Avonturiers? Wij?

Volkskrant-redacteur Henrico Prins vertrok vorig jaar met zijn gezin naar Nieuw-Zeeland en vindt zichzelf terug in een avontuur waarvan veel mensen blijken te dromen....

tekst & fotografie Henrico Prins

De idyllische versie van dit verhaal begint in 2006 een kilometertje voorbij het vliegveld van Christchurch, The Garden City, een uitgestrekte stad van dik 370 duizend inwoners die met zijn rug tegen de Stille Oceaan ligt, met zijn kont op een ouwe vulkaan rust en zijn kop gericht houdt naar het blikkerende wit op de toppen van de Southern Alps.

We zijn geland, hebben onze net iets te grote huurauto opgepikt, zoeven langs vrolijk gekleurde tuinen met grote huizen. Of nee, zoeven is niet het goede woord, we rijden gewoon zachtjes, zoals iedereen om ons heen. Nou ja, iedereen om ons heen: drie, vier auto’s, daar heb je het wel mee gehad. We rijden af op een kruising, stoppen, kijken naar links en naar rechts en zeggen ongeveer tegelijk tegen elkaar: ‘Hier dan maar?’ Ja, hier dan maar. Hier willen we wel wonen.

Het toeval heeft ons, een man en een vrouw en twee jongetjes van 6 en 3, naar Nieuw-Zeeland gebracht. De broer van mijn echtgenote heeft hier tijdens een wereldreis een meisje leren kennen en nu, vijf jaar later, gaan ze trouwen. Natuurlijk kan de Nederlandse familie bij die bruiloft niet ontbreken.

Vanaf de dag waarop ons, in Nederland, duidelijk is geworden dat zo’n feest er echt gaat komen, zeg ik: ‘Koop voor mij maar een enkeltje.’ Ik ben er nog nooit geweest, in Nieuw-Zeeland, maar het voelt goed. Naderhand heb ik dat nog dikwijls aan mensen moeten uitleggen, maar hoe ik mijn best ook doe, het wil nooit echt lukken.

Ik ben ook niet gek. Ik weet wel dat het er niet in zit, zo’n enkeltje, al zou ik de mensen niet graag de kost geven die denken dat je zonder obstakels van Nederland naar Nieuw-Zeeland kunt verhuizen – zo heel gek is die gedachte kennelijk niet eens. Maar vanaf het moment dat ons vliegtuig landt in Auckland, na een reis van 26 uur die me alles meevalt, vraag ik mezelf af: waarom gaan we eigenlijk niet in Nieuw-Zeeland wonen?

Behalve de broer van mijn vrouw is ook een vriendin er, anderhalf jaar eerder, naartoe verhuisd. Ze was er op vakantie geweest en – het begint een beetje afgezaagd te klinken – ook op slag verliefd geworden. Op Christchurch. Ze meldde zich aan voor de immigratieprocedure. Nadat ze die succesvol had doorlopen, zegde ze haar baan op en verkocht ze haar huis in Nederland. Ze nam haar spaargeld mee, huurde iets in Christchurch en had binnen een halfjaar leuk werk gevonden.

Eigenlijk is het deze variant op de love story, meer nog dan die van mijn zwager, die voor mij de doorslag geeft. Ik heb er nooit zo bij stilgestaan, maar je kunt het dus gewoon doen: je baan in Nederland opzeggen, verhuizen naar Nieuw-Zeeland en daar dan weer een baan zoeken. Goh. Zo gecompliceerd klinkt dat ook weer niet. Sterker nog: dat klinkt als iets dat wij ook best zouden kunnen.

Dat is waar de idyllische gang van zaken even ophoudt. Want uiteindelijk is het toch gewoon een saaie som die we keer op keer in ons hoofd maken: een lijst met plussen links, een lijst met minnen rechts. Plus: een mooi, groot, rustig land. Min: weg van vrienden en familie. Plus: goed voor de ontwikkeling van de kinderen. Min: je baan kwijt. Plus: niet meer elke dag in de file of afhankelijk van de nukken van het openbaar vervoer. Min: je fijne huis verkopen.

Plus: weg uit Nederland. Min: weg uit Nederland. Daar komt het toch ongeveer op neer.

Wat het sommetje iets simpeler maakt, is dat ik op dat moment nog werk bij de krant. Het zou overdreven zijn om te stellen dat het de laatste jaren buitengewoon goed gaat in de dagbladsector. Toen ik, begin 20, dat werk begon te doen, kon je nog de illusie koesteren dat het iets was waarmee je, als je dat zou willen, je pensioen makkelijk zou halen. Intussen ben ik er allang van overtuigd geraakt dat ik mezelf toch een keer opnieuw moet uitvinden – en dat zie ik mezelf eerder rond mijn 40ste doen dan rond mijn 50ste. Probeer dat maar eens, in Nederland – ze zeggen altijd dat je voor de meeste werkgevers boven de 40 al een kansloos geval bent. In dat opzicht hoor ik over de Nieuw-Zeelandse arbeidsmarkt aanmerkelijk hoopvoller verhalen: je leeftijd zou er veel minder belangrijk zijn en omdat werkgevers zich betrekkelijk eenvoudig van je kunnen ontdoen, is de mobiliteit van werknemers een stuk groter dan in Nederland.

Minder optimistische geluiden horen we ook. We weten dat we in Nieuw-Zeeland lang niet zoveel zullen verdienen als in Nederland, terwijl het leven er verhoudingsgewijs niet heel veel goedkoper is. Ik vind dat eigenlijk geen bezwaar. Rijk zijn is ook weer zo’n gedoe. In Nederland houden we altijd bakken met geld over – dat is, aangevuld met de overwaarde van ons huis, nou net de spaarpot waarmee we een plannetje als dit zouden kunnen bekostigen.

We zetten onze voornaamste wensen nog maar eens op een rijtje. Dat kan sowieso geen kwaad. Bovenaan staat het welzijn van de kinderen. We zijn een beetje uitgekeken op het labbekakkerige Nederlandse onderwijs en hopen in Nieuw-Zeeland een school te treffen die wij goed vinden en die voor de kinderen prettig is – dat klinkt vast logisch, maar in onze ervaring gaan die twee eigenschappen in Nederland lang niet altijd hand in hand.

En buiten school? Buiten school zijn ze in Nieuw-Zeeland altijd beter af, denken we. Wonen in een land waar de dolfijnen voor je deur spartelen, waar je binnen een uurtje in de bergen kunt zijn, waar je echt kunt verdwalen, waar volop de ruimte is, vormgegeven in een overdonderend landschap – dat willen alle kinderen toch?

Nou, mooi niet dus. Die van ons willen niet. Ze geven grif toe dat de walvissen in Kaikoura, waar we die ene keer zijn wezen kijken, een aanlokkelijk perspectief vormen. Elk jaar een lange vakantie in Nieuw-Zeeland, dat lijkt ze wel wat. Maar vriendjes en vriendinnetjes achterlaten? Een andere school? Echt niet.

Maar goed, ons lijstje dus – na de kinderen komt er een hele tijd niets. Dan staat er: lekker wonen, lekker werken, rust aan je kop. In willekeurige volgorde. We zijn er snel uit.

Dat komt vermoedelijk ook doordat de stap om naar Nieuw-Zeeland te gaan voor ons niet iets definitiefs heeft. Zo wordt het in Nederland wel vaak opgevat: je gaat ‘emigreren’, zo noemt iedereen het toch, en dat schijnt iets te zijn waar je voor de rest van je leven aan vastzit. Emigreren. Tsss. Wij noemen het gewoon verhuizen. En dat blijkt ook te helpen als we het de kinderen vertellen: jongens, als het niet meer leuk is, dan gaan we weer terug.

Toch blijkt de werkelijkheid iets weerbarstiger. Al met al kost het een jaar voordat we hardop tegen iedereen durven zeggen: we gaan het dus echt proberen. Dat heeft alles te maken met het achterlaten van vrienden en familie. We kunnen er zelf wel ten diepste van overtuigd zijn dat wij het, met zijn vieren, overal op de wereld rooien, maar het blijft lastig om anderen op te zadelen met de gevolgen daarvan.

Intussen hebben we ons verdiept in de procedure en weten we welke stappen we moeten zetten om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Met wat geluk duurt dat proces een dik jaar; met wat pech neemt het meer tijd in beslag. Maar we hebben niet zo’n haast. We willen er graag heen omdat Nieuw-Zeeland ons zo mooi lijkt, niet omdat Nederland ons de strot uitkomt.

Vanwege school lijkt de zomer- of de kerstvakantie de handigste periode om te vertrekken. In het ene geval kunnen de kinderen het schooljaar in Nederland gewoon afmaken; in het andere geval beginnen ze in februari aan een nieuw schooljaar in Nieuw-Zeeland. Halen we de Kerst niet, dan wordt het de zomer. En komt ook die zomer te vroeg, dan wordt het vanzelf weer de Kerst.

In augustus 2008 begint het spook van de economische crisis wild om zich heen te meppen. Wij hebben, zodra onze toelating geregeld is, nog een huis te verkopen. Mensen in onze omgeving nemen ineens aan dat we niet meer weggaan. Je vastklampen aan wat je hebt: dat is de reactie die ze in onzekere tijden van je verwachten. Ja, dag. Die hele crisis lucht mij, eerlijk gezegd, behoorlijk op. Als het goed tegenzit, denk ik steeds, moet iedereen straks weer bij nul beginnen. En dan hebben wij toch maar mooi een voorsprong.

November 2008 gaat een van ons weer kijken in Christchurch. Is het nog steeds zo leuk als we dachten dat het was? (Ja.) Hoe is het met het onderwijs? (Goed.) Hoe staat de arbeidsmarkt ervoor? (Mwoah.) Kun je er makkelijk een huis huren? (Ja.)

Vijf maanden later, drie jaar nadat we voor het eerst in Nieuw-Zeeland zijn geweest, krijgen we te horen dat onze aanvraag voor een verblijfsvergunning is goedgekeurd. Op 29 april, in een van de slechtste maanden die de Nederlandse huizenmarkt in decennia gekend heeft, staat ons huis op Funda. Nog geen week later is het verkocht.

We vragen verhuisbedrijven om een offerte. We zeggen op ons werk dat ze er maar rekening mee moeten houden dat we binnenkort toch echt vertrokken zijn. Om ons heen wordt iedereen wakker. O, dus jullie gaan echt? Ja, we gaan echt.

Verbazing en verdriet, dat is wat we ondanks de lange aanloop toch nog tegenkomen – oneindig veel beter dan onverschilligheid, om het nog maar niet te hebben over die enkeling die al had laten weten ‘geen tijd meer’ in ons te ‘investeren’ omdat we ‘toch weggaan’. Maar een onverholen vorm van jaloezie is wel het merkwaardigste sentiment waarmee we worden geconfronteerd. ‘Jullie doen wat iedereen eigenlijk wil’, horen we vaak. O ja?

Ineens blijken ontstellend veel mensen te dromen van een nieuw bestaan in het buitenland. Op zichzelf is dat niet nieuw. Wij keken de laatste jaren ook weleens grijnzend naar het stelletje mafkezen dat de TROS bijeenbracht in de tv-serie Ik vertrek, sukkelende campinghouders en café-eigenaren in spe met wie wij ons volstrekt niet konden vereenzelvigen. Maar dat ons nieuwe bestaan met argusogen gevolgd gaat worden door mensen die het ook zo graag hadden geprobeerd, daarmee hebben we geen rekening gehouden. Ineens krijgen we ook, gratis en voor niets, het stempel van avonturiers op gedrukt. Avonturiers? Wij? Hou op zeg. Het was een nuchter rekensommetje.

Alleen in het hoofd van een van onze kinderen is de maanden voor vertrek sprake van oplopende spanning. Wij schrijven het toe aan de school, aan het naderende afscheid, aan zijn verjaardag, die ook nog even tussendoor komt. Avondenlang ligt hij in bed te woelen. ’s Ochtends zit hij met een bleek bekkie aan het ontbijt. Er komt niet veel uit, totdat hij op een dag vraagt: ‘Pap, die containers, vallen die weleens van zo’n schip af?’

Nou, zeg ik, dat gebeurt bijna nooit, maar als het gebeurt, krijgen we een enorme zak geld en dan kunnen we alle spullen nieuw terugkopen.

‘Ik heb dus laatst op het jeugdjournaal gezien dat er bij Zuid-Afrika wel mooi zo’n schip was omgeslagen’, zegt hij. ‘Dreef de hele oceaan vol met containers.’

Hij is bang dat de Playmobil, de Lego en de treintjes de reis niet zullen doorstaan. We vertellen hem dat we zijn aller-, aller-, allerliefste speelgoed lekker meenemen in het vliegtuig, en dat we, als de container van de boot waait, de rest gewoon opnieuw gaan kopen, in Nieuw-Zeeland. Daarna kan hij weer slapen.

Dit verhaal verschijnt in twee delen; volgende week deel 2.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden