Begin van een dollemansrit van vijftig miljard

De internet-goudkoorts begon in 1995 in de Verenigde Staten met het beursdebuut van een onbekend bedrijf. Niemand die dacht dat Netscape zó gewild zou zijn....

Het bedrijfje bestond op 9 augustus 1995 amper zestien maanden, draaide met verlies en verwachtte het jaar af te sluiten met 33 miljoen dollar omzet. Van het enige product dat Netscape aan de man bracht – een webbrowser – had het grote publiek nog geen enkel benul. In de maanden daarvoor had het onderneminkje dit hulpgereedschap voor internet gratis weggegeven. Softwaregigant Microsoft werkte aan een eigen browser.

Het deed er niet toe: toen de kruitdampen op Wall Street aan het einde van die 9de augustus waren opgetrokken, was Netscape 2,3 miljard dollar waard. Zo groot was de toeloop op de aandelen van het bedrijf geweest, dat de beurs er pas na anderhalf uur in slaagde een notering op het bord te krijgen.

Die dag overleed ook Jerry Garcia, de voorman van de legendarische rockband Grateful Dead en warm pleitbezorger van internet. In Silicon Valley, het hart van de Amerikaanse computerindustrie, deed al snel een grapje de ronde over Garcia’s laatste woorden: ‘Netscape opende op hóeveel?’

Het internetbedrijf zag zijn aandeel op de dag van de introductie 106 procent in waarde stijgen. Het zou maanden later een piek bereiken van 171 dollar. Het was in de geschiedenis van de beurs de op drie na grootste klapper van een fonds op zijn eerste handelsdag. Er zouden er meer volgen. In 1999, toen de internethype Wall Street volledig in zijn greep had, waren er negen bedrijven die op de eerste dag hun aandelenprijs vier tot zeven keer over de kop zagen gaan.

‘Netscape heeft beursgeschiedenis geschreven, maar meteen ook tot bezorgdheid bij beleggingsexperts geleid’, schreef de Volkskrant de dag na de introductie. ‘Sommigen waarschuwen bedrijven ervoor niet al te hebzuchtig te worden en van de beleggersmanie te profiteren door met een te hoge koers naar de beurs te gaan.’

Wijze woorden, alleen drongen ze pas vijf jaar later tot beleggers door. Eerst zouden nog meer dan achthonderd Netscapes de gang naar de beurs maken, om vijftig miljard dollar uit de zakken van beleggers te kloppen. Op 10 maart 2000 had de internetgekte zijn piek bereikt. Die dag begonnen de koersen op de Nasdaq, de Amerikaanse handelsbeurs van technologiefondsen, aan een vrije val. Aan het eind van dat jaar zou meer dan driekwart van de totale waarde van de fondsen zijn verdampt.

Een natuurlijke correctie, zo omschreven economen de dotcom crash later. In de waardering van de internetbedrijven had veel lucht gezeten. Die ‘zeepbel’ was geknapt. Grote internetbedrijven zegen als kaartenhuizen ineen. Zo liet Webvan.com, een online supermarkt, in acht steden warenhuizen achter met een waarde van een miljard dollar. Toen het bedrijf omviel, gingen tweeduizend banen verloren. Het voedsel in Webvans opslagloodsen werd geschonken aan plaatselijke gaarkeukens.

Die sombere gebeurtenissen waren nog ver weg in de zomer van 1995, toen de plannen voor een beursgang van Netscape werden gesmeed. De geldschieters van het eerste uur hadden daar wel oren naar. Vooral toen concurrenten zich ook op dat vlak begonnen te roeren. Financieel directeur Peter Currie herinnert zich in Fortune een bestuursvergadering, waarop de grootste investeerder, Jim Clark, de verkoop van aandelen aan de orde stelde. ‘Ik was de enige dwaas die tegenwierp dat het wel erg snel was. Maar ik dacht ook: dit valt wel verdomd goed te verkopen.’

Toen de beslissing was gevallen, ontstond er een ware run op de aandelen. Particulieren, vaak toe aan hun eerste belegging, belden de telefooncentrale van Netscape plat. Een beller werd verteld dat hij zich voor aandelen moest melden bij een van de banken die de beursgang begeleidden, Morgan Stanley of Hambrecht & Quist. ‘Schrijf ik dat als hamburger kissed?’ Afgeschrikt door de moeilijke naam, vroeg hij toen te worden doorverbonden met ‘meneer Stanley’.

Voor Morgan Stanley was Netscape die week niet eens de belangrijkste klant. De zakenbank hielp ook J.I.Case, een 160 jaar oude tractorfabrikant, een notering te krijgen. ‘Dat was een veel grotere beursgang’, vertelt bankier Frank Quattrone in Fortune. ‘Er hing zo’n stemming van: we moeten vooral tractoren verkopen, schat.’

Jim Barksdale, de directeur van Netscape die net een half jaar in dienst was, had gesprekken over de aandelenkoers op de werkvloer verboden. Dat zou maar afleiden. Toen hij de ochtend van de eerste handelsdag op kantoor verscheen, had zijn secretaresse een koersteller boven haar bureau gehangen. ‘Wat doet dat daar?’, vroeg Barksdale. ‘Ik dacht dat je een grapje maakte’, luidde het antwoord. De ticker verdween in een la.

De euforie zou een jaar duren. Toen verscheen Microsoft aan de horizon met de Internet Explorer 3.0, een browser die zich niet alleen technisch kon meten met die van Netscape, maar ook op iedere nieuwe computer stond geïnstalleerd. Dat rechters die tactiek later veroordeelden, mocht Netscape niet meer baten. Hoe hard Marc Andreessen, het technisch brein achter het bedrijf, ook riep dat hij Windows – het belangrijkste product van zijn tegenstrever – overbodig zou maken. De software onder de motorkap van vrijwel elke pc omschreef hij als ‘een doorsnee verzameling niet helemaal bijgeschaafde stuurbestanden’.

In 1999 werd het bedrijf nog voor vier miljard dollar in aandelen opgekocht door ’s werelds grootste internetprovider AOL. Sinds 2003 is de startup die de aanzet gaf tot de internet-revolutie niet meer dan een clubje softwaremakers – net als in het begin.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden