet op dat de klap van 2008 de laatste is.’

We komen te praten over wat hij ‘de centrale vraag’ noemt: wat is nou eigenlijk vooruitgang? Zijn antwoord luidt in een paar woorden: geluk voor geld. Er is alle reden opnieuw te beginnen met onze economische orde.

Rens van Tilburg: ‘Als het goed is, is alle beleid gericht op geluk. Het staat in de grondwet van de VS. Daarin wordt gesproken van ‘the pursuit of happiness’. Het stamt uit de tijd van de 18de-eeuwse, Britse filosoof Jeremy Bentham die ‘the greatest happiness for the greatest number’ tot maatschappelijk ideaal verhief.’

Je zou denken dat de roep om ‘meer geld’ juist door de crisis aan overtuigingskracht wint. Mensen verliezen banen, huizenprijzen dalen, pensioenen staan onder druk. Wat een vooruitgang zou het niet zijn als 25 procent van deze materiële zorgen zou worden weggenomen. Tien procent is trouwens ook goed.

‘Er is een test gedaan met eerstejaarsstudenten psychologie, eerstejaars economie en vierdejaars economie. De studenten konden kiezen tussen ‘samenwerken’ of ‘niet samenwerken’. Gezamenlijk was het meest te ‘verdienen’ door samen te werken. Maar als de ene proefpersoon inzette op samenwerken en de andere niet, bleef de een met lege handen achter, ging de ander er met de buit vandoor.

‘Het bleek dat de eerstejaars economie net zo sociaal waren als de eerstejaars psychologie. Maar de vierdejaars economiestudenten gedroegen zich na vier jaar zoals het hun vier jaar lang geleerd was: het eigenbelang is de motor van de maatschappij. Kies voor jezelf, waarom zou je samenwerken, het algemene belang is niet meer dan de som van de individuele belangen, maximaliseer je eigen nut.’

Maar dat zijn toch ook de veronderstellingen waarop de klassieke kapitalistische economie drijft, en de veronderstellingen bij de onderwezen modellen?

‘Precies. En dat was ook het interessante van het onderzoek. Het laat zien dat een model niet alleen dient om de wereld te beschrijven, nee, de wereld gaat zich ook gedragen conform het model. Economiestudenten die zich de theorie van de maximalisering van het nut eigen maken, creëren voor zichzelf ook een wereldbeeld waarin het eigenbelang voorrang krijgt.

‘Dat is buitengewoon fascinerend, omdat het uitzicht biedt op de oplossing.

‘Draai het om. Leer mensen niet: wees egoïstisch want iedereen is immers egoïstisch. Leer mensen de meerwaarde van altruïsme.’

Is dat geen wensdenken?

‘Nee, altruïsme zit in de mens, mensen zijn sociale dieren die graag willen samenwerken. Maar breng ze in een systeem waar de economische prikkels op eigenbelang zijn gericht en ze gaan zich ernaar gedragen.

‘De klassieke illustratie komt uit een Israëlisch onderzoek naar de gang van zaken in een crèche. Al te vaak kwamen de ouders hun kind te laat ophalen. De leiding dacht de oplossing gevonden te hebben: men stelde een boete in voor te laat komen. Het gevolg was dat nog meer ouders hun kind te laat kwamen ophalen. Ze zeiden: luister, we betalen ervoor.’

Bewijst dat juist niet het grote geluk van geld? Met geld op zak kun je relaxter leven, met minder last van regels en regelneven. Is dat niet aangenaam?

‘Er is de laatste jaren enorm veel onderzoek gedaan naar de vraag: wat maakt mensen gelukkig? Grootschalige, empirische onderzoeken zijn het.

‘De mogelijkheid om vormen van afhankelijkheid af te kopen, dringt zich in die onderzoeken niet naar voren als toppunt van geluk.

‘Steeds komt als belangrijkste factor naar voren: familie, vrienden om je heen. Nestwarmte. Tijd om daarvan te genieten. Dat is uiteindelijk de doorslaggevende factor voor het menselijk geluk.’

Bedoel je te zeggen dat naar het spreekwoord wil, geld inderdaad niet gelukkig maakt?

‘Ja, dat sowieso. Er is echt veel onderzoek inmiddels, uit tal van landen in de wereld. Over een lang periode is aan mensen gevraagd: wat verdien je en hoe gelukkig ben je? Daar komt een heel consistent patroon uit.

‘Wie met heel weinig begint en gaandeweg meer verdient, wordt gelukkiger. Geen twijfel over. Maar vanaf een jaarinkomen van zo’n 20 duizend euro neemt het geluk in steeds geringere mate toe. De stijgende lijn gaat afvlakken. Totdat hij horizontaal loopt.

‘Wat je ziet bij materiële vooruitgang zijn tijdelijke sprongetjes in geluksbeleving. Als iemand opslag krijgt, zie je dat hij of zij eventjes euforisch is. Vrij snel verdwijnt die opgetogenheid weer en is men terug op een min of meer gelijkmatig geluksniveau.’

Wat maakt dat de gedachten van mensen behalve naar idyllisch geluk toch ook altijd uitgaan naar geld?

‘De buurman. Je vergelijkt je maatschappelijke positie altijd met die van je buurman. Als die het beter heeft, ga jij je bestedingspatroon opschroeven naar dat van de buurman. Waarom doe je dat? Omdat je je wilt meten. Met zijn huis, zijn auto. Het is een belangrijke drijfveer voor mensen om altijd maar weer de grens op te zoeken van wat ze financieel aankunnen.’

Op 31 december zat er 27 miljoen in de jackpot. Belastingvrij. Een paar miljoen Nederlanders dachten zichzelf onsterfelijk gelukkig te moeten maken en kochten een staatslot. Wat deden ze fout?

‘Je moet twee dingen goed uit elkaar houden: wat mensen dénken dat hen gelukkig maakt en wat hen daadwerkelijk gelukkig maakt.’

En wat zou beslissend zijn voor het handelen van mensen?

‘Wat zij dénken dat hen gelukkig maakt. Het maakt de zaak ingewikkeld, dat zie ik ook wel. De overheid kan erg zijn best doen het geluk van mensen te bevorderen en tegelijk kan dat geluksbevorderende beleid niet populair zijn. Daar zit een probleem.’

Ben je behalve zorgzaam niet ook belerend?

‘Nee. Het enige dat ik blijf benadrukken is dat inmiddels veel kennis aanwezig is over wat ons gelukkig maakt. Het zijn multidisciplinaire studies. Het is nog een jong wetenschapsveld. Psychologie zit erin, economie, sociologie, ook hersenwetenschappen. Tegen de overheid zou ik willen zeggen: benut die kennis.

‘Ik ben relatief positief gestemd over de mogelijkheid een klimaatcrisis, een financiële crisis te boven te komen. Ik kijk niet met een gevoel van onmacht naar de financiële wereld. Die gaat de komende tien, twintig jaar gewoon genoegen nemen met lagere rendementen.’

Maar de gewone burger – hoe komt die uit zijn toestand van angst en beven?

‘Het is natuurlijk een enge gedachte dat onze pensioenen minder waardevast blijken te zijn dan we altijd dachten. Maar mijn stelling is: we ontkomen er niet aan onze verwachtingen aan te passen. We hebben ons jarenlang voor de gek gehouden met idioot hoge rendementen. Dat gaat de komende tien jaar gewoon niet meer lukken.

‘De appel zal zuur zijn. Er is niks zo moeilijk voor mensen als hun financiële huishouding ingrijpend te moeten bijstellen. Van meer geld worden we maar een klein beetje gelukkiger. Het onderzoek leert ook: inleveren, teruggaan, dat doet echt pijn.

‘De teruggang in inkomen zal heel erg pijnlijk zijn. Dat is het beangstigende. Maar het aanpassingsvermogen van mensen is groot. Dat is het hoopgevende.’

Zou jouw pleidooi voor geluk boven geld niet meer voet aan de grond krijgen naarmate we vaker met de harses tegen de muur lopen?

‘Het is misschien wat cynisch, maar ik denk wel dat die gedachte klopt.’

Dus wat dat betreft: die hoeraatjes voor de kredietcrisis?

‘Dat zou het geval zijn als ik zou denken dat we nu vaak en hard genoeg tegen de muur zijn gelopen. Maar daar heb ik mijn ernstige twijfel over.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden