Honderden vrijwilligers en reddingswerkers verzamelen zich rondom de ingestorte kledingfabriek in Dhaka, Bangladesh.
Honderden vrijwilligers en reddingswerkers verzamelen zich rondom de ingestorte kledingfabriek in Dhaka, Bangladesh. © AFP

Bangladesh: 200 doden die 20 cent per uur verdienden voor onze goedkope T-shirts

De ingestorte fabriek in Bangladesh, waar kleding voor grote westerse bedrijven werd gemaakt, is het zoveelste incident in een land dat bekend staat om zijn goedkope arbeidskrachten, maar ook om zijn extreem gevaarlijke werkomstandigheden. Wat wordt hiertegen gedaan? En wie is verantwoordelijk?

Dinsdag werd er een grote scheur ontdekt in Rana Plaza, het acht verdiepingen tellende gebouw in een buitenwijk van Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh. Een overheidsfunctionaris inspecteerde het gebouw en adviseerde de werknemers om niet naar binnen te gaan.

Maar de volgende morgen garandeerde de eigenaar dat het gebouw veilig was en dat werknemers dus gewoon konden werken. Deden ze dat niet, dan konden ze naar hun salaris - een luttele 14 of (voor gevorderden) 24 cent per uur - fluiten.

Ruim 3100 arbeiders besloten daarop toch naar binnen te gaan. Een uur later stortte het gebouw in. Inmiddels zijn 200 lichamen geborgen, voornamelijk vrouwen. Honderden liggen onder het puin, nog eens duizend in het ziekenhuis.  

Dit incident staat niet op zichzelf. Afgelopen november vielen er 112 doden bij twee branden in een textielfabriek. In 2010 stortte een kledingfabriek in: 25 doden. In 2005 werden er 64 lichamen geborgen nadat er een fabriek instortte.

Letterlijk in de val
Actiegroepen en vakbonden waarschuwen al jaren voor de extreem onveilige werkomstandigheden in Bangladesh - na China de grootste exporteur van kleding in de wereld. Bijna alle grote westerse merken hebben er fabrieken staan. Ook in Rana Plaza werd kleding geproduceerd voor westerse bedrijven, waaronder het Britse Primark, het Spaanse Mango, het Italiaanse Benneton, de Amerikaanse merken The Children's Place en Dress Barn en het Canadese Joe Fresh. De vraag is: weten deze bedrijven onder welke omstandigheden de kleding wordt geproduceerd, en zijn ze daarmee dus medeverantwoordelijk?

'Ze moeten het weten, en ze weten het ook', zegt Christa de Bruin van het in Amsterdam gevestigde Clean Clothes Campaign, dat een alliantie van ngo's en vakbonden vertegenwoordigt die opkomen voor verbeterde omstandigheden in de kledingindustrie. 'Het is al jaren bekend dat de omstandigheden waarin werknemers in Bangladesh werken erg onveilig zin', vervolgt De Bruin. 'Er zijn honderden doden gevallen door branden, slechte bedradingen, doordat er geen vluchtuitgangen of nooduitgangen zijn en omdat er illegaal verdiepingen op gebouwen worden gezet. Bij de brand in een textielfabriek vorig jaar zaten er tralies voor de ramen. De werknemers zaten letterlijk in de val.'

Zo goedkoop mogelijk
Volgens De Bruin is de herhaling van incidenten te wijten aan 'laksheid en nalatigheid' van westerse bedrijven, die liever hun oogkleppen opzetten dan actie ondernemen. Want dat laatste kost geld. En kleding moet wel zo goedkoop mogelijk blijven. Dat wil de consument immers. 

'Het is goed dat de consument nu beelden uit Bangladesh ziet', zegt De Bruin. 'Consumenten moeten beseffen dat dagelijks arbeiders hun leven riskeren om goedkope T-shirts te produceren'.

In een interview met het fashionmagazine WWD hamert de beroemde Italiaanse modeontwerpster Miuccia Prada op meer bewustwording onder consumenten. Ze noemt het 'hypocriet' dat consumenten vaak geen idee hebben waarom hun kleding zo goedkoop is. 'Als je mensen betaalt om alles volgens het juiste systeem te doen, dan kost dat geld. Dezelfde mensen die kritiek leveren op de gevaarlijke productiemethoden, houden van goedkope kleding omdat ze denken dat dat democratischer is. Dat vind ik behoorlijk hypocriet.'

Regelmatige controle
Niet lang nadat bekend werd dat Rana Plaza was ingestort, lieten een aantal betrokken westerse bedrijven weten het incident 'te betreuren'. Primark gaf een verklaring uit waarin stond dat ze werken aan nieuwe richtlijnen voor verbeterde arbeidsomstandigheden in productielanden. Ook de kwaliteit van de bouwconstructie zal als criterium worden opgenomen, beloofde het kledingbedrijf.

In een verklaring van het Canadese merk Joe Fresh viel te lezen dat het bedrijf producten op 'maatschappelijk verantwoorde wijze maakt', dat het zich 'verzet tegen kinder- en dwangarbeid' en dat het werknemers voorziet van een eerlijke beloning. 'We controleren deze normen op regelmatige basis'.

De Bruin is sceptisch. 'Op papier roepen ze van alles, maar in de praktijk gebeurt er weinig.' Ze heeft haar hoop gevestigd op het Bangladeshi Fire and Building Safety, een door vakbonden en bedrijven opgestelde overeenkomst die voorziet in de herziening van regelgeving, een grotere rol voor vakbonden en onafhankelijke inspecties. Twee bedrijven hebben de overeenkomst tot nu toe ondertekend: Kibo en Phillips Van Heusen (PVH), dat merken als Tommy Hilfiger en Calvin Klein beheert.

In de overeenkomst is ook opgenomen dat de Bengaalse overheid de regelgeving strenger moet naleven, maar op dit punt wringt de schoen, want hoe belangrijker de rol van de kledingindustrie, hoe aannemelijker dat de overheid een oogje dichtknijpt. Zoals Scott Nova, de directeur van The Workers' Rights Consortium het tegenover CNN verwoordt: 'Hoe groter de gevaren, des te meer bedrijven naar Bangladesh trekken en hoe minder groot de druk voor de overheid om dingen te fixen. We vragen ons elke dag af wat er nodig is voordat er echt actie wordt ondernomen.'