Armoede in Nederland nam onder Paars niet toe

Volgens campagne voerende politici is de armoede in Nederland schrijnend. Hoe arm is Nederland eigenlijk? Gelet op de cijfers van huishoudens met lage inkomens is de armoede onder Paars in ieder geval niet toegenomen....

Van onze Haagse redactie

DEN HAAG

PvdA-lijstrekker Kok spreekt van 'schrijnende armoede', en zijn CDA-opponent De Hoop Scheffer geeft hem de schuld van de toename van de armoede: 'Waar was je, Wim?' De Hoop Scheffer suggereert dat door toedoen van Paars de rijken rijker en de armen armer zijn geworden. Klopt dat beeld?

Armoede wordt in Nederland op een veelvoud van manieren gedefinieerd. De wetenschap is het er wel over eens dat er gekeken moet worden naar de inkomenssituatie van huishoudens, of die nu uit één of meer personen bestaan.

Volgens de armoedemonitor 1997 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) zijn er in Nederland bijna één miljoen huishoudens met een 'laag inkomen', dat voor een alleenstaande is gesteld op zestienduizend gulden of minder (cijfers 1995). Een aantal categorieën is in deze 'lage inkomens' oververtegenwoordigd.

Allereerst valt op dat in het merendeel van de armere huishoudens - bijna viervijfde - niemand werkt. Deze huishoudens zijn dus afhankelijk van een uitkering. De grootste groep betreft alleenstaande vrouwen (336 duizend), en binnen die groep zijn er oudere vrouwen die van een AOW, al dan niet aangevuld met een klein pensioentje, moeten rondkomen.

Daarnaast zijn er 324 duizend echtparen (de helft met minderjarige kinderen) in deze categorie. De volgende groep met een te laag inkomen die in het oog springt, zijn de alleenstaande ouders (140 duizend), van wie moeders de overgrote meerderheid vormen. En er zijn 174 duizend alleenstaande 'arme' mannen; veelal laaggeschoolde werknemers, werklozen en arbeidsongeschikten.

Sommige groepen lopen meer kans om arm te worden dan anderen: laagopgeleide vrouwen die alleen een kind krijgen, oudere vrouwen die er alleen voor komen te staan, mensen van allochtone afkomst. Die laatste groep en ouderen met alleen AOW hebben bovendien de kleinste kans om aan de armoede te ontsnappen.

Echt arm ben je als je lange tijd een (te) laag inkomen hebt. Van de bijna één miljoen huishoudens geldt dat voor de helft (langer dan drie jaar een te laag inkomen). In deze groep zijn de alleenstaande bejaarden oververtegenwoordigd.

Rotterdam kent de grootste concentraties huishoudens met lage inkomens, Utrecht juist minder dan de drie andere grote steden. Ook de steden in de regio buiten de Randstad, zoals Enschede-Hengelo, Tilburg-Eindhoven en de steden in Zuid-Limburg, hebben grote concentraties.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), dat de inkomensontwikkelingen nauwgezet bijhoudt, heeft nog geen cijfers over 1997 en dit jaar beschikbaar. Uit de CBS-cijfers blijkt dat de inkomensverdeling tussen huishoudens in 1996 in ieder geval niet ongelijker was dan de jaren daarvoor. Veel huishoudens hadden veel meer te besteden, vooral doordat er een inkomen uit een baan was bijgekomen.

Alle inkomenscategorieën gingen er in 1995 en 1996 op vooruit, de ontvangers van een uitkering het minst. Dat lijkt in tegenspraak met de eerdere constatering over de inkomensverdeling, maar dat is het niet. Veel meer uitkeringsontvangers dan voorheen vonden namelijk een baan en gingen er dus per saldo fors op vooruit.

De ontwikkelingen in 1997 en dit jaar zullen dit beeld hoogstwaarschijnlijk niet ontkrachten. De ouderen, die gedurende de eerste jaren van Paars in koopkrachtgroei wat achterbleven, zullen daarnaast dit jaar de grootste sprong maken door de extra 'reparatiemaatregelen' van minister Melkert. De arme gezinnen die geen huursubsidie ontvingen hoewel ze daar wel recht op hadden - een kleine groep van minder dan drieduizend gezinnen - is ook geholpen. Ze lijken volgens onderzoek de weg naar het subsidieloket te hebben gevonden, wat wordt bevestigd door de plotselinge tekorten die het ministerie van VROM op deze post meldt.

In de periode 1991-1996 zagen drie van de tien mensen in Nederland hun koopkracht met meer dan 20 procent stijgen. De groep die de andere kant op ging, met meer dan 20 procent omlaag, was veel kleiner (een op de zes). Paars gaf veel geld aan werkgevers en werknemers om zo meer werkgelegenheid te scheppen. Uiteindelijk profiteerden daar grote groepen van. De conclusie lijkt dus gerechtvaardigd dat onder Paars de armoede niet is toegenomen.

Mike Ackermans

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden