Bij Feyenoord werd minder juist meer

Minder is meer, less is more. Volgens die filosofie heeft Raymond Verheijen tussen 2006 tot 2008 vormgegeven aan de jeugdopleiding van Feyenoord....

Hij wilde lering trekken uit zijn onderzoek en laten zien dat het anders kon. Jongens die zijn geboren in december verdienen even veel kans op een loopbaan als voetbalprof als jongens uit januari, was zijn gedachte. Niet de fysieke gesteldheid moet doorslaggevend zijn, maar het ‘voetballende vermogen’.

Bij Feyenoord werden de spelers niet langer meer ingedeeld per 24 maanden, maar per 12 maanden om de fysieke verschillen minder groot te maken. Naast de A1 en B1 kwam er een A2 en B2. Daarnaast werd de scouting aangepast. Spelers werden bij open dagen ingedeeld per drie of zes maanden in plaats van per jaar.

‘Dat is een enorme verbetering. Als je jongens uit het vierde kwartaal met elkaar laat voetballen blijken sommigen ineens heel goed te zijn. Dan lukt een pass wel, dan worden ze niet van de bal gezet. Ze hebben geen last van die grote gasten uit het eerste kwartaal.’

Omdat oudere en jongere spelers binnen een jaargang nog steeds bij elkaar waren ingedeeld, nam Verheijen meer maatregelen. Hij ging minder vaak trainen, van zes keer per week naar vier keer. Jongere, minder ontwikkelde spelers trainden soms nog minder.

Tegennatuurlijk? Dat is een veel voorkomende reactie op de maatregel van Verheijen. De voor de hand liggende gedacht is immers dat de jongere spelers meer moeten trainen om hun achterstand op de ouderen in te lopen. Dat is fout, meent hij.

‘De kleintjes hebben energie nodig om te groeien. Als ze dat niet doen, lopen ze op hun tenen, dan raken ze oververmoeid, daarna geblesseerd en vervolgens vallen ze af.’

Ook de keuze voor minder trainingen was doordacht. Topvoetbal draait om handelingssnelheid. Hoe hoger het niveau, hoe kleiner de ruimtes tussen spelers en hoe minder tijd er is om met de bal iets goeds te doen.

‘Je wilt dat jongere spelers steeds sneller leren handelen. De grootste vijand van dat proces is vermoeidheid. Als je vermoeid wordt, zakt de handelingssnelheid en verleg je geen grenzen. Je kunt beter wat minder vaak en uitgerust trainen, dan vaker en vermoeid.’

Minder is meer – bij Feyenoord kwam het uit. Hoewel de spelers per week van zes naar vier trainingen teruggingen, kwamen ze volgens Verheijen per jaar op een hoger aantal sessies uit.

Het aantal blessures zakte drastisch, waardoor spelers minder trainingen misten en ze per saldo op meer uitkwamen. Verschillende jeugdelftallen van Feyenoord werden plotseling kampioen. En Feyenoorders zijn weer prominent aanwezig in Nederlandse jeugdelftallen.

Verheijen illustreert zijn filosofie met de ontwikkeling van een jonge speler die in de jeugd furore maakte en dicht tegen het eerste elftal aanzit: Luc Castaignos. Hij speelde drie jaar geleden bij Spartaan ’20 en trainde twee of drie keer per week. Hij werd gescout door Feyenoord, waar viermaal trainen normaal was. In plaats van meer moest hij minder trainen.

‘Naar een hoger niveau overstappen en meer trainen; dat is vragen om moeilijkheden. Elk talent krijgt een terugslag, tenzij je hem de tijd geeft om zich aan te passen. Neem deze simpele metafoor. Als je begint met hardlopen, kun je misschien een half uur 10 kilometer per uur lopen. Als je de week erop 15 kilometer per uur wilt lopen, hou je dat een kwartier vol.

‘Een hogere intensiteit is moeilijker. Dus als een talent naar een hoger niveau gaat, kan hij het minder lang volhouden. Daarom moet hij eerst minder doen. Vervolgens wordt de belasting geleidelijk opgebouwd, zodat zijn lichaam de kans krijgt zich aan te passen.’

Die trainingsfilosofie van Verheijen zal niet door iedereen worden gedeeld, maar zijn andere maatregelen vinden wel gehoor. Een half jaar na de publicatie van zijn onderzoek Het periodiseren van voetballen hebben verscheidene clubs hun scouting- en opleidingsbeleid aangepast.

Volgens Verheijen is de tendens bij clubs om jeugdspelers niet langer per 24 maanden, maar per 12 maanden in te delen. In plaats van drie jeugdelftallen (A1, B1 en C1) hebben ze er zes. (dus ook een A2, B2 en C2). Buiten de randstad gaan de profclubs daarom meer samenwerken, omdat ze anders niet voldoende talenten hebben om de elftallen te vullen.

Verscheidene clubs scouten ook per drie of zes maanden, zoals Feyenoord. Tot vreugde van Verheijen: ‘De kleine voetballer moet beter worden beschermd. Spelers als Messi en Sneijder zijn zo goed omdat ze in een kleine ruimte snel kunnen handelen. Daar moet je in de jeugd op scouten, want fysieke verschillen doen er minder toe naarmate spelers ouder worden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden