Reportage Windmolens in Limburg

‘Niemand wil zo’n molen in zijn achtertuin. Maar als er iets tegenover staat, is het een ander verhaal’

Windmolens roepen weerstand op van omwonenden, tenzij die omwonenden de windmolen bezitten. Dat coöperatieve model met meerdere eigenaren is de toekomst, is in het Klimaatakkoord te lezen. In Limburg staat het lichtend voorbeeld.  

Enkelen van de 325 eigenaren van windmolen de Coöperwiek. Beeld Marcel van den Bergh

De vijf windmolens bij het dorp Heibloem in Noord-Limburg zijn op het eerste gezicht identiek, maar bij nader inzien is de middelste toch een buitenbeentje. Hij staat net niet helemaal in het gelid en is net iets hoger dan de andere vier. Het grootste verschil is echter dat de vier andere molens de gemeenschap verscheurden, terwijl de middelste de dorpelingen en boeren juist dichter bij elkaar brengt.

Druipend van het zweet komt Jo Kunnen de molen uit, het veiligheidstuig nog om de romp en een bouwvakkershelm op het beparelde hoofd. Hoe warm het binnen is, in de bijna 100 meter hoge mast van molen de Coöperwiek waarvan het hoogste stuk bestaat uit een dichte stalen koker, weet Kunnen niet. Maar de 35 graden buiten is voor hem nu even een aangename koelte.

Limburg is de provincie met veruit de minste windmolens: vijf bij Neer en één bij Heerlen. Beeld Marcel van den Bergh

Kunnen is een van de 325 eigenaren van de Coöperwiek. Hij is bestuurslid van coöperatie Zuidenwind, die de molen nu drie jaar exploiteert. Het is een bijzondere molen. Ten eerste omdat hij in Limburg staat; in de hele provincie staan welgeteld vijf andere windmolens. Daarnaast is het een toeristische attractie. Jo Kunnen heeft veel van de coöperatieleden al eens meegenomen naar boven, een uitstapje dat in andere molens in Nederland ondenkbaar is. De coöperatie wil dan ook vooral leuke dingen doen voor de mensen; voor haar leden, voor haar buren en voor de dorpen in de buurt.

Wantrouwen tussen buren

De ontwikkeling van het grootste windpark van Limburg begon zes jaar geleden met twee projectontwikkelaars die op private grondslag erin slaagden de vier ‘gewone’ molens van de grond te krijgen. Als coöperatielid Hennie Korten, die een kilometertje verderop woont, daarop terugkijkt, wordt hij niet vrolijk. ‘Het ging allemaal heel schimmig. Er waren altijd verhalen. Dat de projectontwikkelaar bij die en die boer was wezen praten. Een volgende vroeg zich af: zal die boer een bod hebben gekregen om een molen op zijn land te bouwen? De volgende zei dan: hij heeft een hoog bod gekregen, en een ander dacht: waarom krijg ik dat niet?’

Het wantrouwen tussen de buren groeide door deze ‘koehandel’, zoals Korten het noemt. Enkele investeerders en landeigenaren verdienen goed geld, en de rest van de omgeving heeft het nakijken. De aanblik. Het geluid. De molens zijn inmiddels verkocht, aan Toyota. ‘De winsten gaan nu dus naar Japan.’

Toen de coöperatie Zuidenwind begon met de ontwikkeling van een molen op die ene plek die nog over was tussen het viertal van Toyota, leefde de argwaan tegen mensen met molenplannen nog volop. ‘Maar het ging al meteen heel anders’, zegt Korten. ‘Voor de eerste vergadering werd iedereen in de omgeving uitgenodigd. Er waren geen gesprekken met individuele mensen. Niemand had een voorsprong. Bij die andere vier molens was er altijd een addertje onder het gras. Nu vroegen we ons weleens af: waar zit het addertje? Maar er was geen addertje.’

Dat was al een heel verschil, maar al snel bleek ook dat de buurt baat kon hebben bij zo’n windmolen. Albert Jansen, als bestuurder van de landelijke windcoöperatie Windvogel al eerder betrokken bij windmolens, nam in Heibloem het voortouw. Zijn tactiek om de buurt te overtuigen was simpel. ‘Zo’n project lukt pas als je duidelijk maakt dat je problemen in de buurt kunt oplossen. En een van de grote problemen in deze buurt was het internet.’

De buurt, dunbevolkt buitengebied, had jaren eerder al tevergeefs eens geprobeerd glasvezelkabel te krijgen. Ze hadden het geld niet, ze hadden de contacten niet. ‘Die contacten hadden wij wel’, zegt Jansen. Een paar telefoontjes waren genoeg om kabellegger Reggefiber te interesseren voor het project. De buurt zette, alweer, een coöperatie op en de windcoöperatie nam een deel van de kosten voor het leggen van de kabel voor zijn rekening. Het waren geen loze beloften. De Coöperwiek begon te draaien op 17 september 2015. ‘Twee weken later hadden we hier allemaal glasvezelkabel’, zegt Hennie Korten.

Geld voor de gemeenschap

En daar bleef het niet bij. Met elke wiekslag van de Coöperwiek komt er geld voor de gemeenschap vrij. Per jaar, zegt voorzitter John Schoonbroodt, wordt 5.000 euro gereserveerd die ten goede komt aan de gemeenschap. Dat in ieder geval. Maar het kan veel meer worden, want de molen maakt, na het uitbetalen van zijn leden, een winst van ongeveer een ton per jaar. Die gaat niet naar Japan, maar staat ter beschikking van de leden, 325 man inmiddels. Er kunnen plotseling allemaal leuke dingen worden gefinancierd. En daarmee is iedereen om. Schoonbroodt: ‘Niemand wil zo’n molen in zijn achtertuin, maar als er iets tegenover staat, dan is het een ander verhaal.’

De molen blijkt een goudmijn. Het dorp Heibloem dreigde leeg te lopen, zegt de 25-jarige Bas Korten (neef van Hennie). ‘Maar door die molen kan plotseling van alles. Tot nu toe is er voor de jongeren vaak niet veel te doen in het dorp. Er is wel een buurthuis, maar daar is ook niet veel. Maar nu kunnen we gaan denken aan een poolbiljart en een dartbord’, glundert hij. Dat het buurthuis wordt opgeknapt en verduurzaamd, is al geregeld. ‘Veel jongeren trokken weg omdat hier nooit iets kon. En nu zeggen ze: wow, kan dat dan?’

De coöperatieleden voor de Coöperwiek in Neer. ‘Bij die andere vier molens was er altijd een addertje onder het gras. Nu vroegen we ons weleens af: waar zit het addertje? Maar er was geen addertje.’ Beeld Marcel van den Bergh

De boeren kampen met een typische plattelandskwestie: de asbestdaken moeten worden vervangen, liefst door zonnepanelen. Zuidenwind gaat onderzoek naar de kwestie betalen en financiert onderwijsprojecten onder meer in Heibloem. In de toekomst komt nog veel meer geld vrij, want Zuidenwind gaat nog twee, grotere molens bouwen. Bovendien gaan andere coöperaties nog zeker twaalf molens in de omgeving bouwen.

Daarmee lijkt Limburg wel bevangen van de windmolenkoorts. Uitgerekend de provincie waar windmolens geen poot aan de grond kregen, lijkt nu de oorsprong van een Tweede Coöperatieve Golf. Na het succes van de Coöperwiek hebben vier naburige gemeenten in Limburg al getekend voor een beleid dat een grote voorkeur heeft voor coöperatieve molens. Een groot deel van de bovengenoemde molens die nu in de planning zitten, worden dan ook coöperatief. Albert Jansen is al druk bezig met de voorbereidingen van een paar projecten.

De populariteit van de coöperatie beperkt zich niet tot Limburg. In Zeewolde worden 93 grote molens gebouwd door een vereniging, een constructie die sterk lijkt op een coöperatie. In Staphorst zijn net drie molens gebouwd door een coöperatie, ter vervanging van drie particuliere. En volgens de monitor van HIER opgewekt, een organisatie die bijhoudt hoeveel duurzame energie er in Nederland wordt opgewekt, zal het vermogen van de coöperatieve molens, eind vorig jaar 118 megawatt, in twee jaar tijd nagenoeg verdubbelen.

Het zou te veel eer zijn om al die voorspoed toe te schrijven aan de Coöperwiek in Neer. Maar de Coöperwiek heeft wel het windmolenbeleid in Nederland veranderd, zegt Siward Zomer. Zomer is al jaren actief in kringen van energiecoöperaties. Hij is (net als Albert Jansen) bestuurder van de coöperatie Windvogel, die drie eigen molens heeft.

Toen minister Wiebes vorig jaar aankondigde dat er een overlegcircus zou worden opgetuigd om de energietransitie in de stijl van de polder voor te bereiden, vreesde Zomer even dat de energiecoöperaties de boot zouden missen. ‘Er zijn zo veel landelijke organisaties, dat niet duidelijk was wie er nou namens de sector aan die klimaattafels zou kunnen zitten’, zegt hij. Vijf clubs staken de koppen bij elkaar. Onder de naam Energie Samen hoopten zij voldoende gewicht in de schaal te leggen om aan de klimaattafels te kunnen meepraten.

‘Dat is gelukt’, glundert Zomer. Namens Energie Samen schoof hij op 9 maart aan voor de eerste bijeenkomst van de sectortafel Elektriciteit, onder leiding van Kees Vendrik. De zitting begon met een rondje waarin alle deelnemers mochten zeggen wat ze dachten te kunnen bijdragen aan het bereiken van de doelen. Vrijwel alle sprekers spraken uit dat er meer windmolens op land moesten komen, en dat daar natuurlijk draagvlak voor moest komen.

Klimaatakkoord

‘Aan de sectortafel Elektriciteit is als ambitie gesteld dat 50 procent van de lokale productie uit wind of zon in eigendom komt van de lokale omgeving. De opkomst van collectieve burgerwindparken laat zien dat zelfs financieel complexe en ingrijpende projecten mogelijk zijn, als de lokale gemeenschap als geheel er voordeel bij heeft.’

‘Maar niemand had gezegd hoe je dat draagvlak kon krijgen’, zegt Zomer. Terwijl iedereen wist dat juist draagvlak het zwakke punt is bij windprojecten op land. Projecten liepen vast op protesten. Omwonenden groeven zich steeds vaker in in hun weerzin tegen de ‘zwaaipalen’ die hun horizon vervuilden, herrie maakten, vogels doodmepten en nog meer akeligs brachten. In onder meer Drenthe en Oost-Groningen liepen pogingen om windparken te bouwen uit op bestuurlijke veldslagen, waarbij bedreigingen en sabotageacties tegen voorstanders niet werden geschuwd.

Met de Coöperwiek als voorbeeld had Zomer geen moeite de coöperatieve gedachte het Klimaatakkoord in te fietsen. ‘Ik heb daar gezegd: in 2030 moet 50 procent van alle zonne- en windprojecten in lokaal eigendom zijn.’ Niemand was tegen. ‘We moesten maar één concessie doen. Die 50 procent is niet een ‘doel’, maar een ‘ambitie’.’

En zo werd het succes van één molen in Limburg verheven tot nationaal beleid.

Veranderde politieke situatie in Limburg

Limburg is de provincie met veruit de minste windmolens: vijf bij Neer en één bij Heerlen. Toen in 2014 de provincies afspraken maakten over het realiseren van windmolens, kreeg Limburg maar een heel klein taakje toebedeeld: 95,5 megawatt in 2020. Groningen doet tien keer zoveel, Brabant vijf keer, Drenthe drie keer. Van dat minitaakje heeft Limburg tot nu toe maar 13 procent gerealiseerd. 

Volgens de Monitor Wind op Land zou Limburg er misschien nog in slagen de helft van zijn taak tijdig uit te voeren. Maar sinds de publicatie van die monitor is de politieke situatie drastisch veranderd. De gemeenteraad van Venlo, waar ongeveer eenderde van het Limburgse windvermogen zou komen, keerde zich dit voorjaar onverwacht tegen de komst van het windpark. Toen gedeputeerde Daan Prevoo (SP) besloot die beslissing te overrulen, kwam hij in aanvaring met zijn eigen partij. In die slag stapten Prevoo en vijf SP-leden van Provinciale Staten op. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.