Aftrap in het gevecht om het ambtenarenpensioen

Het pensioenfonds voor ambtenaren en onderwijzers, het ABP, zit in de problemen. Door de crises op de financiële markten heeft het fonds nog maar net voldoende vermogen. Bonden en overheid maken zich op een voor een soberder pensioenregeling...

'Het kabinet spreekt met dubbele tong', zegt Peter Gortzak, bestuurder van Abvakabo FNV. Deze grootste bond voor overheidspersoneel legt een deel van de schuld van de ABP-problemen bij de overheid. 'Jarenlang is de premie te laag geweest. Wij hebben al in 2000 aangedrongen op verhoging, maar werkgevers wilden daar niets van weten. Als staatssecretaris Rutte van Sociale Zaken dan roept dat pensioenpremies zo snel mogelijk kostendekkend moeten zijn, zou het kabinet daarin zelf bij het ABP het voorbeeld moeten geven, en het tekort over de afgelopen jaren bijlappen.'

Vandaag zal uit het jaarverslag van het ABP blijken dat het fonds een groot probleem heeft met zijn vermogen. De pensioenpremie voor ambtenaren is nu 15,2 procent. Die premie moet nog zeker 4 procentpunten omhoog vóórdat zij dekkend is. Dat duurt nog twee jaar; de premie mag jaarlijks niet meer dan twee punten stijgen of dalen.

De kleinere bond voor middelbare en hogere ambtenaren, CMHF, gaat nog een stap verder. 'Voor de verzelfstandiging van het ABP, in de jaren tachtig, heeft het kabinet nog grepen in de kas gedaan. Dat komt nu neer op zo'n 20 miljard euro. Het kabinet moet eerst over de brug komen', zegt Cees Michielse van de CMHF, tevens bestuurder van het ABP.

De christelijke ambtenarenbond, CNV Publieke Zaak, neemt nog geen uitgesproken standpunt in. Pas als het kabinet het ABP te hulp schiet, is aanpassing van de pensioenregeling voor de bonden aan de orde. Abvakabo FNV is dan niet principeel tegen een overgang van het huidige pensioen (gebaseerd op het laatstverdiende loon) naar een middelloonpensioen (gebaseerd op het gemiddeld verdiende salaris). Voorwaarde is wel dat over een veel groter deel van het salaris pensioen wordt opgebouwd.

Het ABP heeft namelijk berekend dat bij een 'kale omzetting' de pensioenen gemiddeld 15 procentpunt lager zullen zijn. Wie nu nog 70 procent van zijn laatste salaris krijgt, krijgt dan 55 procent. Zo'n uitkomst is voor de bonden onaanvaardbaar.

De overheidswerkgevers willen het prepensioen in stappen afschaffen. 'In 2007 moet de collectieve vertrekleeftijd 65 jaar zijn', zegt Jan Veringa, directeur arbeidsvoorwaarden van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, en aanvoerder van de dertien overheidswerkgevers bij het ABP.

Nu is de leeftijd voor het prepensioen bij ambtenaren nog 62 jaar. Ambtenaren kunnen al vanaf hun 55ste van de regeling gebruik maken, maar krijgen dan een lagere uitkering. Wie na zijn 62ste vertrekt, krijgt een hogere uitkering. Die is mede afhankelijk van het dienstverband.

Volgens de werkgevers gaat het om behoud van een goed, solide, houdbaar en solidair pensioensysteem. 'Het gaat erom dat we over vijftien jaar een goed pensioen kunnen bieden aan de jongeren van nu. Dat zij krijgen waarvoor ze nu betalen', zegt Veringa's collega Ina Sjerps van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

In Sjerps visie is langer doorwerken op termijn onontkoombaar, en mag van jongeren niet worden verwacht dat zij fors betalen voor vervroegd uittreden van anderen. 'We slaan twee vliegen in één klap. Door langer door te werken, zijn er staks meer mensen die pensioenpremie betalen. Het wegvallen van de premie voor prepensioen geeft ruimte voor loonsverhoging of hogere pensioenpremie.'

Volgens Veringa kunnen opgebouwde prepensioenrechten worden omgezet in hogere pensioenaanspraken om gaten te dichten. 'Wie eerder wil stoppen, kan dat individueel regelen. Bijvoorbeeld bij Loyalis, ABP's verzekeringsmaatschappij.'

De lasten voor pensioenfondsen nemen toe, betogen de overheidswerkgevers. Dat maakt versobering volgens hen onontkoombaar. 'We studeren langer, beginnen later met werken, stoppen eerder met werken en leven langer. Tijdens dat relatief korte werkzame leven wilen we een goed pensioen opbouwen. Dat ambitieniveau is te hoog', vindt Sjerps.

Met een versobering van het ABP-pensioen willen werkgevers een belangrijke kostenpost beperken. Nu moet het ABP bij elke salarisverhoging genoeg vermogen hebben om de stijgende pensioenaanspraken te dekken. Bij een middelloonpensioen verdwijnt deze backservice en worden jaarlijks alleen de aanspraken over dat jaar met premies betaald.

Pensioenopbouw over een groter deel van het salaris, zoals Abvakabo FNV bepleit, is voor de overheidswerkgevers niet aan de orde. 'Dat verhoogt de aanspraken enorm', zegt Veringa. Hij acht een ruil mogelijk waarbij het deel van het pensioen dat door de AOW wordt gedekt, wordt verlaagd en het nabestaandenpensioen wordt geschrapt. Maar dat heeft ook bezwaren, weet Sjerps. 'Vrouwen leven leven langer en hebben vaak kleinere pensioenen. Als hun man, gepensioneerd ambtenaar, overlijdt, zou ook het inkomen grotendeels wegvallen.'

De ABP-berekening dat het middelloonpensioen gemiddeld 15 procent lager is dan een eindloonpensioen, is voor de overheidswerkgevers geen bezwaar. 'Gemiddeld is het netto-inkomen van gepensioneerden nu 88 procent van dat van werkenden, ongekend hoog', zegt Veringa. 'De oudere generaties zijn gemiddeld erg rijk, terwijl jongeren nauwelijks een huis kunnen betalen. Een lagere pensioenopbouw betekent wel een lagere premie nu, en een hoger inkomen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden