Crisisproduct in de etalage

Die man van die sloophouten kasten – dat is Piet Hein Eek. Maar hij maakt ook meubelen van aluminium en metaal en ontwerpt huizen en interieurs....

Het is juni 2009 in een houtfabriek in Vietnam. Piet Hein Eek zit met acht mannen, een berg houten latjes en touw op de grond. Die mannen hebben jarenlang niets anders gedaan dan houten bestek maken – in opdracht van Fair Trade, voor de Europese markt. Komt er een ontwerper uit Geldrop, Nederland, die zegt: wat als we van jullie palmhout, dat vochtig is en krimpt zodra je het exporteert naar koude landen, latjes zagen, en die latjes aan elkaar rijgen in de vorm van een prullenmand, een fruitschaal, een onderzetter? Kan het krimpen en uitzetten wat het wil – ruimte genoeg.

Laat ons maar lepels maken, ziet Eek de mannen denken.

Spreekt Eeks reisgenoot van Fair Trade de wijze woorden: ‘We komen hier niet om te vragen wat jullie al kunnen, we komen hier om jullie iets nieuws te leren, zodat jullie langer bestaansrecht hebben.’

Piet Hein Eek: ‘Ik weet niet of dat het was, of het feit dat ik daar zelf als een gek heb zitten rijgen. Maar op een gegeven moment sloeg de stemming in de houtfabriek om, en kregen ze er zin in. Twee maanden later werd de eerste serie manden afgeleverd – prachtig, mooi gemaakt. Hadden ze dus toch iets van ons opgestoken.’

Het is de eerste keer dat Piet Hein Eek voor Fair Trade een serie producten heeft ontworpen die in een ontwikkelingsland worden gemaakt. Het verzoek kwam begin dit jaar. Hè nee, dacht Eek, naar Vietnam. ‘Ik vind het vreselijk om van huis te zijn.’

Waarom?

‘Vroeger dacht ik altijd dat ik niet van reizen hield. Ik zou nog steeds niet met een rugzak door India trekken, maar ik weet inmiddels dat mijn weerstand meer te maken heeft met niet weg willen zijn. Ik floreer bij routine. ’s Morgens naar mijn werk, ’s avonds weer naar huis, in het weekend zo min mogelijk ondernemen.’

Ben je het creatiefst als je zo min mogelijk doet?

‘Het is meer dat de ideeën aan de lopende band komen, ik ben een snelkookpan op het fornuis, een diesel die maar doorgaat. Maar ik moet de tijd hebben om die ideeën om te zetten in een ontwerp. Om te tekenen. Erover te praten. En dan is tien dagen op reis alleen maar verstorend.’

Waarom zei je toch ja?

‘Hoe zeg je nee tegen een organisatie die zonder winstoogmerk mensen in ontwikkelingslanden werk bezorgt? Ik was het aan mijn stand verplicht.’

Piet Hein Eek is de man die Nederland begin jaren negentig de sloophouten kast bracht. Inmiddels staan er in zijn showroom meubelen van hout, van aluminium, van metaal. Hij ontwierp een serie kindermeubelen en keramiek; hij maakt lampen met stoffen waarvan in Italië stropdassen worden gemaakt, hij ontwerpt huizen, interieurs voor De Bakkerswinkel, voor Sissy Boy, voor musea. In Frankrijk moet volgend jaar zijn eerste vakantiehuis zijn afgebouwd. In 2008 draaide hij een omzet van 3 miljoen.

Eek: ‘We doen heel veel, en van alles een beetje.’

Zijn klanten zijn ‘progressief links. Creatieven. Architecten en mensen uit de film- en televisiewereld.’

Zijn ergste nachtmerrie, toen hij net was begonnen als ontwerper: ‘Dat een klant mij de sleutel van zijn huis in de hand zou drukken en zou zeggen: ik ga twee maanden op vakantie, wil jij mijn huis even leuk inrichten?’

Waarom niet?

‘Omdat je dan een huis maakt uit een boekje. Ik wil elke keer opnieuw een nieuw verhaal gestalte geven.’

Piet Boon doet het wel.

‘Piet is stilistisch heel sterk. Hij is een maker, net als ik. Maar Piet maakt om een beeld te creëren, een herkenbare sfeer. Ik maak om iets nieuws te maken.’

Je bent meer een meubelmaker.

‘Absoluut.’

Meer ook dan Marcel Wanders?

‘Marcel is stilistisch enorm goed en marketingtechnisch ongelooflijk. Hij promoot vooral zichzelf als ontwerper, en daar is hij briljant in. Marcel is glamour. Ik niet. Ik ben meer organisch. Ik zeg altijd: als je mij neemt, dan doe je dat niet voor de buren.’

Hij vertelt over Het Westerhuis in Amsterdam, waar sinds vorig jaar Studio Marcel Wanders is gevestigd. ‘In een interview zei hij dat hij de rest van de wereld naar Amsterdam wilde halen. Hij bedoelde daarmee: ik heb de hele wereld rondgereisd, ik heb van alles gezien, en wat ik gezien heb, dat neem ik mee, en wil ik delen met de Amsterdammers.’

Eek vond het grappig om te lezen – te meer omdat hij, voor zijn nieuwe pand in Eindhoven, eenzelfde soort zin had bedacht: ik wil de wereld naar Eindhoven halen. ‘Maar ik bedoel er iets heel anders mee. Ik wil dat de rest van de wereld naar mij komt, om te kijken wat ik doe.’

Het nieuwe pand is een oude keramiekfabriek van Philips. Het oppervlak van het terrein is honderd bij honderd meter. In het hart moet zijn bedrijf komen: Eek en Ruijgrok bv, opgericht met zakelijk partner Ruijgrok. Het wachten is op een handtekening van de gemeente.

Zichtbaar zijn was de eerste motivatie om te verhuizen. ‘95 procent van wat ik ontwerp, komt nauwelijks op de markt omdat onze dealers niet genoeg ruimte hebben om de hele collectie te laten zien. In Eindhoven gaan we de deuren openzetten.’

Wat hij net zei, over Marcel Wanders, een klein beetje jaloezie zat daar wel bij. ‘Ik kan wel niet glamour willen zijn, maar glamour heeft ook voordelen. Want je krijgt er bekendheid mee, en meer klanten, en meer klanten betekent meer opdrachten, en dat betekent meer geld om te doen wat je wilt doen en je leven op een leuke manier in te richten.’

De tweede reden om te verhuizen was meer praktisch: het bedrijf groeit in Geldrop uit zijn jas. De showroom is te klein, in de werkplaatsen zitten timmermannen boven op elkaar.

Crisistijd, en Piet Hein Eek breidt uit.

‘Goed hè’, grinnikt hij. ‘Piet in oorlogstijd.’

Hij merkt weinig van de crisis. De verkoop is tien procent teruggelopen, maar daarvoor konden ze de orders niet aan, ‘dus in de facturatie maakt het niets uit’. Eek: ‘We zijn een internationaal bedrijf. Als de verkoop in Nederland even minder is, breiden we ons dealernetwerk buiten Nederland uit. Heb je meteen meer omzet.’

Hoe kun je uitbreiden in een tijd dat de woonmarkt op zijn gat ligt?

‘We hebben een product dat over de crisis gaat. Alles wat je tegenwoordig koopt, is met zo min mogelijk inspanning en aandacht gemaakt. Want hoe meer tijd je er in stopt, hoe minder je eraan verdient. Terwijl: het leuke is juist wanneer je als consument voelt dat iemand met aandacht jouw bank heeft gemaakt. Dat je weet welk materiaal hij heeft gebruikt, en waar hij dat materiaal vandaan haalt. Dat je bij wijze van spreken de maker de hand kunt schudden. Dat is het thema van deze tijd. En wij zijn al jaren zo bezig.’

Straks verhuist hij met veertig man personeel naar Eindhoven. Piet Hein Eek, eindelijk in de etalage. ‘Als je roept: tada, daar zijn we, dan moet je wel een goed verhaal hebben.’ En dus komt er in het hart de fabriek, er omheen de showroom.

Kopers kunnen de makers aan het werk zien. Maar er komen ook ateliers, en atelierwoningen. Een restaurant, misschien een bed and breakfast. Sowieso een galerie ‘met echte kunst’. Ze gaan verzamelingen presenteren. Eek heeft al contact met een man met een loods van tienduizend vierkante meter vol curiosa. ‘Hij heeft dezelfde passie voor spullen als ik, ik verzamel al mijn hele leven, mijn vrouw ook, we zijn ontzettende rommelaars.’

En als er iemand wijn wil verkopen – welkom. Een kookwinkel, mode-ontwerpers: idem dito. Zelfs met Paul Smith wordt gesproken over samenwerking. Eek: ‘Voor het hele concept geldt: het moet prikkelen. In een tijd dat je alles op internet kunt kopen, dat alles anoniem is, bieden wij onze klanten een plek waar contact met het product en met de maker centraal staat.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden