‘Ik wil wel een keertje met jou afspreken’

De galeriehoudster Juliètte Jongma speurt op de eindexamen-expositie van de Amsterdamse Rietveldacademie naar jong talent. ‘Je probeert in te schatten of iemands werk stevig genoeg is.’..

‘Hoe zou dit nou gemaakt zijn?’ De neus van galeriehoudster Juliètte Jongma drukt bijna tegen het kunstwerk aan, zó onderzoekend is haar blik. ‘Het is collage, op hout, en heeft ook iets grafiekachtigs.’ Speurend kijkt ze om zich heen op zoek naar visitekaartjes, maar die zijn nergens te bekennen. ’s Middags pas wordt All these things that I’ve done – Finalworks 2006, de afstudeertentoonstelling van de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam, officieel geopend. Veel van de 187 afgestudeerden leggen nu nog de laatste hand aan de presentatie van hun werk. Zo ook Denise Rosenboom, die juist komt aanlopen, een fles Glassex in de hand. ‘Mijn kaartjes zijn onderweg’, zegt ze verontschuldigend.De eindexamenexpositie van een kunstacademie: voor studenten is dit hét moment om hun werk te tonen – niet alleen aan trotse ouders en nieuwsgierige vrienden, maar ook aan recensenten, galeriehouders en curatoren. Galeriehouders op hun beurt maken van de gelegenheid gebruik om te zien welk vlees de jongste generatie kunstenaars in de kuip heeft – en om eventueel iemand te ‘scouten’ voor hun galerie. Juliètte Jongma (33) begon haar galerie, Galerie Juliètte Jongma in Amsterdam, twee jaar geleden. Daarvoor maakte ze tentoonstellingen voor onder meer Galerie Diana Stigter. Inmiddels werkt ze met zo’n twaalf kunstenaars uit binnen- en buitenland, van allerlei disciplines. ‘Ik hoop iets te zien dat me verrast, waarvan ik denk: dit is overtuigend, hier wil ik wat mee doen.’In en om de twee academiegebouwen is het druk. Licht en geluid worden getest, tafels uitgeklapt, een conciërge schiet uit zijn slof omdat zijn verbod een bepaalde ingang te gebruiken met voeten getreden wordt. ‘We’ve come through’, staat er op affiches bij de ingang. Met haar hippe vilten tas, witte outfit en grote zonnebril oogt Jongma eerder als een van de studenten dan als een galeriehoudster op talentenjacht. ‘Studenten weten zelden wie ik ben. Dat is prettig, dan worden ze ook niet zenuwachtig, kan ik rustig vragen stellen.’Vragen stellen. Van Denise Rosenboom wil Jongma niet alleen de techniek weten – ‘thinnerdrukken met houtskool’ – , maar ook wie haar hedendaagse voorbeelden zijn. ‘Ik ben eigenlijk vooral fan van oude kunstenaars, zoals de Vlaamse primitieven.’ Jongma knikt zuinigjes, wenst de kersverse kunstenares succes, en loopt verder de expositie op.‘Ik probeer uit te vinden of iemand zijn werk in een hedendaagse context kan plaatsen’, verklaart ze. ‘Niet dat een kunstenaar een kunsttheoreticus hoeft te zijn, maar ik verwacht wel dat ze op een gegeven moment weten welke andere kunstenaars op hun vlak bezig zijn.’ Het werk van Rosenboom doet haar denken aan Martha Colburn, Iris van Dongen en Juul Kraaijer, en dan ‘moet je dat soort namen eigenlijk wel kunnen ophoesten’. ‘Oei, hier lopen we maar even door’, zegt Jongma bij een opstelling waar een stuk of tien monitoren elk een ander filmpje tonen. ‘Dit is te veel om je te kunnen concentreren. Dat moeten mensen ook leren: less is more. Een beginnersfout.’ De kunstenaars die Juliètte vertegenwoordigt zijn jong – tussen de 24 en 38. Twee keer eerder werkte ze met pas afgestudeerden. Daar zit een risico aan: ‘Niet iedereen blijft kunstenaar. Ik ben geïnteresseerd in langdurige relaties, niet: die was in 1993 kunstenaar en in 1995 webdesigner.’ In de periode na het afstuderen moet duidelijk worden wie als kunstenaar overeind blijft. De veilige academiemuren vallen weg en de graduates moeten zelf op zoek naar studioruimte en geld. ‘Het geijkte pad is: een startstipendium aanvragen en je aanmelden voor een tweede-faseopleiding. Studenten die van de academie afkomen hebben meestal geen netwerk, en geen flauw benul hoe ze hun werk moeten tonen. Daar zouden academies meer aandacht aan mogen besteden.’ Waar de galeriehoudster op let, bij een tentoonstelling als vandaag? ‘Je probeert in te schatten of iemands werk stevig genoeg is. Een volwassen houding en kennis van wat er gebeurt in de hedendaagse kunst – daar kun je uit opmaken hoe serieus iemand is.’‘Hé, Gijs!’ In de gang op de eerste verdieping loopt Jongma Gijs Müller tegen het lijf, docent aan de academie en verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de expositie. ‘Heb jij nog iemand aan te raden?’ Müller dirigeert Jongma naar buiten, waar student Architectonische Vormgeving Elmo Vermijs een installatie heeft gemaakt.Galeriehouders bezoeken eindexamenexposities zelden op de bonnefooi, maar laten zich inlichten door collega’s en docenten. ‘Gijs heeft de studenten lange tijd gevolgd en weet wie de moeite van het bekijken waard is.’ Bij de binnenplaats tussen de twee academiegebouwen aangekomen, blijkt dat Müller haar voorkeur goed heeft ingeschat. ‘Dit vind ik mooi!’ De tengere, blonde Vermijs, door Müller uit de kantine geplukt, komt aangesneld. ‘Ik werd geïnspireerd door de metro in Barcelona’, vertelt hij over zijn Verbindingsgang, waar bezoekers doorheen moeten lopen en met elkaar geconfronteerd worden. Jongma complimenteert hem en noteert het adres van zijn website. Dan snelt ze, op aanraden van Müller, door naar de kelder.Hoewel ze onder de indruk is van Vermijs’ werk, komt hij voor haar galerie niet direct in aanmerking. ‘Germaine Kruip, een kunstenares die ik vertegenwoordig, begeeft zich op hetzelfde vlak. Je wilt niet dat je kunstenaars te veel in één hoek zitten. Maar ik onthoud zijn naam, wie weet kan ik hem aanraden aan iemand anders. Waar moest ik nou nog meer naar kijken van Gijs? Pieter Paul Pothoven? Is dat hier?’‘Hierzo!’ Pieter Paul Pothoven, een lange jongen in een keurige trui, wenkt Jongma de schemerige kelder binnen waar zijn werk staat opgesteld. Nieuwsgierig loopt de galeriehoudster naar een lage, biljartachtige tafel waarop een grote witte dobbelsteen zonder cijfers ligt. ‘Pieter Paul, vertel eens.’‘Dit is een pratende dobbelsteen, de zijde die omhoog ligt, spreekt.’ Pothoven demonstreert de werking, en Juliètte informeert of hij heeft nagedacht hoe dit werk verkocht kan worden. ‘Dit is een uniek werk dat ik nooit meer zal maken als iemand het koopt. Maar het idee blijft wel mijn bezit.’ Jongma knikt en luistert belangstellend naar het verhaal over zijn andere twee werken: een documentatievideo van een tennisballenkanon – ‘een beetje zoals Roman Signer doet’ – en een enorme bal van spaanplaat. ‘Deze bal is gebaseerd op de Sisyphus-problematiek. Sisyphus, ken je de beste man? Camus heeft er veel over geschreven.’ Wanneer Pothoven zijn toekomstplannen ontvouwt – ‘Ik ga een startstipendium aanvragen, een tijdje naar Berlijn, en over een jaar of twee een postgraduate doen’ – glimlacht ze besmuikt. ‘Ik wil wel een keertje met jou afspreken’, zegt ze dan. ‘Oké’ – de stem van Pothoven schiet een octaaf omhoog, maar hij vermant zich snel en overhandigt Jongma zijn kaartje. ‘Mijn hoofd zit vol’, zegt Juliètte Jongma na drie uur intensief kijken, kunstwerken interpreteren en studenten ondervragen. Op naar de kantine dus, voor een kopje koffie, een broodje, een sigaret. Tussen de horde rokende studenten bij de ingang recapituleert ze. ‘Het niveau is hoog.’ Over Pieter Paul Pothoven is Jongma het meest te spreken. ‘Ik wil verschillende disciplines programmeren, en wat hij doet heb ik nog niet in mijn galerie. Hij wist namen op te noemen uit de heel jonge beeldende kunst en refereert aan literatuur, filosofie en wetenschap. Dan vermoed ik dat hij een heel brede bron heeft om uit te putten, ook mentaal.’De kans dat Pothoven ergens in de komende vier dagen, want zo lang duurt de tentoonstelling, nog door andere galeriehouders benaderd wordt, is reëel. ‘Het is wel eens vechten om de kunstenaars. Gerenommeerde galeries winnen het dan meestal van de jongere galeries, dat heb ik ook wel eens meegemaakt. Je hoopt dan dat iemand voor je kiest omdat ze je galerie kennen, misschien je programma leuker vinden.’ Afwachten dus. Maar dat is het risico van het vak, zegt ze, terwijl ze naar haar fiets loopt. ‘Soms win je, soms verlies je.’ Voor de afgestudeerden, die in de Gerrit Rietveld Academie de komst van galeriehouders met spanning afwachten, geldt dat net zo goed.