Chippendale uit de polder

Nederland paradeert over de catwalk. De jury van binnen- én buitenlandse deskundigen kijkt ademloos toe. Onze economie is favoriet. Maar wat is er zo speciaal aan ons?...

FRANK KALSHOVEN

SAMUEL BRITTAN, gerespecteerd economisch commentator van de roze Financial Times, sloot vorige week aan in de rij van bewonderaars, al bezong hij de deugden en prestaties van de Nederlandse economie terughoudender dan de afgelopen maanden gebruikelijk werd. Brittan heeft dan ook vaker een mooie economie staan aangapen. 'Een van de amusante taken van de economische commentator', schreef hij, 'is het aanschouwen van de veranderende schoonheidswedstrijd van economische rolmodellen.' Van het Franse 'indicatieve plannen' in de jaren zestig tot het rigoureuze Nieuw-Zeelandse liberaliseringsvoorbeeld van begin jaren tachtig: Brittan zag de modellen stuk voor stuk het toneel ophuppelen. En weer afgaan door de zijdeur.

Even is Nederland de mooiste man op het toneel, en ministers en ambtenaren genieten met volle teugen. Hans Wijers van Economische Zaken introduceerde eind vorig jaar de term 'deltamodel' - Nederland als rivierdelta vol verandering. En zijn topambtenaar Ad Geelhoed verdedigde zijn nieuwe voorkeur voor beleidsconcurrentie tussen deelnemers aan de Economische en Monetaire Unie onlangs met verwijzing naar het poldermodel - de schoonheid van Nederland is toch zeker geen Europese verdienste?

Door het feestrumoer zijn de kritische vragen die schoonheidswedstrijden toch plegen op te roepen, haast onverstaanbaar. De eerste is: wat beweegt de jury? Wat is er zo mooi aan ons? Dat poldermodel, wat is dat eigenlijk precies? En ten tweede: zijn de enthousiaste ministers en ambtenaren dezer dagen bezig het model te verfraaien, of verminken zij het juist?

De bewondering van de jury geldt vooral de inkomens- en werkgelegenheidsgroei. Volgens onderzoek van Goldman Sachs dat Brittan aanhaalt, presteerde Nederland tussen 1991 en 1996 op beide vlakken opvallend veel beter dan Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië; de VS scoorde iets beter, maar ten koste van meer inflatie dan Nederland.

De groei van werk en inkomen gaat in Nederland gepaard met - om nog even niet te zeggen: wordt veroorzaakt door - loonmatiging. De reële lonen per werknemer daalden in Nederland in de periode 1991-1996, net als in Groot-Brittannië; in de VS, Duitsland en Frankrijk namen de lonen toe.

Eigenlijk zou de jury dergelijke vergelijkingen moeten verbieden, hoe fraai de spieren van het Nederlandse model ook ogen. De gekozen periode is immers arbitrair, en minder dan één volwassen conjunctuurgolf lang. Bovendien bleef (minstens) één belangrijke maatstaf buiten beschouwing: de groei van het inkomen per hoofd van de bevolking. De ontwikkeling hiervan spreekt niet tot de verbeelding; en, zou een cynicus kunnen opmerken: 'Met meer mensen een groter inkomen verdienen is geen kunst.'

Eerlijker zou het zijn vergelijkingen te maken vanaf de introductie van het poldermodel. Dat verdient onze bewondering pas echt als de groei van inkomen (per hoofd) en werkgelegenheid vóór de introductie lager zijn dan daarna.

Maar dan zullen we toch eerst moeten weten hoe dat model er precies uitziet.

De jury is hierover verdeeld. Elk lid heeft zo zijn eigen liefhebberijen. Brittan noemt supply side-hervormingen zoals strengere anti-kartelwetgeving en de lankmoediger winkeltijdenwet - maar dat zijn maatregelen van midden jaren negentig (kartels), respectievelijk 1996 (winkeltijden). Wijers en Geelhoed benadrukken de belastingverlaging die dit kabinet sinds 1994 doorvoert - een doorzichtige poging het Nederlandse model paars te schilderen.

Er is ook overeenstemming in de jury, en wel over drie basiskenmerken die begin jaren tachtig zijn aangebracht. Het model heeft kloeke spierballen: via de koppeling van de mark aan de gulden onderhoudt Nederland de facto sinds 1983 een muntunie met de belangrijkste handelspartner, Duitsland. De rijksoverheid en de sociale zekerheid zijn bovendien vanaf die tijd op dieet gegaan. Het aandeel van de collectieve uitgaven in het totale inkomen daalde van 58,4 tot 47,4 procent tussen 1982 en 1996. Tegelijkertijd liep het financieringstekort gestaag terug van 9,5 procent van het nationaal inkomen in 1982 tot minder dan 3 procent vorig jaar. Kortom, de overheidsfinanciën zijn op orde gebracht en het monetaire beleid werd voorspelbaar en stabiel.

Maar het belangrijkste kenmerk, de sex-appeal van het Nederlandse model, is toch de loonmatiging, die sinds het Akkoord van Wassenaar in 1982 jaar in jaar uit wordt betracht. Wijers, Geelhoed, Brittan en al die andere dames en heren van de jury vinden het prachtig. Brittan: 'Een key feature.' Wijers: 'Belangrijk.'

Loonmatiging dus. Of liever: corporatisme, de manier waarop in Nederland de lobbygroepen van werkgevers en werknemers met elkaar omgaan. Want loonmatiging is de uitkomst van dat proces; en ofschoon het om de uitkomst te doen is, is juist het proces kenmerkend voor het poldermodel.

Ook toen corporatisme uit de mode was, en Samuel Brittan nog naar andere modellen gluurde, betoogde Coen Teulings al dat de loonvorming in Nederland efficiënter plaatsvindt dan op de zo flexibele arbeidsmarkt van de Verenigde Staten. Teulings (39) is een arbeidseconoom die de Universiteit van Amsterdam inmiddels voor vier van de vijf dagen inruilde voor het ministerie van Sociale Zaken. Hij vatte de resultaten van zijn onderzoekproject eind vorig jaar samen in het boekje De plaats van de vakbeweging in de toekomst.

EIND JAREN tachtig wees de internationale economengemeenschap nadrukkelijk naar vakbonden en werkgeversclubs als medeschuldigen aan de werkloosheid en stagnerende groei in Europa. Corporatistische instituties, cao's, en het opleggen hiervan aan alle werknemers in de bedrijfstak, verstoorden immers de marktwerking op de belangrijkste markt van de economie, die voor arbeid. Deze verstoring hield het ruimen van de arbeidsmarkt tegen, en veroorzaakte dus werkloosheid.

Deze kritiek van economen als Assar Lindbeck en Dennis Snower, en van Lars Calmfors en John Driffill, vond gretig aftrek in Nederland. De huidige minister van Financiën, Gerrit Zalm, econoom van huis uit, was in die dagen directeur van het Centraal Planbureau. Zalm maakte er destijds een gewoonte van het algemeen verbindend verklaren van cao's te bekritiseren - in het huidige regeerakkoord is hierover zelfs een passage opgenomen. En ambtenaar Geelhoed hamerde vorig jaar nog op de overenigbaarheid van corporatisme en globalisering: 'Wie waarschuwt tegen het doorsteken van de dijken in onze vaderlandse overlegpolder, waar de stand van het water tot op een kwart procent achter de komma wordt afgeregeld, vergeet dat de eigenlijke druk van het buitenwater komt, waarvan de standen in decimeters fluctueren.'

De afgelopen jaren, kortom, werd de Sociaal Economische Raad geschreven als Sociaal Economische Rem - lollig! - , en besloot de Tweede Kamer, op voorstel van de VVD-fractie, dat het overbodig was deze SER steeds om advies te vragen. Corporatisme was stroperig; stroperigheid moest bestreden worden.

Met zijn onderzoeksmaatje Joop Hartog bezorgde Coen Teulings het corporatisme een intellectuele come-back. 'Corporatisme is geen alternatief voor marktwerking en geen bescherming tegen de grillen van de wereldeconomie.' Nee, het is 'een systeem van instituties dat de marktuitkomst op soepele wijze tot stand brengt'.

DE GEBRUIKELIJKE kritiek op het corporatisme is dat insiders - zittende werknemers en de huidige bedrijven - zichzelf beschermen tegen nieuwkomers op arbeids- en productmarkt, de outsiders. Vakbondsleden bedingen te hoge lonen en houden werklozen die voor minder loon aan de slag willen, buiten de poort. De bedrijven, geconfronteerd met de hoge lonen, houden de werkgelegenheid laag en berekenen de hoge arbeidskosten door aan de consument. Consumenten en werklozen zijn de dupe van dit samenspannen van de insiders.

Teulings kijkt met een andere bril. Hem vallen aan de arbeidsmarkt twee kenmerken op. Ten eerste sluiten werkgevers en werknemers contracten voor langere, vaak zelfs voor onbepaalde tijd. Ten tweede wordt voor de zittende werknemers het loonniveau vooral bepaald door vastgelegde afspraken over loonschalen, niet door vraag en aanbod, en ook niet door individuele onderhandelingen.

Deze voorspelbaarheid van de relatie, zegt Teulings, zorgt er voor dat het voor werkgever en werknemer interessant is om in elkaar te investeren. De werkgever laat de werknemer toe tot kostbare bedrijfsopleidingen; de werknemer koopt een huis bij zijn werk in de buurt. Zonder vastigheid is dit soort investeringen te riskant.

Maar het is vastigheid in een marktomgeving. De werkgever zoekt op de arbeidsmarkt naar betere en goedkopere werknemers; zolang de vervangingskosten van de werknemer hoger zijn dan zijn loon, blijft wat de werkgever betreft de arbeidsrelatie in stand. De werknemer kijkt op een soortgelijke manier naar andere banen: betaalt een andere werkgever beter, dan eist hij van zijn huidige werkgever een zelfde loon, op straffe van vertrek.

Dit heronderhandelen tussen werkgever en werknemer is echter niet aantrekkelijk. De kans bestaat, dat de investeringen in elkaar alsnog vernietigd worden.

Hier komen de corporatistische instituties om de hoek kijken. Bij het aangaan van het arbeidscontract delegeren beide partijen de bevoegdheid te onderhandelen over de aanpassing van contracten aan vakbonden en werkgeversorganisaties. Zo omzeilen zij de patstelling.

En zo ontstaat er een systeem waarin drie soorten loonstijgingen bestaan. De initiële loonstijging, die voorwerp is van collectieve onderhandelingen. De periodieke loonstijging, conform de regels die aan het begin van de arbeidsrelatie overeengekomen worden. En, voor uitzonderingsgevallen, de incidentele loonstijging.

Corporatistische loonvorming, kortom, 'is een verfijnde combinatie van starheid en flexibiliteit'. 'Steeds als de organisatie stuit op haar marktgrenzen, nemen de marktkrachten het over van de vaste looncontracten. Binnen de marktgrenzen is starheid regel (afgezien van de corporatistische heronderhandelingen).'

Corporatisme, de sex-appeal van het poldermodel, is dus efficiënt. De veranderingen die het corporatisme sinds het Akkoord van Wassenaar heeft ondergaan - van centrale naar steeds decentralere afspraken - verandert aan deze conclusie niets. Het mooiste bewijs is de sinds 1982 gestaag volgehouden loonmatiging.

De - openliggende en onbeantwoorde - vraag is, of het enthousiasme van de jury voor het poldermodel zich vanaf heden ook uitstrekt tot vakbeweging en werkgeverslobbyclubs. Wordt corporatisme-bestrijder Gerrit Zalm de grootste fan van VNO-NCW-voorzitter Hans Blankert en FNV-baas Johan Stekelenburg?

Ook op andere plaatsen wordt gewerkt aan het slechten van intellectuele barrières die het op juiste waarde schatten van het poldermodel in de weg kunnen staan. Niet alleen op de arbeidsmarkt werd jarenlang flexibilisering bepleit terwijl we, in de visie van Teulings en Hartog, de juiste flexibiliteit al lang in huis hadden. Eenzelfde beweging is zichtbaar in de lopende discussie over corporate governance.

Wat is het doel van de onderneming? Een groeiende groep economen, en een even sterk groeiende groep bestuurders antwoordt:

shareholder value, waarde creëren voor de kapitaalverschaffende aandeelhouder. Deze van Angelsaksische culturen afgekeken doelstelling zou de ingeslapen klasse van Nederlandse bestuurders wreed wakker schudden. Het wordt tijd dat de kapitaalmarkt zijn disciplinerende werking gaat uitoefenen, zo klinkt het dan. Falende bestuurders moeten worden gestraft met (de dreiging van) een overname.

Het is de visie die uitmondt in beleidsrecepten die intussen vertrouwd klinken, en niet alleen uit de mond van Peter Paul de Vries, voorzitter van de VEB, de lobbyclub voor aandelenbezitters. Breek beschermingsconstructies af, want die maken overnames moeilijker. Geef de aandeelhouders meer directe invloed op de samenstelling van de raad van commissarissen van de onderneming. Zet de structuurvennootschap op de helling.

De parallel met het corporatisme op de arbeidsmarkt is bijna perfect. Het pleidooi voor flexibilisering van de arbeidsmarkt vindt zijn pendant in het pleidooi voor het laten werken van de 'markt voor corporate control'. Ook hier wordt bepleit de stroperige overlegcultuur, waarin bestuurders rekenschap afleggen aan alle stakeholders - aandeelhouders, werknemers én consumenten - in te ruilen voor één kristalheldere maatstaf: het netto rendement op het ingelegde vermogen.

En net als het corporatisme heeft ook de 'Rijnlandse onderneming' een intellectuele vaandeldrager: H.W. de Jong, emeritus hoogleraar Industriële Organisatie aan de Universiteit van Amsterdam.

VORIGE WEEK nog, in een themanummer van ESB, benadrukte De Jong dat de aandeelhouderwaarde-benadering slechts een theorie is, die minimaal twee goede rivalen kent. Er bestaat een 'ondernemerstheorie', die, voortbordurend op het werk van de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter, de nadruk legt op het scheppende, innoverende karakter van de onderneming. In plaats van een kostenpost, zoals in de aandeelhouderwaarde-benadering, geldt personeel in deze visie als het belangrijkste kapitaal. De aandeelhouder is in deze theorie helemaal niet zo belangrijk, net zo min als de disciplinerende werking van de kapitaalmarkt.

En dan is er nog de managementtheorie van de onderneming, waarin niet de aandeelhouders maar juist de bestuurders zorgdragen voor het opstellen en uitvoeren van plannen en het toezichthouden daarop. Aandeelhouders zijn relatief onbelangrijk. 'Daarentegen zijn de relaties met werknemers en vakbonden van groot belang om een ongestoord productieproces op gang te houden', schrijft De Jong.

In twee van de drie vigerende ondernemingstheorieën spelen aandeelhouders dus een ondergeschikte rol. Terwijl bovendien 'het optimisme van de theorie van de aandeelhouderwaarde over de corrigerende werking van de overnamemarkt tot nu toe niet overtuigend is gestaafd door onderzoek', zo stelt De Jong droog vast.

Sterker nog, en dat is dan weer het stokpaardje van Hans Schenk, De Jongs collega uit Rotterdam en Tilburg: overnames produceren slechts teleurstellingen. Overnames, laat zijn analyse zien, zijn vooral defensieve acties van angstige bestuurders.

De Jong zaaide vorig jaar op nog een andere manier twijfel over de logica van het aandeelhouderskapitalisme. Hij verdeelde de honderd grootste Europese ondernemingen in drie groepen met elk hun eigen zeggenschapskenmerken: een Angelsaksische, een Germaanse en een Latijnse groep. Vervolgens vergeleek hij hun prestaties.

De Jong moest concluderen dat 'de continentale ondernemingen een betere maatschappelijke prestatie leveren' dan de Angelsaksische. 'Blijkbaar heeft de druk van de kapitaalmarkt (. . .) een averechtse uitwerking op het prestatievermogen van grote ondernemingen.'

De Angelsaksische ondernemingen 'betalen een hoog aandeel van de netto toegevoegde waarde aan aandeelhouders in de vorm van dividend, maar hebben een lager dan gemiddelde productiviteit per werknemer, een geringere groei van de totale toegevoegde waarde, en reduceren de werkgelegenheid, vooral in recessiejaren, sterker dan de continentale ondenemingen'.

Als het waar is dat de Nederlandse economie goed presteert; als het waar is dat het corporatisme hieraan een belangrijke bijdrage levert als smeermiddel van de loonvorming; als het waar is dat Nederlandse ondernemingen juist goed presteren doordat de aandeelhouder op afstand wordt gehouden; als dat allemaal waar is, dan staat het poldermodel volkomen terecht in de internationale schijnwerpers.

Tegelijkertijd past de pleitbezorgers van andersoortige flexibiliteit op de arbeidsmarkt en van aandeelhouderskapitalisme dan bescheidenheid.

Maar presteert Nederland goed? De maatstaf is hierbij belangrijk. En het land waarmee vergeleken wordt. Zoals Geelhoed opmerkt: 'Wat naar Europese maatstaven tamelijk goed lijkt, kan naar Amerikaanse of Oost-Aziatische maatstaven bepaald onvoldoende zijn.'

En de prestaties van het poldermodel verbleken naast die van de Aziatische economieën. Mr. World zal Nederland wel niet snel worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden