Amsterdam moet huizen met tuintjes bouwen om een tweede overloopramp te voorkomen

De kwestie

Prins Bernhard jr. is net zoals de opa naar wie hij is vernoemd een gewiekst zakenman. Hij bezit alleen al 102 pandjes in Amsterdam. Als huisjesmelker wordt hij nog overtroefd door de familie Rappange die er volgens een inventarisatie van Het Parool 600 heeft en een zekere Johannes Veldhuijzen met 512 panden.

Soms lijkt het of mensen die geen geld willen toeleggen op hun spaarrekening zich massaal op de bitcoin hebben gestort. Maar dat is meestal niet meer dan een gokje à la de Postcodeloterij of de voetbaltoto.

Wie zijn geld serieus wil beleggen zoals de prins, wordt huisjesmelker. Vermogende particulieren zijn massaal op de vastgoedmarkt actief. Ze kopen pandjes op en verdelen die in drie of vier kleinere eenheden die worden verhuurd aan studenten en jonge carrièremakers of worden gebruikt voor Airbnb. De speculatiewinst op het tweede, derde en vierde huis wordt in een volgende aankoop gestoken. Totdat het er meer dan 50 (Reinout Oerlemans) of meer dan 100 zijn geworden (prins Bernhard jr.). Mocht de euro een keer de Venezolaanse bolivar achterna gaan, zit het geld tenminste veilig in stenen en cement.

Het betekent dat voor jan modaal wonen in de stad onmogelijk wordt. Woningen in Amsterdam, zeker die met drie of vier kamers, zijn zo schandalig duur geworden dat koppels uitwijken naar 'suburbia'.

Vier van de tien koppels met kinderen gaan weg uit de grote stad voordat het eerste kind naar de kleuterschool mag. Het doet denken aan de jaren zestig. Onder leiding van toenmalig PvdA-wethouder van Volkshuisvesting Roel de Wit (later zestien jaar commissaris van de koningin in Noord-Holland) werd het overloopbeleid in gang gezet. De Wit wilde hiermee voorkomen dat de groenstroken rond de stad werden volgebouwd. Amsterdam mocht geen mammoetstad vol auto's à la Los Angeles worden.

Amsterdammers met modale en bovenmodale inkomens verkasten massaal naar de zogenoemde groeikernen Hoorn, Alkmaar, Purmerend en Almere, waar ze een tuintje hadden en de auto voor de deur konden zetten. Maar het gevolg van de ontvolking was verarming van de stad.

Amsterdam werd opvangplek van een onderklasse van immigranten en uitkeringstrekkers. Al gauw werd in de stad en provincie gesproken van een demografische en economische ramp.

De auto's kwamen er evengoed, zij het dat die vooral op de toegangswegen A9, A1, A2 en A4 in de file stonden. Pas toen Jan Schäfer in 1978 wethouder werd en zijn idee van de compacte stad lanceerde, kon dit worden teruggedraaid. Maar het duurde dertig jaar voordat Amsterdam weer de hippe groeiende stad met een dwarsdoorsnede van de bevolking was van weleer.

Als Amsterdam een nieuwe overloopramp wil voorkomen, zal de stad aan de vraag van jonge gezinnen moeten voldoen en betaalbare huizen met tuintjes moeten laten bouwen die uit handen blijven van opkopers als Prins Bernard jr.

Reageren? p.dewaard@volkskrant.nl