Zorg en hulp in de buurt ontstaan niet vanzelf

Het kabinet verwacht dat 'de buurt' de wegbezuinigde zorg gaat overnemen. Dat blijkt nog knap lastig.

Vroeger deden we het anders. Tot ver in de jaren zestig werden kwetsbare groepen verzorgd in instellingen, ergens in de spreekwoordelijke bossen. Dat gold voor mensen met een ernstige psychiatrische aandoening, voor dementerende bejaarden en voor mensen met een verstandelijke beperking. We geloofden dat dit goed was voor de doelgroep in kwestie: een veilige omgeving, geschoold personeel en ruimte om te spelen, te wandelen en een beetje te werken op het instellingsterrein. Maar het was ook goed voor de familie van de doelgroep. Voor ouders van kinderen met een ernstige beperking, die meer tijd kregen voor hun werk en hun andere kinderen. Voor ouders van volwassen kinderen met een ernstige psychiatrische stoornis die de stress van, bijvoorbeeld, het regelmatig dreigen met suïcide niet meer aankonden. En voor de volwassen kinderen van dementerende bejaarden die geen oog meer dicht deden zolang hun moeder of vader zelfstandig woonde (Het gas! De straat! De auto!).

Maar sinds de jaren zeventig geloven we veel minder in de heilzame werking van instellingszorg. Tegenwoordig doen we aan 'vermaatschappelijking' of 'deïnstitutionalisering'. Kwetsbare groepen moeten zo lang en zoveel mogelijk thuis worden verzorgd. Door zorgpersoneel aan huis, maar liefst zelfs dat niet. Mensen met een beperking zijn het allerbest af als ze in een gewone wijk wonen, met gewone buren, gewone vrienden, gewone hobby's op gewone clubs en liefst ook nog (aangepast) werk bij een gewone baas. Voor zover ze zorg nodig hebben kan die worden verleend door familie, buren en buurtbewoners, die eraan zullen moeten wennen dat de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat achter ons liggen. Dat is beter voor de kwetsbare groepen ('zo horen ze er helemaal bij!'), beter voor ons ('een zorgzame, betrokken samenleving!') en beter voor de schatkist, want veel goedkoper. Tot zover de theorie rond vermaatschappelijking, maar werkt het ook?

Op 29 juli berichtte de Volkskrant over buurtbewoners in Boxmeer, Hengelo en Eemnes die gek werden van het 'hartverscheurende gekrijs' van hun ernstig verstandelijk beperkte buren. De krant citeert Jean Claessens uit Boxmeer die negen jaar naast een woonvoorziening voor gehandicapte kinderen woonde. 'Het is een illusie dat die kinderen in de speeltuin gaan spelen met gewone kinderen, zo werkt het gewoon niet.'

In de afgelopen jaren deden wij uitgebreid onderzoek naar vermaatschappelijking in twee wijken in Zwolle. We spraken met mensen met een verstandelijke en/of psychiatrische beperking én met buurtbewoners zonder beperking. Onze bevindingen komen overeen met de observaties van de Volkskrant. Tweederde van onze respondenten zonder beperking had geen enkel contact met hun medebewoners met beperking. Mensen zaten er helemaal niet op te wachten om regelmatig met hun verstandelijk gehandicapte buurvrouw te eten. Maar ook mensen met een psychiatrische achtergrond of verstandelijke beperking wilden hun normaal begaafde buren niet in huis ontvangen. Daar werden ze onzeker van. Vooral mensen met een psychiatrische achtergrond vonden contacten ingewikkeld en beangstigend.

Waar wel intensief contact ontstond ging het vaak mis. In ons onderzoek vonden we legio voorbeelden van contacten die escaleerden, omdat mensen met een verstandelijke beperking grenzen van anderen vaak niet goed aanvoelen, waardoor ze snel claimend worden. Als mensen met beperkingen dan ook nog lawaai-ig zijn, slaat de welwillende houding van buurtbewoners om in onbegrip en woede. Dan ontstaan er conflicten en pesterijen. Mensen met beperking die hun buren die hen eenmaal hebben geholpen met een brief, hun hele administratie overhandigen en boos worden als de buren die niet meteen gaan doen. Mensen met beperking die vriendelijke buurtbewoners als gratis taxi gebruiken. Maar ook mensen met beperking die de dupe worden van kwaadwillende buren die hen opzadelen met auto's, dure huisdieren, telefoonabonnementen en internetaansluitingen waar ze niet om hebben gevraagd, of hun huisdeur bekogelen met eieren.

Toch vonden we niet alleen maar narigheid. Mensen met beperking bleken vaak oppervlakkige maar goede contacten te onderhouden met winkeliers. Ook het uitlaten van honden leidde tot luchtige, gezellige contacten in de buurt. En er waren door zorginstellingen gerunde, goed lopende projecten zoals een rijwielshop, waar buurtbewoners hun fiets tegen een kleine vergoeding konden laten opknappen door mensen met een beperking, of een kinderboerderij of buurtrestaurant waar ze werken en buurtbewoners voor weinig geld gebruik van kunnen maken. Het geheim van dergelijke goede contacten schuilt in de begrenzing. Buurtbewoners die er genoeg van hebben zeggen dat ze weer door moeten met hun werk, hond, kind of fiets en breken het contact af wanneer ze willen.

Het is belangrijk dat het kabinet zich dit realiseert bij de verdere afbraak van de verzorgingsstaat. Het kabinet verwacht immers dat 'de buurt' en 'het sociale netwerk' de wegbezuinigde zorg gaan overnemen. Maar zorg en hulp in de buurt ontstaan niet vanzelf en waar ze wel ontstaan gaat het vaak alsnog mis. Spontane vermaatschappelijking is een gevaarlijke illusie: vermaatschappelijking moet je in goede banen leiden. Zorg dat er buurtwinkels zijn waar mensen met beperkingen een praatje kunnen maken. Zorg dat er zinnig werk voor ze te doen is waar de buurt behoefte aan heeft. Mensen met beperkingen zijn vooral gebaat bij luchtige, begrensde en oppervlakkige buurtcontacten.

FEMMIANNE BREDEWOLD is onderzoeker aan de UvA.

MARGO TRAPPENBURG is hoofddocent Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht.

EVELIEN TONKENS is bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap aan de UvA.