INTERVIEW

'Dambouw in Panama gaat beter mét ons dan zonder ons'

De bouw van een dam in Panama is stilgezet na klachten van de lokale bevolking. FMO, de bank die in het project investeert, houdt vol dat dit soort projecten goed zijn voor ontwikkelingslanden. 'Je kunt niet elk risico uitbannen.'

Nanno Kleiterp.

De Nederlandse ontwikkelingsbank FMO (Financiële Maatschappij voor Ontwikkelingslanden) wil dat de Panamese regering ondanks haar bezwaren doorgaat met de bouw van de waterkrachtcentrale Barro Blanco. De centrale ligt deels in gebied van indianen, die daardoor hun leefgebied verliezen en bovendien te maken krijgen met milieuschade. Tegenstanders verwijten FMO te veel waarde te hechten aan economische belangen en te weinig aan die van de bevolking, maar bestuursvoorzitter Nanno Kleiterp (1953) laat zich door die kritiek niet uit het veld slaan. 'Deze grootschalige projecten zijn juist nodig om ontwikkelingsimpact te realiseren.'

Niet voor het eerst wordt FMO geconfronteerd met schadelijke gevolgen voor de lokale bevolking. Heeft FMO wel voldoende controle op de bedrijven waarin het investeert?

'Het gaat inderdaad soms mis en we leren nog elke dag van onze fouten en de situaties waarmee we worden geconfronteerd. Er zijn veel dilemma's op het gebied van besluitvorming omtrent investeringen. Wij weten vaak niet of er voorafgaand voldoende consultatie heeft plaatsgevonden met de lokale bevolking. Het is soms lastig te achterhalen door wie de bevolking wordt vertegenwoordigd en of dat representatief is. De partij die nu zegt het voor de indianen in Panama op te nemen, heeft misschien wel heel andere belangen voor ogen.

'Onze externe consultants hebben ons bevestigd dat een meerderheid van de lokale bevolking voor het project is. Bovendien heb je in veel landen te maken met minder betrouwbare, disfunctionerende en wisselende overheden, maar zij zijn wel de partij die de grondconcessies uitgeven. Als ondernemer moet je er dan maar op vertrouwen dat zij de rechten van de lokale bevolking erkennen en hen compenseren wanneer nodig. Maar het is duidelijk dat we in de toekomst per geval nog beter naar die lokale situatie moeten kijken om een goede afweging te maken.'

Stuwdam Panama

De Nederlandse Investeringsbank FMO, die voor 51 procent in handen is van de Nederlandse staat en voor 6,6 miljard aan leningen heeft uitstaan aan bedrijven in ontwikkelingslanden, investeerde in 2008 25 miljoen dollar in het Panamese bedrijf Genisa voor de aanleg van een waterkrachtcentrale. Het bedrijf bouwde daarvoor een stuwdam in de rivier Tabasará en zette 259 hectare land onder water in het leefgebied van de indianenstam Ngäbe Buglé. De Panamese regering legde het bouwproject in februari stil na aanhoudend protest over de legitimiteit van de overeenkomst met de lokale bevolking en vanwege vermeende milieuovertredingen. Volgens FMO is geen sprake van onrechtmatigheden en moet de bouw worden hervat omdat anders ernstige veiligheids- en milieurisico's optreden. FMO wijst erop dat het Barro Blanco-project 28MW aan groene energie genereert, voldoende voor meer dan 50 duizend huishoudens. Het voorkomt daarbij de import van 180 duizend vaten ruwe olie en daardoor CO2-emissies.

Oxfam stelde eerder dit jaar dat ook de Wereldbank via zijn investeringsvehikel IFC bijdraagt aan negatieve effecten van investeringen als landonteigening, milieuschade en mensenrechtenschendingen. Is dit wel te voorkomen?

'Er bestaat een spanningsveld tussen bedrijfsinvesteringen en wat goed is voor de lokale bevolking en het milieu. Het is aan ons als investeerders daarin zorgvuldige afwegingen te maken. Maar moeten we dan maar helemaal geen grootschalige investeringen in ontwikkelingslanden meer doen? Dat lijkt me de verkeerde conclusie. Als we een verschil willen maken in ontwikkelingslanden, moet je schaalgrootte creëren. Ontwikkelingslanden hebben de bedrijfsinvesteringen hard nodig om werkgelegenheid en groei te creëren. We investeren daarom in het lokale midden- en kleinbedrijf, maar ook in grote bedrijven op het gebied van energie en landbouw. Die 600 miljoen banen die er (volgens de internationale arbeidsorganisatie ILO, red.) komend decennium wereldwijd moeten komen, zullen niet het resultaat zijn van een beetje microfinanciering.'

Suiker Sierra Leone

In 2011 tekende projectontwikkelaar Addax Bioenergy een contract voor de huur van 57 duizend hectare land in de regio Makeni in Sierra Leone voor de productie van suikerriet. Daarvan wordt bio-ethanol gemaakt voor export naar Europa. Het afval van het suikerriet zal worden gebruikt om elektriciteit mee op te wekken, circa eenvijfde van 's lands behoefte. FMO stak 39 miljoen in het project, dat als schoolvoorbeeld diende voor de winning van biobrandstoffen. Het project kwam echter onder vuur te liggen na een rapport van ActionAid, waaruit bleek dat sprake was van landroof. De arme boeren zouden niet zijn gekend in de plannen en nu honger lijden als gevolg van vermindering van landbouwgrond en houtkap. Volgens FMO is de beoordeling van het project zorgvuldig geweest. De organisatie is nu in gesprek met lokale organisaties om de positie van de boeren te helpen verbeteren.

Dus u neemt de risico's voor lief?

'Wie verschil wil maken, neemt risico's. De ontwikkelingsimpact van grote investeringen in energie of voedsel is veel groter dan die van een investering in een mkb-bedrijf, de impact op milieu en bevolking dus ook. Daarom is het ook zo belangrijk dat die investeringen in goed overleg plaatsvinden en met zorg worden uitgevoerd. Het is onze taak als investeerder daarop toe te zien en te eisen dat de ondernemer voldoet aan de internationale criteria op het gebied van milieu en mensenrechten. De ontwikkeling van projecten als de Barro Blanco-dam bijvoorbeeld gaat beter mét ons dan als wij er helemaal niet waren geweest. '

In het suikerrietproject in Sierra Leone, dat FMO ook ondersteunt, wordt de lokale bevolking over de bio-ethanolproductie geïnformeerd.

Hoe kan het nog beter?

'FMO is de eerste ontwikkelingsbank ter wereld die zijn beleid heeft aangepast. Wij sturen nu niet alleen op een gezond financieel rendement, maar ook op meetbare ontwikkeling op het gebied van sociaal-economische impact en milieu. Voorheen toetsten we slechts of ondernemers aan bepaalde criteria voldeden, nu kunnen we concrete doelen formuleren en die ook meten. Je kunt bijvoorbeeld nagaan hoeveel directe en indirecte banen door het project worden gerealiseerd.'

Impact investment heet die trend. Is er wezenlijk verschil?

'Het grote verschil met oude doelstellingen is dat FMO rekenmodellen heeft ontwikkeld om de maatschappelijke impact van de investeringen in ontwikkelingslanden te meten. Zo hebben we gemeten dat we wereldwijd de afgelopen drie jaar jaarlijks een half miljoen banen hebben gerealiseerd. Dat aantal moet in 2020 zijn verdubbeld naar 1 miljoen per jaar. Hetzelfde geldt voor het halveren van onze ecologische footprint. Het zijn misschien kleine stapjes, maar dit moet het model worden voor alle toekomstige investeringen. Alleen dan kunnen we straks nog op een verantwoorde manier op deze planeet leven en 9 miljard mensen voeden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden