Chinezen geloven enkel in spaarvarken

De Volksrepubliek jubileert, maar economisch valt er weinig te vieren. Het volk spaart te veel. 'Vroeger stopten de Chinezen hun goud onder de grond, nu zetten ze het op de bank.' De regering grijpt naar Keynesiaanse oplossingen....

CHINESE stedelingen winkelen graag. De grote warenhuizen zijn vooral op zaterdag en zondag barstensvol. Toch wordt er verrassend weinig omgezet. Dat komt omdat de meeste mensen niet komen om te kopen, maar om te kijken. Eigenlijk zijn de winkels dus leeg. Tegelijk zijn de Chinezen grote spaarders. Als ze een paar stuivers over hebben, zetten ze die op de bank. Daar moet je vaak lang wachten voordat je nummertje wordt omgeroepen.

Lege winkels, volle banken. De mensen kopen niet, maar ze sparen. Het is het meest zichtbare aspect van China's economische crisis. Hoezo, crisis? De Chinese economie groeit niet meer met dubbele cijfers, maar de 7,8 procent van vorig jaar was toch zeer respectabel? Dit jaar wordt het een tikkeltje minder, maar een groei van 7 procent doet nog altijd de rest van de wereld watertanden.

Nu kan er in China met cijfers flink gegoocheld worden. De werkelijke groei zal wel een paar procent lager zijn. Dat zou nog geen ramp wezen als er niet zo veel werklozen zouden zijn: naar schatting twintig miljoen in de steden en tachtig miljoen op het platteland. Het kritische punt schijnt te liggen rond de 5 procent van de beroepsbevolking. Een lagere groei zou het negatieve effect van de werkloosheid niet meer kunnen opvangen.

De werkloosheid in China is het product van de bruuske modernisering van de mislukte planeconomie. Thans vigeert de 'socialistische markteconomie met Chinese karakteristieken', die het restant van de utopieën uit Mao's tijd in de vuilnisbak wil doen. Staatsbedrijven moeten rendabel zijn, en niet meer leven op kosten van de staatsbanken. Als sanering of privatisering niet lukt, kunnen ze beter sluiten. Banen kost het in elk geval.

Andere sociale gevolgen van de modernisering komen daarbij. De afbraak van de socialistische verzorgingsstaat is in volle gang. Vroeger, toen iedereen even arm was, bestond er complete werkgelegenheid, al was de helft van de banen overbodig. Vroeger waren onderwijs en gezondheidszorg gratis. Vroeger betaalde je een schijntje aan huur. Vroeger wist je zeker dat het pensioen waarop je recht had, ook werd uitbetaald. Vroeger, zeggen de armen, was alles beter.

Tegenwoordig zijn er nog steeds veel armen, maar ook een groeiend aantal rijken. Steeds meer kosten moeten door de burgers zelf worden opgebracht. En als de overheid slecht bij kas is, gaat de betaling van pensioenen en werkloosheidsuitkeringen niet door. Daarom houden de mensen de knip op de portemonnee. Want wie weet worden ze straks ontslagen, of kunnen ze de dokter of de school van hun kind niet betalen. Of moeten ze een eigen huis kopen omdat het systeem van de symbolische huurprijzen is afgeschaft.

Onzekerheid over de toekomst roept wereldwijd dezelfde reactie op: sparen. 'Vroeger stopten de Chinezen hun goud onder de grond', zegt een manager. 'Daarna verborgen ze hun geld in de muur. Tegenwoordig zetten ze het op de bank. Een hele vooruitgang. Maar het is niet goed voor de economie. Ze zouden hun geld moeten uitgeven.' Hetgeen de Chinezen halsstarrig weigeren. Samen hebben ze op de bank een bedrag uitstaan van 6.000.000.000.000 yuan, omgerekend anderhalf biljoen gulden. Dat is ruim 70 procent van het bbp, het bruto binnenlands product. In Nederland is het zo'n 200 procent.

De regering probeert de portemonnees open te krijgen en daardoor de fabrieken weer te laten produceren. Consumptie maakt immers liefst 60 procent van het bbp uit. De mensen moeten vooral auto's, huizen en kantoren kopen. Maar de nationale automobielindustrie rouwt al vier maanden om de haast verticaal gedaalde verkopen, terwijl in veel steden de helft van de nieuwbouw leegstaat. Deze week is besloten de hypotheekrente te verlagen en de aflostermijn te verlengen. Experts verwachten daar geen wonderen van zolang een flatje van zestig vierkante meter evenveel kost als veertien complete jaarlonen van een modaal Chinees tweeverdienersgezin.

Tot zeven keer toe heeft de regering de rente verlaagd om het sparen onaantrekkelijk te maken. Het heeft niets uitgehaald, want de prijzen daalden verder, waardoor de reële rente ongeveer gelijk bleef. Vorige maand gingen de prijzen voor de 23ste achtereenvolgende maand naar beneden. Vergeleken met twaalf maanden tevoren werd het leven voor de Chinezen 2,6 procent goedkoper.

Prettig voor de consument, die deflatie, maar een ramp voor het producerende deel van de natie, speciaal voor de toch al noodlijdende staatsbedrijven. Overproductie is de regel. Veel fabrieken maken dezelfde, vaak overtollige producten. Voor elke Chinees liggen in de magazijnen drie onverkoopbare overhemden klaar. De tv-fabrieken draaien op de helft van hun jaarcapaciteit van 70 miljoen toestellen, en van die 35 miljoen worden er maar 15 miljoen verkocht.

Veel producenten reageren verkeerd. Ze passen zich niet aan de vraag aan, maar beginnen een prijzenoorlog tegen elkaar, hoewel ze al diep in de schulden zitten. Zo jagen ze elkaar het bankroet in en wakkeren ze de deflatie alleen maar aan.

Vorige maand ging de regering de wildgroei in de productie te lijf. Ze verbood alle projecten voor de fabricage van spullen waarvan de winkels al uitpuilen: van video-cd's en plastic zakken tot fietsen en tandpasta, van huishoudelijke apparaten en snoepjes tot appelsap en sterke drank. Ook werd een stop uitgevaardigd op de bouw van nog meer luxe-appartementen, kantoren en hotels.

De deflatie is niet alleen een economisch, maar vooral ook een politiek probleem van de eerste orde. Want door het inzakken van de vraag groeit de werkloosheid en daardoor de kans op sociale onrust. En er is niets waarvoor de partij zo obsessief bang is als de verstoring van de 'sociale stabiliteit'. Of de vermeende verstoorders nu dissidenten zijn, volgelingen van de boeddhistische ademhalings- en meditatiesekte Falun Gong, gelovigen van niet-erkende kerkgenootschappen of betogende werklozen.

De regering staat voor een lastig dilemma. Als ze de verliesgevende fabrieken sluit, riskeert ze sociale onrust, maar als ze die bedrijven in naam van de stabiliteit openhoudt, kost dat handen vol geld. Op haar jaarlijkse conclaaf heeft de partijleiding deze week besloten het één te doen en het ander niet te laten: 'De pogingen moeten doorgaan', meldde het officiële communiqué na afloop, 'om het aantal overtollige werknemers terug te brengen en de winst van de bedrijven te vergroten, te zorgen voor nieuwe banen voor de ontslagen arbeiders, de sociale veiligheid te handhaven en meer mogelijkheden te scheppen voor de werklozen'. Is dat niet zoiets als het kwadrateren van een cirkel?

De belofte van premier Zhu Rongji om de staatsbedrijven te saneren, is stukgelopen op een taai systeem, dat de uiterste grens van zijn hervormbaarheid lijkt te hebben bereikt. China's economische tsaar heeft zoveel vijanden gemaakt, dat de staatsbedrijven uit zijn portefeuille zijn gehaald. Daarmee bemoeit zich nu rechtstreeks partijleider-president Jiang Zemin. Hij krijgt te maken met lokale partijpotentaten die de staatsbedrijven als hun economische dépendances zien en daarom hun greep erop niet gemakkelijk zullen prijsgeven.

Het heeft Zhu ook niet meegezeten. De buitenlandse investeringen zijn sterk gedaald, de eerste helft van 1999 met 10 procent op jaarbasis. En China heeft flink te lijden van de Azië-crisis. De weigering om met de buurlanden mee te devalueren leverde Peking veel westerse pluimpjes op. Maar de Chinese export, die vroeger groeide met 20 procent per jaar, liep even drastisch terug als de import groeide.

De laatste twee maanden gaat het met de export weer wat beter, en met de reserves in buitenlandse valuta gaat het uitstekend. Maar het is nog te vroeg om te zeggen dat de neerwaartse trend ten einde is. China houdt nog steeds vol dat het niet zal devalueren, maar niet meer zo stellig als tot voor kort gebruikelijk waren.

Voorlopig is het ambitieuze hervormingsproject uitgelopen op een Keynesiaans programma van massale overheidsinvesteringen in wegen, elektriciteitscentrales en andere openbare werken. De laatste anderhalf jaar is daaraan het monumentale bedrag van 50 miljard gulden besteed. Dat paardenmiddel voor het opkrikken van de economie heeft geen effect meer. Daarom heeft men vorige week besloten tot meer van hetzelfde: de staat gaat zich nog verder in de schulden steken door opnieuw te investeren in infrastructuur, nu voor vijftien miljard gulden. De lokale besturen en de banken zouden dat bedrag minstens moeten verdrievoudigen.

Daarmee is het grove geschut om de groei te bevorderen niet verstomd. Eerst werd een belasting ingesteld van 20 procent op de spaarrente. De boodschap heeft iedereen gesnapt: haal zoveel mogelijk geld van je spaarrekening en geef het uit voordat de overheid je rente afroomt. Daarna kwam een douceurtje ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de Volksrepubliek op 1 oktober: een verhoging van 30 procent van de lonen en uitkeringen.

Daarvan profiteren alle werknemers van de overheid (behalve de militairen, want die moeten gestraft worden voor diverse spionageschandalen), de gepensioneerden en de miljoenen mensen die door de staatsbedrijven op straat zijn gezet en geen nieuw werk hebben gevonden. Tot nu toe is een rush op de winkels uitgebleven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden